Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA2475

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
SBR 07-49 VV en SBR 07-461
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Blokkering van de bijstandsuitkering. Artikel 79 van de WWB. Inlichtingenplicht geschonden. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 07/49 VV en SBR 07/461

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2007 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak,

inzake

[eiseres],

wonende te Mijdrecht,

eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening, gedateerd op 4 januari 2007, heeft betrekking op de blokkering van de betaling van de uitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 oktober 2006.

1.2 De hiertegen ingediende bezwaren heeft verweerder bij besluit op bezwaar van 16 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 februari 2007 een beroepschrift ingediend. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voormeld verzoek om een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

1.4 Het verzoek is op 21 februari 2007 ter zitting behandeld, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.H. Heidebrink, werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep:

2.3 Eiseres heeft in haar bezwaarschrift van 17 november 2006 aangevoerd dat haar tijdens een verhoor op 7 november 2006 door de sociale recherche is medegedeeld dat haar bijstandsuitkering zal worden beëindigd met ingang van 1 december 2006. Gelet op deze mededeling heeft eiseres, nog voordat een besluit daartoe was genomen, een bezwaarschrift ingediend tegen de beëindiging van haar bijstandsuitkering.

2.4 Verweerder heeft in zijn besluit op bezwaar van 16 januari 2007 gesteld dat het schrijven van 20 november 2006 met de schriftelijke bevestiging van de blokkering van de betaling van de uitkering geen besluit is, maar een vooraankondiging tot het nemen van een besluit. Ten onrechte is dan ook de bezwaarschriftenclausule onder dit schrijven vermeld, aldus verweerder.

2.5 In artikel 8:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 79 van de WWB luidt als volgt: Voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt met een besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.

In de Memorie van Toelichting bij dit artikel is onder meer het volgende opgenomen: “Het betreft hier een uitvoeringshandeling die naar het oordeel van belanghebbende (…) afwijkt van het besluit tot het verlenen (…) van bijstand. Indien bijvoorbeeld een uitkering zou worden beëindigd in afwachting van een nader te nemen beslissing of indien een uitkering zou worden verminderd zonder dat daaraan een beslissing ten grondslag ligt of zonder dat de terzake genomen beslissing aan de belanghebbende is medegedeeld, biedt de onderhavige bepaling belanghebbende de mogelijkheid hiertegen te appelleren.”.

2.6 Gelet op het bepaalde in artikel 79 van de WWB is de voorzieningenrechter van oordeel dat de feitelijke stopzetting van de uitbetaling van de bijstandsuitkering als een besluit moet worden gezien, waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend. Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, is de voorzieningenrechter voorts genoegzaam gebleken dat er ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift al sprake van was dat de uitkering niet langer werd uitbetaald. Hieruit volgt dat verweerder de bezwaren van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiseres zal derhalve gegrond worden verklaard en verweerders besluit van 16 januari 2007 zal worden vernietigd.

2.7 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

2.8 Aan eiseres is met ingang van 8 januari 2004 een WWB-uitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend. In een door de sociale recherche opgesteld rapport van 20 december 2006 wordt geconcludeerd dat eiseres niet woonachtig is op het door haar opgegeven adres, maar dat zij elders een gezamenlijke huishouding voert met haar vriend ([partner van]). Gelet hierop is ten aanzien van eiseres geadviseerd om de WWB-uitkering te beëindigen en de ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering abusievelijk nog niet is genomen, maar dat dat binnenkort alsnog zal worden gedaan.

2.9 Eiseres heeft in haar verzoek om een voorlopige voorziening aangevoerd dat haar uitkering ten onrechte is geblokkeerd omdat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Daarbij heeft zij er op gewezen dat zij nog steeds als eenoudergezin staat ingeschreven op het adres [adres 1] te Mijdrecht. Verder wenst eiseres haar verklaring bij de sociale recherche te herroepen, aangezien zij bij dit verhoor onder grote druk is gezet en deze verklaring niet in vrijheid is afgelegd. Hierbij heeft eiseres aangegeven dat zij volgens de rechercheurs in verzekerde bewaring zou worden gesteld en dat haar kinderen onder toezicht van de Raad voor de kinderbescherming zouden worden gesteld, wanneer zij geen bekennende verklaring zou afleggen.

2.10 Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 3, derde lid, van de WWB luidt als volgt: Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

2.11 De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de verplichting tot informatieverstrekking reeds op eiseres rust sinds de indiening van een aanvraag voor een bijstandsuitkering. Bij schending van de ingevolge artikel 17 van de WWB op eiseres rustende inlichtingenverplichting door niet uit eigen beweging melding te maken van een gezamenlijke huishouding, is verweerder in beginsel bevoegd tot het nemen van maatregelen ter zake van de uitkering van eiseres.

2.12 Verder wijst de voorzieningenrechter er op dat tot het treffen van een voorlopige voorziening in een geschil als dit, waarin het gaat om een financiële aanspraak, in beginsel slechts plaats is indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat de blokkering van de uitkering - in ieder geval in materiële zin - in rechte geen stand kan houden en bovendien feiten en omstandigheden aanwijsbaar zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts zal in de afweging van de belangen van partijen mede moeten worden betrokken de vraag naar - kort gezegd - het risico van de onmogelijkheid van terugbetaling door eiseres, indien zij door de uitkomst van de bodemprocedure genoopt zou worden het alsdan onverschuldigd betaalde aan verweerder terug te betalen.

2.13 Op grond van de gedingstukken, waaronder met name het rapport van de sociale recherche, en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog genoegzaam is komen vast te staan dat eiseres haar hoofdverblijf heeft bij, en een gezamenlijke huishouding voert met [partner van]. In dit kader wijst de voorzieningenrechter met name op de onderzoeken in de beide woningen, welke bevindingen worden gesteund door de waarnemingen in maart en juli 2006 en de verklaringen van de omwonenden. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat eiseres zelf op 7 november 2006 heeft verklaard dat zij vanaf eind 2005 bij [partner van] aan de [adres 2] te Loenen aan de Vecht woont. Dat eiseres in haar verzoek om een voorlopige voorziening heeft aangegeven dat zij deze verklaring wenst te herroepen, acht de voorzieningenrechter niet van doorslaggevend belang. De verklaring van eiseres is opgenomen in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal en in de door haar ondertekende verklaring is onder meer opgenomen dat hetgeen zij heeft verklaard juist is weergegeven en dat zij goed en correct is behandeld tijdens het verhoor.

2.14 Nu eiseres geen melding heeft gemaakt van deze gezamenlijke huishouding is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiseres de in artikel 17 van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting heeft geschonden. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op grond van de ten tijde van de blokkering van de uitkering beschikbare onderzoeksresultaten op goede gronden kunnen aannemen dat er geen recht meer bestond op een bijstandsuitkering, althans dat het recht hierop niet langer kon worden vastgesteld. Gelet hierop is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, zodat dit verzoek zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 16 januari 2007;

3.3 draagt verweerder op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

3.4 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,- aan haar vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,-;

3.6 wijst de gemeente De Ronde Venen aan als de rechtspersoon die de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen dient te vergoeden.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.7 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op

7 maart 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.E. Companjen mr. H.J.H. van Meegen

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.