Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA3025

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
208175/ HA ZA 06-307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg arbeidsongeschiktheidsverzekering voor beroep huisarts : indien medische beperkingen ertoe leiden dat verzekerde het beroep huisarts ook praktisch niet langer kan uitoefenen omdat hij als gevolg daarvan niet langer in aanmerking komt voor de vooruitoefening van het beroep huisarts noodzakelijke herregistratie dan leidt dat tot volledige arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis. Voorts : bewijsopdracht aan verzekerde met betrekking tot de vraag of hij al dan niet voor herregistratie in aanmerking zou zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 208175 / HA ZA 06-307

Vonnis van 4 april 2007

in de zaak van

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. A.J. Van,

tegen

1. de naamloze vennootschap

MOVIR N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

2. de naamloze vennootschap

AO ARTSEN-VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagden,

procureur mr. E.J. Wervelman.

Partijen zullen hierna [eiser] en Movir c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 12 april 2006 waarin een comparitie van partijen is bepaald, welke niet heeft plaatsgevonden,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft vanaf 1986 een huisartsenpraktijk gevoerd, waar hij als enig huisarts werkzaam was.

2.2. [eiser] heeft ter dekking van het risico van arbeidsongeschiktheid de volgende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen gesloten:

- met Movir N.V. (hierna: Movir) een arbeidsongeschiktheidsverzekering met polisnummer 1501847;

- met AO Artsen-Verzekeringen N.V. (hierna: AO) een tweetal arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, te weten een eerstejaars en een langlopende verzekering met de polisnummers 92586010 en 92186010.

In de polissen is als verzekerd beroep huisarts opgenomen.

2.3. In de algemene polisvoorwaarden van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van Movir is bepaald, voor zover hier van belang:

Artikel 2 – Begripsomschrijving arbeidsongeschiktheid

2.1. Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25% beperkt is om de werkzaamheden verbonden aan het in de polis omschreven beroep te verrichten. De maatschappij stelt het bestaan van deze stoornissen vast aan de hand van rapportage van door de maatschappij aangewezen deskundigen. (…)

Artikel 7 – Verplichtingen van de verzekerde in geval van arbeidsongeschiktheid

De verzekerde is verplicht (…) in geval van zijn arbeidsongeschiktheid:

(…)

7.5. Movir te machtigen bij derden inlichtingen in te winnen;

2.4. De algemene polisvoorwaarden van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen van AO bepalen, voor zover hier van belang:

Artikel 7 – Definitie arbeidsongeschiktheid

Onder arbeidsongeschiktheid wordt in deze polisvoorwaarden verstaan: de toestand waarin een verzekerde als rechtstreeks en uitsluitend, medisch vast te stellen, gevolg van ziekte of ongeval voor tenminste 25% buiten staat is om de werkzaamheden te verrichten, verbonden aan het in de polis vermelde beroep.

Artikel 8 – Recht op uitkering

8.1. Arbeidsongeschiktheid geeft, indien de verzekerde de werkzaamheden verbonden aan zijn beroep deswege niet of in mindere, met het percentage van de arbeidsongeschiktheid corresponderende, mate uitoefent, recht op uitkering.

2.5. [eiser] is op 9 mei 1997 aangereden door een dronken automobilist, waarbij hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] zich volledig arbeidsongeschikt gemeld bij Movir c.s.

2.6. Het UWV Cadans heeft [eiser] op 8 mei 1998 voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Desondanks heeft [eiser] vanaf medio 1998 zijn werkzaamheden hervat, aanvankelijk voor 50% en met ingang van het kalenderjaar 2000 voor 60%. In mei 2001 heeft [eiser] zijn werkzaamheden volledig gestaakt en sindsdien heeft hij niet meer gewerkt.

2.7. Op verzoek van Movir c.s. is [eiser] in de periode 1999 tot en met 2004 diverse malen (medisch) onderzocht door onder meer orthopedisch chirurgen, een neuroloog en, in verband met psychische klachten, door psychiaters.

2.8. In 2004 is [eiser] behandeld voor een schildklieraandoening. De behandelend internist, P.J.C. Zoon, heeft hem van deze aandoening, zo volgt uit het rapport van 11 augustus 2005, genezen verklaard.

2.9. Verzekeringsgeneeskundige H.F.I. van Waart, die [eiser] heeft onderzocht in verband met een op te stellen belastbaarheidprofiel, concludeert in zijn rapport van 3 november 2003, voor zover van belang:

“Betrokkene’s pijn bij het staan en lopen, alsmede de pijnklachten bij het opstaan en gaan zitten, maken dat betrokkene aangewezen is op werk dat overwegend zittend verricht kan worden, met niet al te frequent de noodzaak om op te gaan staan en weer te gaan zitten (hooguit 4x per uur), een en ander ook overeenkomstig de bevindingen van de orthopedisch chirurg en de door hem aangegeven beperkingen (…).

Daarnaast is betrokkene aangewezen (…) op werk zonder nachtdiensten en gemiddeld niet meer dan ongeveer 8 uur per dag, exclusief zaken als nascholing en het bijhouden van vakliteratuur etc., zaken die overwegend zittend gedaan kunnen worden.

Bij het bespreken van de belastbaarheid geeft betrokkene aan dat hij bij het niet kunnen verrichten van nachtdiensten niet het vak van huisarts volledig uitoefent en daarmee niet voor herregistratie in aanmerking komt. Een nader te verrichten arbeidsdeskundig onderzoek dient hierover duidelijkheid te verschaffen.

(…) Op psychisch vlak zijn er geen specifieke beperkingen ten aanzien van werk.”

2.10. Op verzoek van Movir heeft arbeidsdeskundige J. Lanting de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] onderzocht. Hij is daarbij uitgegaan van het rapport van verzekeringsgeneeskundige Van Waart en het daarbij gevoegde belastbaarheidprofiel.

Uit zijn rapport van 3 maart 2004 blijkt dat Lanting bij het onderzoek ervan is uitgegaan dat [eiser] “dient te worden beoordeeld op de reguliere werkzaamheden als huisarts, onafhankelijk of hij een praktijk heeft of een registratie van de HVRC”.

In de tabel ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft Lanting de uitval voor het rijden van visites en het verrichten van avond-, nacht- en weekenddiensten voor [eiser] op 100% bepaald. Lanting heeft in zijn conclusie de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] vastgesteld op 49%, hetgeen valt in de klasse 45-55%.

2.11. Naar aanleiding van de bevindingen van Lanting heeft Movir aan [eiser] medegedeeld dat zij de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] met ingang van 22 april 2004 heeft vastgesteld op 75% en met ingang van 22 juni 2004 op 50%.

2.12. [eiser] heeft aan Movir medegedeeld dat hij niet kan instemmen met de door Movir vastgestelde percentages betreffende de mate van arbeidsongeschiktheid.

2.13. [eiser] heeft tot 1 maart 2004 ingeschreven gestaan in het door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG) bijgehouden register van erkende huisartsen. Inschrijving in dit register van erkende huisartsen is noodzakelijk om als huisarts werkzaam te mogen zijn. Herregistratie dient iedere vijf jaar te geschieden. Het College voor Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde (“CHVG”) heeft ter uitvoering van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten van de KNMG in het Besluit CHVG no. 2-2002 (hierna: Besluit) eisen en voorwaarden voor herregistratie van huisartsen vastgelegd. Het besluit is op 9 maart 2003 in werking getreden.

2.14. Artikel 1 van voornoemd Besluit bepaalt als voorwaarde voor herregistratie onder meer dat de inschrijving van een arts wordt hernieuwd, indien de arts in de vijf jaar voorafgaand aan de expiratie van zijn inschrijving regelmatig en in voldoende mate als huisarts werkzaam is geweest.

Artikel 2 van het Besluit definieert de werkzaamheden van de huisarts, voor zover van belang, als volgt:

“Onder werkzaam zijn als huisarts wordt verstaan dat een ingeschreven arts persoonlijk beschikbaar is voor het verlenen van huisartsgeneeskundige zorg en deze zorg ook daadwerkelijk verleent. In alle gevallen geldt dat het werkzaam zijn als huisarts zowel het houden van spreekuren, het afleggen van huisbezoeken, acute hulpverlening als het deelnemen aan onderlinge waarneming bij afwezigheid omvat. Een huisarts is lid van een hagro;”

Artikel 5 van het Besluit bepaalt:

“Onvoorziene omstandigheden, zoals bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid, of verplichtingen, al dan niet vrijwillig aangegaan, waardoor een ingeschreven huisarts niet regelmatig en in voldoende mate als huisarts werkzaam is geweest en/of niet in voldoende mate heeft deelgenomen aan deskundigheidsbevordering, worden bij de beoordeling van het recht op hernieuwing van de inschrijving niet in aanmerking genomen”.

2.15. In een brief van 13 november 2003 heeft de secretaris van de KNMG aan [eiser] geschreven, voor zover van belang:

“Naar aanleiding van het telefonisch overleg informeer ik u hierbij over de regelgeving met betrekking tot het doen van avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-diensten) in het kader van de herregistratie als huisarts.

(…)

Door de huidige dissociatie tussen de werkzaamheden tijdens ‘kantooruren’ en de werkzaamheden ’s avonds, ’s nachts en in het weekend, in het bijzonder door de komst van de Huisartsen Diensten Structuren, is het nodig het regelmatig (ook) doen van ANW-diensten als vast onderdeel van de werkzaamheden als huisarts in de regelgeving meer expliciet vast te leggen. Dit zal naar verwachting dan ook gebeuren in de nieuwe regelgeving, die in de loop van 2004 van kracht zal worden.

Samenvattend geldt dat (…) werkzaamheden zonder ANW-diensten niet voldoen aan de voorwaarden voor herregistratie.”

2.16. [eiser] heeft, mede naar aanleiding van de inhoud van de brief van 13 november 2003, besloten om van herregistratie als huisarts af te zien.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, samengevat, te verklaren voor recht:

primair dat [eiser] op grond van de polisvoorwaarden van de onder 2.2. genoemde verzekeringen vanaf 22 april 2004 moet worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt voor de uitoefening van het beroep van huisarts;

subsidiair dat [eiser] op grond van de polisvoorwaarden van de onder 2.2. genoemde verzekeringen vanaf 22 april 2004 tot augustus 2005 moet worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt voor de uitoefening van het beroep van huisarts en dat hij voor de periode daarna moet worden aangemerkt als arbeidsongeschikt in een door de rechtbank, eventueel na benoeming van een onafhankelijk deskundige, te bepalen mate;

met veroordeling van Movir c.s. in de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt is en hij voert daartoe het volgende aan. Als gevolg van het ongeval heeft hij zodanige lichamelijke beperkingen opgelopen, dat hij niet meer in staat is om waarnemingsdiensten te draaien. Daardoor voldoet hij niet langer aan de voorwaarden voor herregistratie en kan hij het beroep van huisarts niet uitoefenen. Volgens [eiser] voldoet hij aan het begrip ‘arbeidsongeschiktheid’ in de zin van de polisvoorwaarden, hij is immers medisch gezien voor 49% arbeidsongeschikt verklaard. Voor de overige 51% is het voor hem praktisch onmogelijk geworden om als huisarts te werken. Omdat hij als gevolg hiervan het beroep van huisarts in het geheel niet meer kan uitoefenen en de polisvoorwaarden niet voorzien in een regeling, dienen de polisvoorwaarden in zijn voordeel te worden uitgelegd en dient hij 100% arbeidsongeschikt te worden verklaard.

Subsidiair voert [eiser] aan dat hij in ieder geval tot en met augustus 2005 volledig arbeidsongeschikt was in verband met een schildklieraandoening. De mate van arbeidsongeschiktheid vanaf augustus 2005 dient volgens [eiser] opnieuw te worden vastgesteld door een door de rechtbank te benoemen arbeidsdeskundige.

3.3. Movir c.s. voert verweer. De omstandigheid dat [eiser] niet langer als huisarts is geregistreerd, brengt volgens Movir c.s. niet mee dat hij 100% arbeidsongeschikt is in de zin van de polissen. Het gaat volgens Movir c.s. bij het vaststellen van de (mate van) arbeidsongeschiktheid om een medisch objectief vast te stellen stoornis en het vervallen van de huisartsenregistratie – zelfs al zou dit het gevolg zijn van arbeidsongeschiktheid – kan niet als zodanig worden aangemerkt. Movir c.s. verwijst in dat verband naar de omschrijvingen van het begrip ‘arbeidsongeschiktheid’ in de polisvoorwaarden (zie 2.3 en 2.4) Movir c.s. betwist dat er sprake is van een leemte in de polisvoorwaarden, de tekst van de polisvoorwaarden is wat betreft Movir c.s. duidelijk en helder, zodat het in het geschil tussen partijen niet aankomt op uitleg van de polisvoorwaarden.

Movir c.s. heeft voorts aangevoerd dat [eiser] zelf heeft afgezien van herregistratie en dat niet zonder meer valt uit te sluiten dat hij mogelijk wel voor herregistratie in aanmerking zou zijn gekomen. Een en ander mag niet voor rekening en risico van Movir c.s. komen.

Tenslotte heeft Movir c.s. aangevoerd dat de uitkomst van de procedure tegen de (WAM-verzekeraar van de) veroorzaker van het ongeval voor haar van belang is. Eventuele uitkeringen van derden (de veroorzaker van het ongeval) strekken volgens Movir c.s. in mindering op hetgeen zij op basis van de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient uit te keren. Dit geldt met name indien het gaat om uitkeringen ter dekking van het verlies aan verdienvermogen.

De subsidiaire vordering moet volgens Movir c.s. worden afgewezen, omdat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn verplichting ingevolge de polis om de verzekeraar te machtigen inlichtingen in te winnen bij derden. Het gevolg daarvan is dat de polis geen dekking geeft, aldus Movir c.s.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kern van het geschil tussen partijen is of [eiser] in het kader van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij Movir c.s. kan worden aangemerkt als 100% arbeidsongeschikt, omdat hij praktisch niet langer in staat is (ook niet in deeltijd) het beroep van huisarts uit te oefenen. Daarbij komt het aan op beantwoording van de vraag of de omstandigheid dat [eiser] als gevolg van zijn medische beperkingen niet langer in staat is om waarnemingsdiensten te draaien en daardoor niet in aanmerking komt voor herregistratie als huisarts waardoor hij het beroep huisarts in het geheel niet meer kan uitoefenen bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden meegenomen.

4.2. Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank uitgaan van het gegeven dat [eiser] niet langer in aanmerking komt voor herregistratie. Dit betekent niet dat de rechtbank deze omstandigheid als vaststaand beschouwd. Gebleken is immers dat [eiser] zelf heeft besloten om van herregistratie af te zien – er is geen onherroepelijke beslissing omtrent het al dan niet in aanmerking komen voor herregistratie – en Movir c.s. heeft aangevoerd dat de gevolgen hiervan voor rekening en risico van [eiser] moeten blijven, omdat niet valt uit te sluiten dat [eiser] wel in aanmerking was gekomen voor herregistratie. Partijen hebben de rechtbank echter verzocht om een oordeel te geven over de vraag of – kort samengevat – in de omstandigheden van dit geval het niet in aanmerking komen voor herregistratie ertoe kan leiden dat [eiser] onder de polisvoorwaarden van Movir c.s. volledig arbeidsongeschikt moet worden verklaard en in dat verband zal de rechtbank het niet in aanmerking komen voor herregistratie tot uitgangspunt nemen. Aan een inhoudelijk oordeel hierover komt de rechtbank pas toe indien de onder 4.1., 2e volzin, geformuleerde vraag bevestigend wordt beantwoord.

4.3. Uit artikel 2 van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van Movir blijkt dat van arbeidsongeschiktheid uitsluitend sprake is indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor tenminste 25% beperkt is om de werkzaamheden verbonden aan het in de polis omschreven beroep te verrichten. Artikel 7 van de algemene polisvoorwaarden van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van AO bepaalt dat onder arbeidsongeschiktheid wordt verstaan: de toestand waarin een verzekerde als rechtstreeks en uitsluitend, medisch vast te stellen, gevolg van ziekte of ongeval voor tenminste 25% buiten staat is om de werkzaamheden te verrichten, verbonden aan het in de polis vermelde beroep. In beide gevallen is het verzekerde beroep ‘huisarts’.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser], als gevolg van het ongeval, medisch gezien 49% arbeidsongeschikt is. In zoverre is er sprake van arbeidsongeschiktheid die onder de polissen van Movir c.s. verzekerd is. Tussen partijen staat voorts vast dat [eiser] geen visites kan rijden en evenmin avond-, nacht- en weekenddiensten kan draaien. Dit volgt ook uit het rapport van Lanting, die bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid de uitval van [eiser] voor deze werkzaamheden op 100% heeft bepaald. Niet in geschil is dat het niet kunnen verrichten van deze werkzaamheden meebrengt dat [eiser] geen waarnemingswerkzaamheden zal kunnen verrichten.

Uitgaande van de onder 4.2. genoemde vooronderstelling dat [eiser] daarmee niet langer voldoet aan de voorwaarden voor herregistratie als huisarts, brengt de door de arbeidsdeskundige vastgestelde arbeidsongeschiktheid mee dat [eiser] ongeschikt is om het beroep huisarts nog langer uit te oefenen.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat in de hiervoor overwogen omstandigheden van het geval [eiser] als gevolg van zijn medische beperkingen volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht in de zin van de polissen van Movir c.s. Immers, als gevolg van de medische beperkingen kan [eiser] feitelijk het verzekerde beroep huisarts niet langer uitoefenen. Dit betekent ook dat de omstandigheid dat [eiser] door zijn medische beperkingen het beroep huisarts in het geheel niet meer kan uitoefenen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door de arbeidsdeskundige had moeten worden betrokken. De arbeidsdeskundige heeft deze omstandigheid geheel buiten beschouwing gelaten, ondanks dat de verzekeringsgeneeskundige in zijn rapport hierover heeft geconcludeerd dat het arbeidsdeskundig onderzoek hierover duidelijkheid diende te verschaffen. De rechtbank acht het in dit verband echter niet noodzakelijk dat een arbeidsdeskundige zich (alsnog) uitlaat over de vraag wat de gevolgen zijn van het niet langer in aanmerking komen voor herregistratie, nu deze bij de gestelde vooronderstelling er toe zullen leiden dat de verzekerde zijn beroep van huisarts in het geheel niet kan uitoefenen. Op grond hiervan komt [eiser] in beginsel dan ook in aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, horend bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100. Dat [eiser] nog wel in staat is om andere werkzaamheden van het beroep huisarts uit te oefenen en in zoverre, aldus Movir c.s., gedeeltelijk arbeidsgeschikt moet worden geacht, doet aan het voorgaande niet af. Deze omstandigheid kan er immers niet toe leiden dat [eiser] de werkzaamheden in het kader van de uitoefening van zijn beroep als huisarts ook daadwerkelijk kan verrichten.

4.6. De hiervoor weergegeven uitleg strookt ook met het doel van de desbetreffende verzekeringen. De onder 2.2. genoemde verzekeringen van Movir c.s. beogen immers dekking te bieden tegen het risico van beroepsarbeidsongeschiktheid. [eiser] heeft gesteld dat hij met dat doel de desbetreffende verzekeringen heeft gesloten; hij wenste een uitkering te ontvangen voor het geval hij in verband met arbeidsongeschiktheid zijn beroep als huisarts niet meer zou kunnen uitoefenen. Dat ook Movir hiervan uitgaat blijkt uit de door [eiser] aangehaalde – en door Movir niet betwiste – passage van de website van Movir waarin staat, voor zover van belang, “Uw huidige beroep is bij de Modulaire Beroeps-AOV van Movir het enige uitgangspunt. Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid beoordelen wij uitsluitend of u nog in staat bent uw huidige beroep uit te oefenen.” Indien Movir c.s. had bedoeld om het geval dat een huisarts door zijn medische beperkingen praktisch niet meer in staat is om het verzekerde beroep uit te oefenen, uit te sluiten bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, dan had het op haar weg gelegen daarover in de polisvoorwaarden uitdrukkelijk een regeling te formuleren.

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, indien wordt uitgegaan van de vooronderstelling dat [eiser] als gevolg van zijn medische beperkingen niet meer in aanmerking komt voor herregistratie die voor het beroep van huisarts vereist is. Deze vooronderstelling is echter ook onderwerp van geschil tussen partijen, zodat de rechtbank hierover eveneens zal dienen te beslissen.

4.8. De vraag die vervolgens voorligt is of [eiser] al dan niet in aanmerking zou zijn gekomen voor herregistratie. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij hiervoor niet langer in aanmerking komt, maar Movir c.s. heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat er geen beslissing over de herregistratie is genomen, dat [eiser] zelf heeft afgezien van herregistratie en dat niet voor rekening en risico van Movir c.s. mag komen dat [eiser] mogelijk wel in aanmerking zou zijn gekomen voor herregistratie. Uit het door [eiser] overgelegde en onder 2.13. en 2.14. genoemde Besluit en de onder 2.15 genoemde brief van de secretaris van het KNMG kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden afgeleid dat de inschrijving van [eiser] in het register van huisartsen niet zou worden vernieuwd.

Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van Movir c.s. ligt het op de weg van [eiser] om bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat zijn inschrijving in het register van huisartsen per 1 maart 2004 niet zou worden vernieuwd, althans dat hij met ingang van 22 april 2004 niet voor herregistratie – die voor de uitoefening van het beroep van huisarts vereist is – in aanmerking komt, omdat [eiser] niet kan deelnemen aan waarnemingsdiensten. [eiser] zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld.

4.9. Indien [eiser] slaagt in het bewijs van zijn stelling dat hij niet langer in aanmerking komt voor herregistratie, dan leidt hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat [eiser] volledig arbeidsongeschikt is. In dat geval is de primaire vordering toewijsbaar. Het verweer van Movir c.s. dat zij niet tot uitkering aan [eiser] gehouden is, indien de (WAM-verzekeraar van de) veroorzaker van het ongeval tot uitkering over gaat, althans dat dergelijke uitkeringen op de door Movir c.s. te betalen uitkeringen in mindering strekken, gaat niet op. Anders dan Movir c.s. meent is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen van Movir c.s. moeten worden aangemerkt als sommenverzekeringen. Niet is komen vast te staan dat de omvang van de feitelijke derving van inkomsten bepalend is voor de vaststelling van de uitkering. De uitkering wordt, zo blijkt uit de polisvoorwaarden, uitsluitend bepaald door de mate van arbeidsongeschiktheid. Dit betekent dat voor uitkering door Movir c.s. op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen de uitkomst van de aansprakelijkheidsprocedure niet relevant is.

4.10. Indien [eiser] niet slaagt in het leveren van bewijs, dan zal de primaire vordering worden afgewezen. In dat geval heeft Movir c.s. terecht aangevoerd dat het afzien van herregistratie door [eiser] niet voor haar rekening en risico mag komen.

Vervolgens komt dan de subsidiaire vordering aan de orde, waarbij het in de eerste plaats zal gaan over de vraag of de door [eiser] gestelde schildklieraandoening leidt tot volledige arbeidsongeschiktheid voor het beroep huisarts tot augustus 2005 en vervolgens over de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] na augustus 2005 opnieuw door een te benoemen arbeidsdeskundige dient te worden vastgesteld. De rechtbank zal echter eerst de bewijslevering van [eiser] over de onder 4.8. genoemde feiten en omstandigheden afwachten alvorens verder te beslissen.

4.11. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiser] op bewijs te leveren van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid, dat zijn inschrijving in het register van huisartsen per 1 maart 2004 niet zou worden vernieuwd, dan wel dat hij per 22 april 2004 niet voor herregistratie in aanmerking komt, omdat [eiser] wegens arbeidsongeschiktheid niet kan deelnemen aan waarnemingsdiensten,

5.2. bepaalt dat, indien [eiser] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.P. Killian in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op donderdag 7 juni 2007 van 13.30 tot 17.00 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.4. bepaalt dat [eiser], indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2007.