Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA3081

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
208587/ FARK 06-948
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; redelijkheid en billijkheid, conversie van pensoenen.

Wetsverwijzingen
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 208587 / FA RK 06-948

Beslissingen na echtscheiding

Beschikking van 21 maart 2007

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

hierna te noemen de man,

procureur mr. W.M.E. Oerlemans,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

hierna te noemen de vrouw,

procureur mr. E.N. Bouwman.

1. Verdere verloop van de procedure

Op 22 februari 2006 en 28 februari 2007 heeft de rechtbank eerdere beschikkingen gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot 28 februari 2007 wordt verwezen naar die beschikkingen.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 maart 2007.

2. Vaststaande feiten

Hiervoor verwijst de rechtbank naar de beschikkingen van 22 februari 2006 en 28 februari 2007.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. Zoals gezegd in de beschikking van 28 februari 2007 betreft het geschil nog de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en enige daarmee samenhangende onderwerpen. In die beschikking is ook over de meeste onderwerpen al een oordeel gegeven.

Op de zitting van 9 maart 2007 zijn de laatste geschilpunten besproken en hebben partijen enige aanvullende afspraken gemaakt. Daarbij is afgesproken dat de rechtbank op 21 maart 2007 een eindbeschikking zou geven. Op basis daarvan zullen partijen in de week van 26 maart 2007 de levering van de echtelijke woning aan de vrouw en de gehele verdere verdeling tot stand brengen. Zij hebben verder afgesproken daarbij een bedrag van € 10.000,-- in depot bij de notaris te laten in verband met de afwikkeling van het gebruik van de woning [adres] door de man.

De rechtbank zal daarom nu oordelen over de laatste geschilpunten en een eindbeschikking geven.

3.2. Het eerste geschilpunt zijn de levensverzekeringen, in nauwe samenhang met de pensioenen.

De vrouw heeft pensioen opgebouwd (en doet dat nog steeds) bij het Rabobank Pensioenfonds; het te verevenen ouderdomspensioen bedraagt € 2.914,32 bruto per jaar.

De man heeft van 30 juli 1990 tot en met 31 december 1998 pensioen opgebouwd bij het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro. Het opgebouwde ouderdomspensioen bedraagt € 787,30 bruto per jaar. Hij bouwt nu geen pensioen op.

Partijen hebben verder twee levensverzekeringen. Zij zijn het erover eens dat deze afgesloten zijn ter aanvulling van het pensioen van de man. De afkoopwaarde per 15 september 2005 van de polis bij Interpolis bedraagt € 5.212,--; die van de polis bij ZwitserLeven per 1 september 2005 € 12.387,--.

Het standpunt van de man is nu dat de polissen aan hem moeten worden toegedeeld, waarbij hij bereid is af te zien van pensioenverevening; subsidiair wil hij dat de vrouw verplicht wordt over te gaan tot conversie in plaats van verevening. Hij voert daartoe het volgende aan. Hij is geboren in 1959; hij bereikt in 2024 de leeftijd van 65 jaar. De vrouw is ruim elf jaar jonger; zij bereikt pas in 2035 de pensioengerechtigde leeftijd. Bij verevening krijgt de man pas in 2035, wanneer hij 76 is, recht op zijn vereveningsdeel; de vrouw krijgt al in 2024, nog voor haar 54e verjaardag, recht op het hare.

De vrouw verzet zich tegen dit verzoek. Zij wenst verdeling van de polissen en verevening van de pensioenen.

3.3. Uitgangspunt van de beoordeling is dat de polissen in de gemeenschap gevallen zijn. De premies zijn ook uit gemeenschappelijke middelen betaald. De rechtbank ziet geen enkele reden voor een andere wijze van verdeling dan bij helfte. Het primaire verzoek van de man op dit punt zal derhalve worden afgewezen. Uit de stukken blijkt dat de polis bij Zwitserleven gesplitst kan worden. De polis bij Interpolis kan niet gesplitst worden. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat deze aan de man kan worden toegescheiden; de man zal aan de vrouw de helft van de waarde moeten vergoeden.

3.4. Vervolgens komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verzoek, strekkende tot conversie van de pensioenen. Bij de beoordeling daarvan is uitgangspunt dat partijen beiden een wettelijk recht hebben op pensioenverevening, maar niet op conversie. De wetgever heeft in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding gekozen voor pensioenverevening als hoofdregel. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de belangrijkste reden daarvoor is dat deze methode voor de pensioenfondsen goed uitvoerbaar is. Als belangrijkste nadelen van conversie worden nadelen voor de pensioenfondsen genoemd: conversie is ingewikkelder en bewerkelijker, en conversie kan voor het pensioenfonds nadelig zijn door risicowijziging. Conversie is dan ook opgenomen als optie, waarbij toestemming van het pensioenfonds als vereiste geldt.

3.5. De rechtsverhouding tussen echtgenoten na echtscheiding wordt echter niet alleen beheerst door de wet maar ook door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Uit deze eisen kunnen rechtsplichten voortvloeien, die aan een rechter kunnen worden voorgelegd. Deze eisen van redelijkheid en billijkheid brengen onder meer mee dat partijen niet alleen rekening dienen te houden met de eigen belangen, maar ook met de gerechtvaardigde belangen van de ander.

3.6. In deze zaak zijn de omstandigheden zodanig dat een afwikkeling volgens de letter van de wet voor de vrouw gunstig en voor de man zeer nadelig is. Dat wordt veroorzaakt enerzijds door het relatief grote leeftijdsverschil en door het feit dat de oudste echtgenoot het minste pensioen heeft opgebouwd, en anderzijds door de omstandigheid dat de polissen, die gesloten zijn vanwege het pensioentekort van de man, verdeeld moeten worden. Dit gebrek aan evenwicht tussen de belangen van beiden is zodanig, dat uit de genoemde eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat van de vrouw in redelijkheid verwacht mag worden dat zij meewerkt aan een billijker regeling. Aangezien uit de stukken kan worden afgeleid blijkt dat de beide pensioenfondsen in beginsel bereid zijn mee te werken aan conversie, is de rechtbank van oordeel dat ook de vrouw daaraan dient mee te werken. De rechtbank zal daarom het subsidiaire verzoek van de man toewijzen en de vrouw veroordelen tot medewerking aan conversie.

3.7. Partijen hadden ter terechtzitting van 27 november 2006 al afspraken gemaakt over allerlei inboedelzaken. Op de zitting van 9 maart 2007 zijn nog enkele aanvullende afspraken gemaakt, en wel over de reservesleutels van de auto’s en de afstandsbediening van het hek. De rechtbank zal ook deze opnemen in de beschikking.

3.8. Verder hebben partijen de rechtbank nog enkele concrete problemen voorgelegd. Eén daarvan is het geboortebordje van Iris. Dit bordje is gemaakt bij de geboorte van Iris. In het begin hing het boven haar wieg, en daarna in haar kamertje. De man heeft (zonder overleg met de vrouw) het bordje meegenomen.

De rechtbank is van oordeel dat het geboortebordje te beschouwen is als eigendom van Iris, zodat het in haar kamer hoort te blijven. Aangezien Iris haar gewone verblijfplaats bij de vrouw heeft, zal de man het daarom aan de vrouw moeten afgeven.

3.9. De vrouw heeft ter zitting voorgesteld het spaargeld voor Iris op een spaarrekening te zetten waarover partijen alleen gezamenlijk kunnen beschikken. De man weigert echter daarmee in te stemmen. De vrouw zal daarom de helft aan de man moeten overdragen, zodat hij die helft voor Iris kan beheren.

3.10. Over de motor hebben partijen op de zitting van 9 maart 2007 de volgende aanvullende afspraken gemaakt. De vrouw zal de motor onverwijld op internet te koop aanbieden. Wanneer hij twee maanden na de zitting nog niet verkocht is, zal hij worden aangeboden aan de motorhandel in Vianen waar hij gekocht is. Partijen hebben elk recht op de helft van de opbrengst.

3.11. De vrouw vraagt verder om afgifte van de map met bouwtekeningen van het huis, en de man om afgifte van zijn diploma’s. Van deze zaken staat echter niet vast wie ze heeft. Duidelijk is wel dat de bouwtekeningen bij het huis horen; zij dienen dus te worden toegescheiden aan de vrouw. Anderzijds zijn de diploma’s verknocht aan man. Wanneer de man de bouwtekeningen of de vrouw de diploma’s aantreft, zijn zij gehouden die onverwijld aan de ander af te geven. De rechtbank kan hen op dit moment daartoe echter niet veroordelen.

3.12. De verdeling waartoe dit alles leidt brengt de volgende verrekeningen met zich mee.

De vrouw zal aan de man moeten vergoeden:

- de helft van de overwaarde van het huis, € 320.932,75;

- de helft van de waarde van haar auto, € 1.250,--;

- de helft van het saldo van haar spaarloonrekening, € 3.608,06;

- de helft van het resterende spaargeld op de internetspaarrekening met de rente, totaal € 1.374,11;

- de helft van de boete en incassokosten van Agis, € 104,24;

- een bedrag vanwege diverse betalingen zoals omschreven onder in de beschikking van 28 februari 2007 onder 3.18, € 155,23.

In totaal zou zij derhalve aan de man moeten betalen € 163.789,81.

De man zal aan de vrouw moeten vergoeden de helft van de waarde van zijn auto, € 6.000, , en de helft van de waarde van de polis bij Interpolis, € 5.212,--. In totaal zal hij aan haar dienen te betalen de helft van € 11.212,--, dat is € 5.606,--.

Per saldo zal derhalve de vrouw aan de man moeten betalen een bedrag van € 158.183,81.

Daarnaast zal zij de helft van het spaargeld voor Iris aan de man moeten overmaken.

3.13. Partijen hebben ter terechtzitting verder afspraken gemaakt over een onderwerp dat geen deel uitmaakt van deze procedure. De man bewoont sinds het uiteengaan van partijen de woning [adres]. De vrouw heeft deze woning verkregen uit de nalatenschap van haar ouders. Zij heeft het huis inmiddels verkocht; de levering is bepaald op 3 april 2007. In dit verband hebben partijen nog enige wederzijdse vorderingen op elkaar: in verband met de gebruiksvergoeding, met de voorschotten en de afrekeningen van water en energie, en met eventuele schade aan de woning. Zij hebben afgesproken bij de afwikkeling van de verdeling van het bedrag dat de vrouw aan de man moet voldoen een gedeelte groot € 10.000,-- in depot te laten voor deze vorderingen. Verder heeft de man toegezegd de woning tijdig te zullen verlaten.

3.14. Dit leidt tot de hierna te geven beslissing. Deze nevenvoorzieningen zijn van kracht met ingang van heden.

4. Beslissing

4.1. De rechtbank stelt de wijze van verdeling vast als volgt.

4.2. Aan de vrouw dient te worden toegescheiden:

- de echtelijke woning [adres echtelijke woning], met de daarbij behorende hypotheekschuld;

- de afstandsbediening van het hek;

- de bouwtekeningen van het huis;

- dat deel van de inboedel dat zij nu onder zich heeft, met uitzondering van hetgeen nog aan de man wordt toegescheiden;

- het geboortebordje van Iris;

- de helft van de fotoseries van Iris;

- haar eigen motorpak(ken);

- de auto die zij in gebruik heeft, met de reservesleuteltjes;

- de helft van de opbrengst van de motor;

- de helft van de muntenverzameling;

- de helft van de polis bij Zwitserleven;

- haar spaarloonrekening, haar salarisrekening en de huishoudrekening;

- de helft van het saldo van de spaarrekening voor Iris;

- de helft van alle belastingteruggaven en –aanslagen tot 15 september 2005.

4.3. Aan de man dient te worden toegescheiden:

- dat deel van de inboedel dat hij nu onder zich heeft, alsmede die inboedelzaken die op zijn lijst (productie 16 bij de pleitnota voor 27 november 2006) met een sterretje zijn aangegeven, met uitzondering van de vitrinekast en het bestek;

- zijn diploma’s;

- de fotoboeken van zijn vorige vriendin en van zijn visvakanties;

- de helft van de fotoseries van Iris;

- de fiets (met het sleuteltje);

- zijn eigen motorpak(ken);

- de auto die hij in gebruik heeft, met de reservesleuteltjes;

- de helft van de opbrengst van de motor;

- de helft van de muntenverzameling;

- de levensverzekering bij Interpolis;

- de helft van de polis bij Zwitserleven;

- zijn salarisrekening;

- de helft van het saldo van de spaarrekening voor Iris;

- de helft van alle belastingteruggaven en –aanslagen tot 15 september 2005.

4.4. Voor het overige behoudt ieder hetgeen hij of zij onder zich heeft, en de rekeningen die op zijn of haar naam staan.

4.5. De vrouw dient in verband met overbedeling aan de man een vergoeding van € 158.183,81 te betalen. Dit bedrag dient de vrouw uiterlijk op de datum waarop de voormalige echtelijke woning aan haar wordt toegescheiden aan de man te betalen, met dien verstande dat een bedrag van € 10.000,-- in depot onder de notaris wordt gestort.

4.6. Partijen dienen mee te werken aan levering van de voormalige echtelijke woning en aan de verdere afwikkeling van het bovenstaande uiterlijk in de week van 26 maart 2007.

Verder dienen zij vóór of uiterlijk bij het notariële transport van de woning alle zaken aan elkaar af te geven die zij onder hebben en waarop de ander nog recht heeft.

4.7. De man dient binnen een maand na heden aan de vrouw op te geven van welke foto’s (afgezien van de fotoseries van Iris) hij een kopie wil hebben. De vrouw dient deze vervolgens binnen een maand voor hem te laten bijmaken. De man dient de helft van de kosten hiervan aan de vrouw te vergoeden.

4.8. De man moet de woning [adres] verlaten op de afgesproken datum. Indien partijen nog geen datum zijn overeengekomen dient hij de woning te verlaten op een zodanig tijdstip dat de vrouw in staat is deze op 3 april 2007 in behoorlijke staat aan de koper te leveren.

4.9. De vrouw moet haar medewerking verlenen aan conversie van de wederzijdse pensioenrechten, zoals bedoeld in artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

4.10. Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4.11. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

4.12. De partijen moeten hun eigen proceskosten betalen.

Deze beschikking is gegeven door mr. Z.J. Oosting, rechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Ganzevoort, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2007.