Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA2070

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
SBR 06-1764
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om subsidie op grond van het Besluit rijkssubsidiering restauratie monumenten 1997 omdat met de restauratie is begonnen voordat de subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/1764

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 23 maart 2007

inzake

de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

eiseres,

tegen

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC en W),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 maart 2006 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 oktober 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd eiseres subsidie te verlenen op grond van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (Besluit van 27 maart 1997, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van subsidie ten behoeve van het herstel van beschermde monumenten, hierna: Brrm 1997) voor de restauratie van de "Uilentoren" te Leersum (thans opgegaan in de gemeente Utrechtse Heuvelrug).

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2007, waar namens eiseres - na ambtshalve oproeping daartoe - is verschenen haar gemachtigde A. Seraus- van den Broek, werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug als adviseur Monumenten. Namens verweerder is - na ambtshalve oproeping daartoe - verschenen mr. E. Roijakkers, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RvdM).

Overwegingen

Feiten

2.1 Eiseres heeft op 2 september 2005 een aanvraagformulier voor restauratiesubsidie Brrm 1997, gedateerd op 29 augustus 2005, met bijlagen, aan de provincie Utrecht verzonden voor de restauratie van een folly genaamd de "Uilentoren", gesitueerd aan de Lomboklaan te Leersum, een rijksmonument dat eigendom is van de gemeente Leersum.

Bij brief van 26 september 2005 hebben gedeputeerde staten van de provincie Utrecht deze aanvraag aan verweerder doorgestuurd met het verzoek deze in behandeling te nemen ter vaststelling van de subsidiabele kosten.

Bij het primaire besluit van 4 oktober 2005 heeft verweerder het verzoek van eiseres om subsidie afgewezen omdat met de restauratie van de "Uilentoren" is begonnen op 16 augustus 2005, reeds voordat door verweerder de subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld.

2.2 Eiseres heeft op 1 november 2005 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding van dit bezwaarschrift heeft verweerder op 29 november 2005 een ambtsbericht uitgebracht dat aan de commissie voor de bezwaarschriften van het Ministerie van OC en W (hierna: de commissie) is toegezonden. Op 24 januari 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De commissie heeft verweerder op 16 februari 2006 geadviseerd om het bezwaarschrift van eiseres ongegrond te verklaren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de gronden van het hiervoor genoemde advies van de commissie. Hiertegen richt zich het onderhavige beroep.

Standpunten van partijen

2.3 Eiseres heeft in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht alvorens de aanvraag van eiseres af te wijzen. Tevens is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, nu verweerder ter onderbouwing uitsluitend naar het advies van de commissie heeft verwezen. De commissie heeft evenwel in haar advies van 16 februari 2006 ten onrechte gesteld dat eiseres verzuimd zou hebben om het formulier "mededeling aanvang werk" in te dienen. Tevens is het beroep van eiseres op de hardheidsclausule ten onrechte afgedaan onder de verwijzing naar niet correct gepubliceerd beleid met betrekking tot het verlenen van een ontheffing van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder d, van het Brrm 1997. Wegens de door eiseres aangedragen bijzondere omstandigheden was verweerder gehouden toepassing te geven aan de hardheidsclausule vervat in artikel 36 van het Brrm 1997. In dat kader heeft eiseres naar voren gebracht dat in dit specifieke geval de kosten van de restauratie achteraf goed zijn vast te stellen, zodat het belang dat artikel 3 van het Brrm 1997 beoogt te beschermen niet is geschaad, dat aan alle overige voorwaarden voor subsidieverlening is voldaan, dat eiseres verwikkeld was in een moeilijk proces van gemeentelijke herindeling, dat er zowel bij verweerder als bij eiseres sprake was van bijzondere personele omstandigheden, dat het provinciaal restauratie-uitvoeringsprogramma voor deze specifieke restauratie nog steeds een subsidiebedrag heeft gereserveerd ter hoogte van ? 54.454,-- en dat deze subsidie door eiseres nu niet kan worden verkregen. Volgens eiseres is de weigering subsidie te verlenen een onbillijke consequentie, die niet in verhouding staat tot haar verzuim, te weten de te late aanvraag om vaststelling van de subsidiabele kosten.

2.4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen die zouden moeten leiden tot wijziging van het bestreden besluit.

Toepasselijk recht

2.5 Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dat luidde ten tijde in geding, kan de Minister van OC en W (hierna: de Minister) subsidie verstrekken ten behoeve van het herstel en de instandhouding van beschermde monumenten.

Ingevolge het derde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid. Wat betreft het herstel van beschermde monumenten zijn regels gesteld in het Brrm 1997.

2.6 Ingevolge artikel 1, eerste lid, sub c, van het Brrm 1997 wordt onder restauratie verstaan: werkzaamheden aan een beschermd monument, het normale onderhoud te boven gaand, die voor het herstel van het beschermd monument noodzakelijk zijn.

2.7 Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Brrm 1997 kan de Minister aan de eigenaar van een beschermd monument dat voorkomt in een provinciaal restauratie-uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 12 subsidie verstrekken in de subsidiabele restauratiekosten van dat monument.

2.8 Ingevolge artikel 3, aanhef en onder d, van het Brrm 1997 wordt subsidie in ieder geval niet verstrekt indien met de restauratie is begonnen voordat de Minister de subsidiabele restauratiekosten heeft vastgesteld.

2.9 Ingevolge artikel 36 van het Brrm 1997 kan de Minister artikelen van dit besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat dit besluit beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Beoordeling van het geschil

2.10 De rechtbank dient allereerst, ambtshalve, de vraag te beantwoorden of het college van burgemeester en wethouders bevoegd was bezwaar te maken tegen het primaire besluit respectievelijk beroep in te stellen tegen het bestreden besluit, zoals in de onderhavige procedure is geschied en of de burgemeester het bezwaar- en het beroepschrift mocht ondertekenen. De rechtbank wijst erop dat verweerder het bestreden besluit terecht heeft gericht aan de gemeente. Het is immers de gemeente als rechtspersoon die eigenaar is van de "Uilentoren" en in die hoedanigheid een aanvraag om vaststelling van de subsidiabele kosten voor restauratie en om toekenning van subsidie heeft ingediend.

Ingevolge artikel 160, aanhef en onder sub f, van de Gemeentewet is het college in ieder geval bevoegd te besluiten namens de gemeente, het college of de raad rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. De rechtbank stelt vast dat de gedingstukken geen aanknopingspunt bieden voor de vaststelling dat het college niet namens de gemeente bezwaar heeft willen maken respectievelijk beroep heeft willen instellen. Het college heeft derhalve bevoegdelijk en in overeenstemming met artikel 160, aanhef en onder f, van de Gemeentewet beslist dat bezwaar zou worden gemaakt respectievelijk beroep ingesteld.

De rechtbank constateert eveneens dat het onderhavige bezwaarschrift en het beroepschrift zijn ingediend door het college en ondertekend door de burgemeester en de secretaris. Tevens heeft het college mevrouw A. Seraus- van den Broek gemachtigd om ter zitting op te treden. De machtiging is ondertekend door de burgemeester en de secretaris. Gelet hierop constateert de rechtbank dat eveneens is gehandeld in overeenstemming met artikel 171, eerste lid, van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de burgemeester de gemeente in en buiten rechte vertegenwoordigt.

2.11 In dit geding dient de rechtbank vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerder de subsidieaanvraag van eiseres in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

2.12 Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder reeds op 16 augustus 2005 en dus vóór de vaststelling van de subsidiabele kosten is begonnen met de restauratie van de "Uilentoren", zodat het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder d, van het Brrm 1997 in de weg staat aan verlening van subsidie. De rechtbank dient derhalve de vraag te beantwoorden of verweerder in de aangevoerde bijzondere omstandigheden in redelijkheid aanleiding had moeten zien toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

2.13 Verweerder heeft in dat kader gewezen op de door de RvdM in 1998 gepubliceerde Nieuwsbrief, nr. 2, waarin is aangegeven onder welke omstandigheden verweerder een verzoek om ontheffing van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder d, van het Brrm 1997 honoreert. Verweerder heeft aangegeven dat hiermee een concrete invulling is gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 36 van het Brrm 1997.

2.14 De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting aangegeven dat zij de Nieuwsbrieven van verweerder doorgaans wel ontvangt, maar dat deze publicatie aan haar aandacht is ontsnapt.

Los daarvan heeft zij erop gewezen dat zich in deze casus niet de situatie voordeed waarin, om bijvoorbeeld bouwkundige redenen, met spoed moest worden begonnen met de restauratie van de "Uilentoren". Het aanvragen van een ontheffing lag in dit geval dus ook niet in de rede. In de onderhavige situatie waren alle benodigde stukken gereed om tot vaststelling van de subsidiabele kosten over te kunnen gaan. Deze aanvraag is echter door meerdere bijzondere omstandigheden abusievelijk niet ingediend voordat de restauratie een aanvang nam.

2.15 Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat de voornoemde publicatie in de Nieuwsbrief niet kan worden aangemerkt als een bij besluit vastgestelde algemene regel omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan, zoals bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een beleidsregel in de zin van de Awb. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder in de uitgebreide folder van december 2001 met betrekking tot het Brrm 1997 in het geheel niet op deze vaste gedragslijn heeft gewezen.

Verweerder heeft een en ander overigens ook erkend en bij het bestreden besluit de afwijzing van de subsidie ook niet uitsluitend gebaseerd op het ontbreken van de voormelde ontheffing. De door eiseres naar voren gebrachte, door haar als bijzonder aangemerkte omstandigheden, zijn alle door verweerder wel degelijk afzonderlijk meegewogen, maar hebben niet geleid tot het door eiseres beoogde toepassing van de hardheidsclausule.

2.16 Met betrekking tot verweerders beoordeling van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank dat de rechterlijke toetsing of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten van deze mogelijkheid geen gebruik te maken, van marginale aard is. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden, te weten de ziekte van de ambtenaar die bij eiseres belast was met de restauratie, privéproblemen bij de bouwkundig consulent van de RvdM, waardoor van de zijde van verweerder minder actief is bijgedragen aan het proces om tot de restauratie van de "Uilentoren" te komen, de gemeentelijke herindeling waarbij de gemeente Leersum betrokken was, het feit dat de kosten in dit specifieke geval wel degelijk achteraf zouden kunnen worden bepaald en het feit dat de weigering van subsidie een groot financieel nadeel voor eiseres met zich brengt, in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van de hardheidsclausule voorbij te gaan aan het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder d, van het Brrm 1997.

2.17 De rechtbank overweegt met betrekking tot het beroep van eiseres op schending van het motiveringsbeginsel dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar het advies van de commissie van 16 februari 2006 en overeenkomstig dat advies het bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder kon volstaan met verwijzing naar het advies van de commissie, omdat in dat advies een uitgebreide motivering is opgenomen ter zake van het bezwaar van eiseres. Dat daarin abusievelijk staat vermeld dat eiseres heeft verzuimd het formulier 'mededeling einde werk' in te dienen, maakt niet dat verweerder dit advies niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het bestreden besluit. Er zijn geen aanwijzingen dat de commissie niet zorgvuldig te werk is gegaan en de belangen van eiseres onvoldoende zouden hebben afgewogen.

2.18 Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Gerrits-Janssens en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2007.

De griffier: De rechter:

mr. M.E.C. Bakker mr. M.P. Gerrits-Janssens

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.