Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA2517

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
SBR 07-0587 en 07-0797
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot de bouw van het tijdelijk muziekcentrum Vredenburg langs de rijksweg A2. Naar voorlopig oordeel niet aannemelijk dat de luchtkwaliteit ter plaatse verslechtert ten gevolge van de bouw van dit muziekcentrum. Invloed bouwwerk op flora en fauna. Invloed van scheepvaartverkeer op Amsterdam - Rijnkanaal op luchtkwaliteit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 07/0587 en 07/0797

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2007

inzake

de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht en [verzoekers]

wonende respectievelijk gevestigd te Utrecht,

verzoekers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 De verzoeken hebben betrekking op het besluit van 31 januari 2007 waarbij aan Black Box Theater II BV, te Delft (hierna: vergunninghouder) vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning is verleend voor het realiseren van een tijdelijke vestiging voor Muziekcentrum Vredenburg inclusief bijbehorende voorzieningen voor een periode van vijf jaar op het adres Oude Vleutensweg 12.

1.2 Beide verzoeken zijn op 30 maart 2007 ter zitting behandeld, waar namens de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht (hierna: de Stichting) is verschenen G.A.M. van de Vecht, voorzitter, bijgestaan door drs. C. van Oosten, werkzaam bij het bureau rechtsbescherming. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. de Keijzer en A.M.M. Baggen, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht, bijgestaan door mr. R.J.G. Bäcker, advocaat te Rotterdam. Namens vergunninghouder is F.A. Molenaar, gemachtigde, ter zitting verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 De voorzieningenrechter ziet geen beletsel om verzoekers in hun verzoeken te ontvangen.

Verzoekers [naam] wonen aan een toegangsweg naar, en op korte afstand van, het tijdelijk muziekcentrum. De Stichting heeft als haar statutaire doelstelling onder meer het instellen van rechtsmiddelen (zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk) tegen besluiten, plannen en situaties in de stad en regio Utrecht, die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu in verband met de verontreiniging van de lucht, waarbij onder meer het verkeer een belangrijke rol speelt. Gelet hierop is de Stichting naar voorlopig oordeel belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

2.4 De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden om verweerder te volgen in zijn stelling dat het bezwaar van verzoekers niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb. De door verzoekers naar voren gebrachte zienswijzen naar aanleiding van het voornemen om bouwvergunning te verlenen en het bezwaarschrift van verzoekers bevatten gronden als bedoeld in artikel 6:5 van de Awb.

Van handelingen in strijd met de goede procesorde is de voorzieningenrechter evenmin gebleken. Daarbij wordt overwogen dat de aard van een voorlopige voorzieningprocedure met zich brengt dat de termijnen korter zijn dan bij een reguliere bestuursrechtelijke bodemprocedure.

2.5 Ingevolge artikel 17 van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. Het derde lid van artikel 15 WRO is van overeenkomstige toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat het vestigen van het tijdelijk muziekcentrum op deze locatie in strijd is met het ter plaatste geldende bestemmingsplan “Leidsche Rijn Utrecht 1999”, waar het perceel de bestemming “Gemengde Doeleinden (uit te werken)” heeft.

2.6 Verzoekers [naam] hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de direct omwonenden en dat verweerder de gevolgen van het bouwplan voor de situatie ter plaatse onvoldoende heeft onderkend. De Oude Vleutenseweg betreft een zogeheten B-weg en die weg is, gelet op de aanwezige bomen en de belendende monumentale vaart, volgens verzoekers niet berekend op de toevoer van veel bezoekers naar het tijdelijk muziekcentrum. Er is in de huidige situatie al veel verkeer en er is onvoldoende rekening gehouden met de forse toename van het autoverkeer van en naar het tijdelijk muziekcentrum. Verzoekers hebben voorts betwist dat verweerder voldoende onderzoek naar de ter plaatse aanwezige flora en fauna heeft verricht. Verweerder handelt in strijd met de Flora- en faunawet nu geen ontheffing van deze wet is verleend. Verweerder heeft bovendien niet duidelijk gemaakt of de woonwagens van verzoekers moeten wijken voor het bouwplan. Verzoekers achten het bouwplan tenslotte ook in strijd met het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Besluit).

2.7 De Stichting heeft aangevoerd dat ten onrechte geen planologische onderbouwing is gemaakt voor de vestiging van het tijdelijk muziekcentrum en dat het bouwplan in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005. Verweerder gaat bij zijn beoordeling van het plan volgens de Stichting ook uit van een onjuiste en of onrealistische toename van het aantal vervoersbewegingen per etmaal. Hoewel verweerder in dit geval de achtergrondconcentratie in verband met de invloed van het autoverkeer op de A2 heeft gecorrigeerd (en dit volgens verzoekers ook mocht doen), heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de bijdrage van het scheepvaartverkeer op het Amsterdam-Rijnkanaal op de luchtkwaliteit ter plaatse. Er wordt volgens verzoekers in 2010 dan ook niet aan de grenswaarden ingevolge het Besluit voldaan.

2.8 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Anders dan de Stichting heeft aangevoerd, is er geen verplichting voor verweerder om aan een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO een ruimtelijke onderbouwing (als bedoeld in artikel 19 van de WRO) ten grondslag te leggen. De stelling van de Stichting vindt geen steun in de wet. Naar voorlopig oordeel kan niet gezegd worden dat de keuze voor de onderhavige locatie voor het tijdelijk muziekcentrum niet zorgvuldig is voorbereid.

2.9 Met betrekking tot de stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de direct omwonenden overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Vooropgesteld moet worden dat uitsluitend de toegangsweg tot het voormalige sportpark zal worden verbreed en dat, anders dan verzoekers vrezen, de bomen en de monumentale vaart langs de Oude Vleutenseweg gehandhaafd blijven. Verweerder heeft bovendien uitdrukkelijk verklaard dat de standplaatsen voor woonwagens niet in verband met de vestiging van het tijdelijk muziekcentrum moeten verdwijnen. De verplaatsing houdt verband met de ontwikkeling van de Centrale Zone van Leidsche Rijn. .

2.10 De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot de grieven betreffende de strijdigheid van het bouwplan met de Flora en faunawet dat verweerder zich heeft gebaseerd op een rapportage van bureau Waardenburg, Adviseurs voor ecologie en milieu (hierna: Waardenburg) van 2004. De voorzieningenrechter kan de redenering dat dit rapport niet bruikbaar is omdat het niet ziet op de actuele situatie niet volgen. Verweerder heeft naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat het onderhavige terrein na de totstandkoming van het rapport niet braak heeft gelegen. Nadat de sportvereniging was verhuisd is het terrein gebruikt als bouwterrein voor de nieuwe brug over het Amsterdam Rijnkanaal. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de dieren die zich in het gebied bevinden zich in de groenstroken tussen de A2 en het kanaal ophouden en zich in zuidelijke richting kunnen verplaatsen. Uit het vereiste van een ontheffing voor de verbreding van de A2 volgt niet dat een ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet is vereist voor de aanleg van het tijdelijk muziekcentrum. Deze grief vormt onvoldoende aanleiding voor toewijzing van het verzoek.

2.11 Met betrekking tot de stellingen van verzoekers dat het bouwplan in strijd is met het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Besluit) overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Besluit wordt, voor zover hier van belang, onder de in lid 1 bedoelde bevoegdheden in ieder geval begrepen de bevoegdheid op grond van artikel 17 van de WRO.

Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit, kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Gezien het laatstgenoemd artikellid staat een reeds bestaande overschrijding van een voor de luchtkwaliteit gestelde grenswaarde niet in de weg aan het uitoefenen van een tijdelijke vrijstelling, zo lang de concentratie van de betrokken stof in de buitenlucht niet verder toeneemt tengevolge van de realisering van het bouwplan.

2.12 Naar voorlopig oordeel heeft verweerder kunnen oordelen dat de luchtkwaliteit ten gevolge van de vestiging van het tijdelijk muziekcentrum niet verslechtert. Anders dan verzoekers hebben betoogd heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij de berekening van de toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de juiste uitgangspunten. Verweerder heeft zich hierbij mogen baseren op het gegeven dat 30% van de concerten in (het huidige) muziekcentrum Vredenburg wordt verplaatst naar de locatie “Leeuwenbergh” en niet naar het tijdelijke muziekcentrum. Verzoekers hebben hiermee bij hun berekeningen zonder nadere motivering geen rekening gehouden.

De voorzieningenrechter heeft voorts onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een ingroeimodel van 180.000 bezoekers in het eerste jaar tot 237.500 bezoekers in het vierde jaar. Gelet op de ervaringen in het verleden mocht verweerder hierbij uitgaan van een bezetting van 75% van de zaalcapaciteit en een gemiddelde autobezetting van 1,9. Het merendeel van de bezoekers van het huidige muziekcentrum Vredenburg (circa 80%) komt niet met de auto. Verzoekers moet worden nagegeven dat verweerders prognose dat 50% van de bezoekers van het toekomstige tijdelijk muziekcentrum niet met de auto (maar met het openbaar vervoer of de fiets) zal komen gelet op de huidige openbaar vervoersituatie optimistisch lijkt. Dit vormt evenwel geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder van een hoger percentage autobezoek had moeten uitgaan. Hiertoe wordt overwogen dat verweerder de 50% norm taakstellend acht en het openbaar vervoer zodanig zal aanpassen/uitbreiden dat dit streefcijfer zal worden behaald.

2.13 Verzoekers hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter, mede gelet op verweerders toelichting ter zitting, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder geen rekening mocht houden met de realisering van de ontsluitingswegen NOUW 1 en NOUW 2. De enkele stelling van verzoekers dat deze wegen niet (tijdig) gerealiseerd zullen worden en dat voor de NOUW 2 nog geen bouwvergunning en vrijstelling zijn aangevraagd, leidt niet tot de conclusie dat verweerder bij de berekening van de luchtkwaliteit niet met deze relevante ontwikkelingen rekening mocht houden.

2.14 Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de invloed van het scheepvaartverkeer op het Amsterdam-Rijnkanaal op de luchtkwaliteit in de omgeving is de voorzieningenrechter, gelet op de toelichting van verweerder ter zitting, van oordeel dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van deze omstandigheid. Verweerder heeft uiteengezet dat de scheepvaartemissies in de gemeten achtergrondconcentratie zijn opgenomen en dat het CAR-model geen mogelijkheden kent om scheepvaartgegevens afzonderlijk te verwerken. Bovendien zijn van het Amsterdam-Rijnkanaal ook geen gegegevens voorhanden. Wel heeft verweerder vergelijkbare gegevens van scheepvaartverkeer op de Waal bij Nijmegen beschikbaar aan de hand waarvan een globale schatting is gemaakt van de gevolgen van scheepvaartemissie voor de luchtkwaliteit op een afstand van 250 m van het midden van het vaarwater. Op deze schattingen dient nog een dubbeltellingcorrectie te worden toegepast in verband met de aanwezigheid van scheepvaartemissie in de gemeten achtergrondconcentraties.

Voor de onderhavige vrijstelling zijn deze gegevens echter niet relevant omdat een toename van de luchtvervuiling tengevolge van de scheepvaart niet wordt veroorzaakt door het bouwplan.

2.15 Vaststaat dat de norm voor de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide (NO2) in de toekomstige situatie (dat is de situatie met het tijdelijke muziekcentrum) wordt overschreden. Er is echter geen sprake van een toename van deze overschrijding tengevolge van de realisering van het tijdelijke muziekcentrum.

De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) wordt niet in de autonome noch in de toekomstige situatie overschreden. De 24-uursgemiddelde grenswaarde wordt zowel in de autonome als in de toekomstige situatie langs de meeste wegen overschreden. Er is ook hier echter geen sprake van een overschrijding tengevolge van de vestiging van het muziekcentrum.

Naar voorlopig oordeel moet het er daarom voor worden gehouden dat de relatief beperkte bijdrage van het verkeer van en naar het tijdelijk muziekcentrum aan de luchtkwaliteit in de omgeving in het niet valt bij de aanzienlijke bijdrage van het verkeer op de naast het muziekcentrum gelegen rijksweg A2.

2.16 Hetgeen door verzoekers is aangevoerd, kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot toewijzing van het verzoek. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in ‘t Veld en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. drs. H. Maaijen mr. drs. R. in ’t Veld

Afschrift verzonden op: