Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA1876

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
SBR 06/2221
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van werkgever om schadevergoeding nu niet dan wel niet tijdig door het Uwv is besloten over de WAO aanspraken van een werkneemster. Ontvankelijkheid. Materiele en processuele connexiteit. Geen causaal verband tussen het niet tijdig beslissen en de gestelde schade voortvloeiend uit de loondoorbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/2221

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 9 januari 2007

inzake

de Stichting Bartiméus Sonneheerdt,

statutair gevestigd te Doorn,

eiseres,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 april 2006 (het bestreden besluit) waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit van 1 november 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van beweerdelijk geleden schade afgewezen.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 2006, waar namens eiseres is verschenen D. Schouten, werkzaam bij A-REA Artsen & Arbeidsdeskundigen te Zeist. Namens verweerder is verschenen M. Wilschut, werkzaam bij het Uwv.

Feiten

2.1 Bij brief van 21 april 2004 heeft eiseres aan verweerder verzocht om vergoeding van beweerdelijk geleden schade, bestaande uit het aan [werkneemster] (hierna: werkneemster) betaalde loon over de periode van 1 januari 2002 tot 1 april 2004 ad ? 46.556,-, vermeerderd met de kosten van haar gemachtigde ad ? 1.487,50 en de wettelijke rente. Eiseres heeft haar verzoek gebaseerd op het niet dan wel niet tijdig beslissen op aanvragen van werkneemster om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

2.2 Werkneemster is op 1 april 1989 in dienst getreden van eiseres. Zij ontving sinds 1 januari 1996 een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%, die gelet op de inkomsten uit arbeid op de voet van artikel 44 van de WAO werd uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Werkneemster is op

2 januari 2001 (voor de eerste maal) uitgevallen wegens psychische en lichamelijke klachten en heeft op 17 augustus 2001 bij de rechtsvoorganger van verweerder, het Landelijk Instituut Sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door Cadans Uitvoeringsinstelling BV (hierna: Cadans) verzocht om verhoging van de WAO-uitkering. (Bij brief van 19 april 2002 is aan eiseres mededeling gedaan van die aanvraag.)

2.3 Bij brief van 4 december 2001 heeft Cadans aangekondigd dat de gevraagde herziening van de WAO-uitkering zal worden geweigerd op de grond dat werkneemster de wachttijd van 52 weken niet heeft vol gemaakt en ook niet zal volmaken omdat zij op dat moment niet langer arbeidsongeschikt was. Eerst bij besluit van 9 november 2005 heeft verweerder de gevraagde verhoging van de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2002 op de hiervoor vermelde grond geweigerd, nadat in het kader van een door eiseres ingediende klacht was gebleken dat de bij brief van 4 december 2001 in het vooruitzicht gestelde besluitvorming nooit had plaatsgevonden. Tegen dat besluit zijn noch door werkneemster noch door eiseres rechtsmiddelen aangewend, waardoor dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden.

2.4 Op 1 januari 2002 heeft werkneemster haar werkzaamheden voor 13,5 uur per week hervat, nadat zij eiseres bij brief van 23 december 2001 te kennen had gegeven vanwege gezondheidsproblemen niet langer in staat te zijn om 22 uur per week te werken. Vervolgens is zij (voor de tweede maal) op 19 januari 2002 uitgevallen, dit keer in verband met een beenbreuk.

2.5 Bij besluit van 16 april 2004 heeft verweerder herziening van de WAO-uitkering naar aanleiding van de uitval per 19 januari 2002 met ingang van 1 januari 2003 geweigerd, op de grond dat werkneemster per laatstgenoemde datum hersteld gemeld is en daardoor (ook met betrekking tot die tweede uitval) de wachttijd van 52 weken niet heeft vol gemaakt. Een afschrift van dat besluit is aan eiseres gezonden. In het primaire besluit van 1 november 2005 heeft verweerder ten overvloede overwogen dat in het voormelde besluit van 16 april 2004 voor de eerste ziektedag ten onrechte is uitgegaan van 19 februari 2002 in plaats van 19 januari 2002. Verweerder heeft zijn kantoor in Utrecht opdracht gegeven de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling opnieuw te laten plaatsvinden, nu uitgaande van 19 januari 2002 als eerste ziektedag. De rechtbank merkt op dat het belang van deze herbeoordeling is gelegen in het feit dat mogelijk sprake is van een (samengestelde) wachttijd nu werkneemster eerst op 1 januari 2002 is hervat na een daaraan voorafgegane periode van arbeidsongeschiktheid.

2.6 Werkneemster heeft in november 2005 telefonisch aan verweerder laten weten geen prijs meer te stellen op een beoordeling van haar WAO-aanspraken. Desgevraagd heeft zij dit aan verweerder schriftelijk bevestigd bij brief van 25 november 2005, waarbij zij er op heeft gewezen dat het dienstverband per 1 april 2004 is beëindigd en dat zij met ingang van

1 augustus 2005 gepensioneerd is. In reactie daarop heeft verweerder bij brief van 29 november 2005 aan werkneemster meegedeeld de WAO-beoordeling achterwege te zullen laten en het dossier te sluiten.

2.7 Bij primair besluit van 1 november 2005 heeft verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van schade ten gevolge van de besluitvorming met betrekking tot de WAO-aanspraken van werkneemster afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het vereiste causaal verband tussen die besluitvorming en de schade ontbreekt. Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

2.8 Eiseres heeft - kort samengevat - aangevoerd het loon van werkneemster over de periode van 2 januari 2001 tot 1 april 2004, in afwachting van een besluit met betrekking tot de WAO-aanspraken, te hebben doorbetaald, terwijl werkneemster in die periode in totaal slechts zes weken heeft gewerkt. In de bedoelde periode was eiseres uitsluitend gehouden tot loondoorbetaling over de eerste 12 maanden en in aansluiting daarop tot aanvulling van het loon eveneens voor de duur van 12 maanden. De besluitvorming met betrekking tot de WAO-aanvraag ter zake van de uitval op 2 januari 2001 heeft eerst 2,5 jaar later plaatsgevonden, terwijl tot op heden nog steeds geen besluit is genomen omtrent de WAO-aanspraken van werkneemster met betrekking tot de (tweede) uitval op 19 januari 2002. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er wel degelijk causaal verband bestaat tussen de besluitvorming door verweerder en de loondoorbetaling. Indien de besluitvorming omtrent de weigering van de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2002 tijdig zou hebben plaatsgevonden (en niet eerst op 9 november 2005) had eiseres met werkneemster afspraken kunnen maken omtrent werkhervatting, sancties, beëindiging van de loonbetaling of het aanvragen van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Hetzelfde geldt voor de WAO-aanspraken naar aanleiding van de tweede ziekmelding op 19 januari 2002. Indien alsnog een uitkering zou worden toegekend, staat vast dat eiseres over de betreffende periode ten onrechte het volledige loon heeft doorbetaald. Eiseres heeft ten slotte bezwaren geuit tegen de wijze waarop verzekeringsarts Vloed in zijn rapportage van 4 december 2001 heeft geoordeeld dat werkneemster geschikt was voor de maatgevende arbeid en de wachttijd niet heeft vol gemaakt. De besluitvorming van verweerder inzake de WAO-aanvraag naar aanleiding van de eerste ziekmelding is derhalve onzorgvuldig.

2.9 Verweerder handhaaft zijn standpunt dat het causaal verband tussen de besluitvorming in het kader van de WAO en de loondoorbetaling ontbreekt. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn beslissing met betrekking tot de arbeids(on)geschiktheid van een werknemer voor het (eigen) werk niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever om zelf te beoordelen of hij gehouden is het loon na de (eventueel verlengde) wachttijd door te betalen. Het lag volgens verweerder op de weg van eiseres om - onafhankelijk van de WAO-beoordeling - contact op te nemen met werkneemster. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat werkneemster te kennen heeft gegeven geen prijs meer te stellen op beoordeling van haar arbeids(on)geschiktheid naar aanleiding van de tweede ziekmelding per 19 januari 2002. Tot slot is verweerder van mening dat eiseres de beweerdelijk geleden schade ten minste voor een deel had kunnen voorkomen door uitsluitend het loon door te betalen over het aantal uren waarin werkneemster per 1 januari 2002 heeft hervat. Zo er al schade is geleden, is die schade volgens verweerder een gevolg van het eigen nalaten van eiseres.

Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.10 Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te komen, ziet de rechtbank zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van verweerder van 1 november 2005. Zij stelt daartoe vast dat de door eiseres geclaimde schade beweerdelijk is voortgevloeid uit het niet dan wel niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen om een WAO-uitkering van werkneemster.

2.11 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 april 1998 (gepubliceerd in AB 1998, 251) overweegt de rechtbank als volgt.

Indien het gestelde schade veroorzakende nalaten ziet op een niet tijdig door een bestuursorgaan uitoefenen van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid om op een aanvraag van een belanghebbende te beslissen, moet de beslissing ter regeling van de gevolgen van dat nalaten als een besluit worden bestempeld, nu de gestelde oorzaak van de schade ligt in het niet tijdig genomen hebben van het besluit. In de omstandigheid dat het in het onderhavige geschil niet gaat om aanvragen van eiseres maar van werkneemster ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de weigering aan eiseres om schade te vergoeden (ten gevolge van het niet tijdig beslissen) niet een besluit is als hier bedoeld.

De rechtbank concludeert gelet op het vorenstaande dat is voldaan aan het vereiste van materiële connexiteit.

2.12 Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of tegen de in het besluit vervatte weigering tot vergoeding van schade, die beweerdelijk is voortgevloeid uit het niet dan wel niet tijdig nemen van besluiten, voor eiseres de rechtsbescherming ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) openstaat. De bevoegdheid tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit berust bij die bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over beroepen tegen het schade veroorzakende handelen of nalaten zelf. Indien de mogelijkheid van beroep, en daaraan voorafgaand eventueel bezwaar, ter zake van dat schade veroorzakende handelen of nalaten ontbreekt, is de burgerlijke rechter bevoegd over het schadebesluit te oordelen. Ingevolge artikel 86a, eerste lid, van de WAO, zoals dat artikel luidde ten tijde van belang, worden de beschikkingen op grond van die wet en de daarop berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het tweede lid is de redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving is gegeven dat de termijn van acht weken wordt verlengd.

Vast staat dat werkneemster met betrekking tot de ziekmelding van 2 januari 2001 op 17 augustus 2001 een aanvraag om verhoging van haar WAO-uitkering heeft ingediend. Op die aanvraag is eerst op 9 november 2005 een besluit genomen, terwijl niet gesteld noch gebleken is dat verweerder mededeling heeft gedaan van verlenging van de beslistermijn. De rechtbank concludeert daarom dat op de aanvraag niet tijdig is beslist.

Met betrekking tot de uitval op 19 januari 2002 heeft de rechtbank in de gedingstukken geen aanvraag aangetroffen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat volstaan kon worden met een melding, omdat werkneemster eerst op 1 januari 2002 haar werkzaamheden had hervat en reeds op 19 januari 2002 opnieuw is uitgevallen. Onder die omstandigheden is het niet gebruikelijk dat een nieuwe aanvraag wordt ingediend. De rechtbank moet gelet hierop aannemen dat bij de beoordeling van de aanvraag van werkneemster op 17 augustus 2001 tot herziening van haar WAO-uitkering mede in ogenschouw wordt genomen haar uitval op 19 januari 2002, zodat deze aanvraag geacht kan worden mede betrekking te hebben op de tweede periode van arbeidsongeschiktheid. Vast staat dat naar aanleiding van die aanvraag door verweerder tot op heden geen besluit is genomen en overigens ook niet meer zal worden genomen, nu werkneemster te kennen heeft gegeven daarop geen prijs meer te stellen. Dat laatste neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg, dat verweerder gehouden was binnen de in genoemd artikellid bepaalde termijn een besluit te nemen. Nu hij dat heeft nagelaten, is ook op die aanvraag niet tijdig beslist.

2.13 Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is de werkgever belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij besluiten omtrent de WAO-uitkering van haar werknemers. Daaruit volgt dat de werkgever ook ten aanzien van het niet of niet tijdig beslissen op aanvragen om een WAO-uitkering van haar werknemers als belanghebbende in vorenbedoelde zin moet worden aangemerkt. Het voorgaande betekent dat ook voor eiseres tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen om een WAO-uitkering de rechtsbescherming op grond van de Awb openstaat. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldaan aan de processuele connexiteit, zodat het bezwaar van eiseres tegen het besluit van

1 november 2005 door verweerder terecht ontvankelijk is geoordeeld.

Ten aanzien van de gronden van beroep

2.14 De rechtbank staat ter beantwoording van de vraag of verweerder het verzoek om schadevergoeding terecht en op goede gronden heeft afgewezen. Zij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.15 Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder andere CRvB 11 februari 2000; gepubliceerd in JB 2000, 77) wordt bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Wil een verzoek om schadevergoeding ten gevolge van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid voor inwilliging in aanmerking komen dan dient de gestelde schade in zodanig verband te staan met het vernietigde besluit of, zoals in casu, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden, vormen de aard en de strekking van het vernietigde besluit of, indien sprake is van niet tijdig beslissen, de aard en strekking van het gevraagde besluit een relevante factor. De rechtbank acht van doorslaggevende betekenis dat de aangevraagde besluiten naar aard en strekking slechts zien op de aanspraken van werkneemster op een uitkering krachtens de WAO jegens verweerder. Niet valt in te zien waarom aan dat besluit, of aan het uitblijven van een zodanig besluit, relevante betekenis toekomt voor de (financiële) gevolgen van de door eiseres jegens werkneemster in het kader van hun arbeidsrechtelijke relatie genomen beslissing tot volledige doorbetaling van het loon tijdens de ziekte van werkneemster. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat in die arbeidsrechtelijke relatie aan eiseres eigen verantwoordelijkheden toekomen met betrekking tot de voor haar en werkneemster geldende rechten en verplichtingen.

2.16 Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de schade, in de vorm van het aan werkneemster volledig doorbetaalde loon tijdens ziekte, is veroorzaakt door het uitblijven van besluiten van verweerder op de aanvragen van werkneemster in het kader van de WAO. De oorzaak van die schade ligt naar het oordeel van de rechtbank vooral in het feit dat eiseres er welbewust voor heeft gekozen de uitkomst van de WAO-beoordelingen af te wachten in plaats van zelf actie te ondernemen in de richting van werkneemster. De rechtbank verwijst in dat verband naar het verslag van 13 april 2006 van de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting, waaruit blijkt dat ontslag van werkneemster (en naar de rechtbank heeft aangenomen ook andere rechtspositionele maatregelen) door eiseres niet is (zijn) overwogen in afwachting van de resultaten van het WAO-traject. Eiseres heeft daarmee de eventuele gevolgen van die keuze aanvaard.

2.17 Concluderend merkt de rechtbank op dat - nog daargelaten of het niet tijdig beslissen op de WAO-aanvragen van werkneemster jegens eiseres als onrechtmatig kan worden aangemerkt - het causaal verband tussen het niet tijdig beslissen en de gestelde schade ontbreekt.

2.18 Eiseres heeft gesteld dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster naar aanleiding van de ziekmelding van 2 januari 2001 onzorgvuldig is geweest. Voor zover eiseres heeft bedoeld te betogen, dat de schade is veroorzaakt door het naar aanleiding van die beoordeling door verweerder genomen besluit van 9 november 2005 (waarbij werkneemster een WAO-uitkering per 1 januari 2002 is ontzegd), merkt de rechtbank op dat tegen dat besluit geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Zoals reeds vastgesteld onder 2.3 is het besluit dan ook rechtens onaantastbaar geworden en moet het om die reden voor rechtmatig worden gehouden.

2.19 De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. Putters als voorzitter en mr. J.F. Bandringa en mr. Y. Sneevliet als leden van de meervoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2007.

De griffier: De voorzitter:

mr. A.E. Kneepkens mr. P. Putters

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Z