Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA1595

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
216380/ HA ZA 06-1819/WV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging beslissing tuchtrechtelijk orgaan, scheding fundamentele rechtsbeginselen hoor & wederhoor en rechtszekerheid + gehele of gedeelteijke vernietiging. Vernietigb.reglementen vereniging (afstand van recht + exoneratie clausule).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 216380 / HA ZA 06-1819/WV

Vonnis van 21 maart 2007

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J. van Ravenhorst,

tegen

de vereniging

NEDERLANDSE POSTDUIVENHOUDERS ORGANISATIE,

gevestigd te Veenendaal,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Partijen zullen hierna [eisers] en de N.P.O. genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- akte van de zijde van [eisers]

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [Eisers] is lid van de N.P.O..

2.2 De statuten N.P.O. bepalen - voor zover relevant - het volgende:

"(...)

Artikel 4

De N.P.O. kent Leden Afdelingen, Leden Basisverenigingen, Basisleden, Jeugdleden, Ereleden, Leden van Verdienste en Begunstigers.

(...)

Artikel 7

1. Basisleden zijn natuurlijke personen van 18 jaar of ouder, die zijn opgenomen in het ledenregister van de in artikel 6 lid 1 van deze Statuten genoemde Basisverenigingen. (...)"

2.3 Het Reglement Rechtspleging N.P.O., Deel Tuchtrecht, bepaalt - voor zover relevant - het volgende:

"Artikel T1

1. Tot de competentie van de Colleges en het Beroepscollege behoort toepassing van het tuchtrecht op Leden N.P.O. die beschuldigd zijn van feiten waartegen tuchtrechtelijke maatregelen kunnen worden genomen.

2. Feiten die tuchtrechtelijke maatregelen kunnen opleveren zijn:

a. in het algemeen handelingen en gedragingen die de belangen van de N.P.O. en/of Leden N.P.O. schaden, en van derden zoals zusterorganisaties in het buitenland die de belangen van de duivensport binnen haar grenzen behartigen;

b. het handelen of nalaten in strijd met Statuten en reglementen N.P.O.;

c. het plegen en/of doen plegen van laakbare feiten ten aanzien van de zuiverheid van de wedvluchten en/of op bestuurlijk en organisatorisch terrein;

d. het al dan niet opzettelijk verwaarlozen en/of verzaken van opgedragen taken en verplichtingen binnen of buiten het bestuurlijke vlak;

e. fraude of poging daartoe;

f. weigering van of nalatigheid in de afgifte van onder beheer zijnde gelden, stukken en bescheiden, nadat de afgifte door een daartoe bevoegde instantie schriftelijk is gevraagd. Bevoegd is die instantie of persoon aan wie de beschuldigde reglementair verantwoording verschuldigd is.

Artikel T2

De beschuldiging, naar aanleiding waarvan de beschuldigde wordt gehoord, kan, wanneer deze aanvulling of wijziging behoeft, tot aanvang van de zitting worden gewijzigd.

Artikel T3

Indien het College of het Beroepscollege de beschuldiging bewezen acht, kan tegen de beschuldigde een tuchtrechtelijke maatregel worden genomen.

Artikel T4

1. De navolgende tuchtrechtelijke maatregelen of combinaties ervan kunnen door de Colleges en het Beroepscollege worden genomen:

a. berisping;

b. betaling proceskosten;

c. betaling kosten, ontstaan bij het met wettige middelen terug verkrijgen van de goederen, zoals omschreven in artikel T1 lid 2 onder e van dit reglement;

d. geldboete, die ten goede komt aan Fonds Rechtspleging;

e. uitsluiting of beperking van één of meer rechten, zoals omschreven in artikel T6 van dit reglement;

f. ontzetting uit het lidmaatschap;

g. uitzetting uit functie(s);

h. de onder d en e omschreven tuchtrechtelijke maatregelen kunnen geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd; daarbij worden voorwaarden en proeftijd vermeld.

2. De in dit artikel genoemde geldboetes zullen niet meer bedragen dan 1000 euro.

3. Bij het opleggen van uitsluiting of beperking van rechten als bedoeld in dit artikel lid 1 onder e, g en h en in artikel 6 worden de hierna volgende maxima gehanteerd:

a. maximaal 15 jaar kan worden opgelegd in geval van fraude;

b. maximaal 10 jaar kan worden opgelegd in geval van medeplichtigheid bij fraude;

c. maximaal 10 jaar kan worden opgelegd in geval van poging tot fraude;

d. maximaal 10 jaar kan worden opgelegd in geval van het al dan niet opzettelijk verzaken van opgedragen taken en verplichtingen binnen of buiten het bestuurlijke vlak;

e. maximaal 10 jaar kan worden opgelegd in geval van weigering of nalatigheid bij de afgifte van onder zijn beheer zijnde gelden, stukken en bescheiden, nadat de afgifte door een daartoe bevoegde instantie schriftelijk is gevraagd;

f. maximaal 10 jaar kan worden opgelegd in geval van handelingen en gedragingen die ertoe hebben geleid dat de belangen van de N.P.O., de Afdeling(en), de Basisvereniging(en) en haar individuele leden zouden kunnen zijn geschaad;

g. maximaal 3 jaar kan worden opgelegd in geval van belediging en/of wangedrag;

h. maximaal 10 jaar kan worden opgelegd in geval van "oneigenlijk gebruik van substanties bij postduiven";

i. maximaal 10 jaar kan worden opgelegd in geval van "weigeren medewerking te verlenen aan controle op oneigenlijk gebruik van substanties bij postduiven".

(...)

Artikel T5

Geen andere tuchtrechtelijke maatregelen kunnen worden genomen dan die in artikel T4 van dit reglement zijn omschreven.

Artikel T6

Uitsluiting of beperking van rechten heeft betrekking op:

a. verbod tot de deelneming aan wedvluchten, tentoonstellingen en verzendingen;

(...)"

2.4 Artikel 8 van het Reglement Eigendomsrecht en Hokcontrole N.P.O. (hierna: Reglement EHN) luidt als volgt:

"Het houden of huisvesten van ongeringde duiven is niet toegestaan, met uitzondering van het in artikel 9 van dit reglement gestelde.

Onder "ongeringde duiven" wordt verstaan:

1. duiven die niet zijn voorzien van een vaste voetring;

2. duiven die zijn voorzien van een vaste voetring die niet is uitgegeven door Bestuur N.P.O. of door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41 van het Huishoudelijk Reglement N.P.O. of door een bij de F.C.I. aangesloten buitenlandse organisatie;

3. duiven die zijn voorzien van een zodanig beschadigde vaste voetring, dat de volledige gegevens niet meer volkomen duidelijk zijn of waarvan de vaste voetring op enigerlei wijze het plegen van frauduleuze handelingen mogelijk kan maken;

4. duiven die zijn voorzien van een vaste voetring die op enigerlei wijze is gelast, geplakt, hersteld of anderszins sluitend is gemaakt."

2.5 De relevante bepalingen van het Huishoudelijk Reglement N.P.O. (zoals vastgesteld op de algemene ledenvergadering van de N.P.O. van 23 oktober 2004) luiden als volgt:

"(...)

ARTIKEL 2

In dit reglement wordt verstaan onder:

(...)

Spelend Lid Basislid of Combinatie, zelfstandig op eigen hok en met eigen hoklijst de duivensport beoefenend.

Combinatie Groep van twee of drie Basisleden, die zich verenigen met het doel onder één naam en van hetzelfde coördinaat aan wedvluchten deel te nemen. Een Combinatie telt als één Spelend Lid.

(...)

ARTIKEL 6

1. De één-erf combinatie.

a. Voor het vormen van een combinatie van leden met het doel onder één naam en van hetzelfde hok of dezelfde hokken vanaf één erf aan wedvluchten deel te nemen is toestemming van betrokken Bestuur Afdeling vereist. (...) Een combinatie bestaat uit maximaal drie Basisleden en maximaal drie Jeugdleden;

(...)

c. elk lid van een combinatie is aansprakelijk voor de gedragingen en handelingen van zijn partner(s) in de combinatie wanneer het betreft door één of meerdere partner(s) gepleegde onregelmatigheden, welke betrekking hebben op wedvluchten en tentoonstellingen;

(...)

ARTIKEL 48

1. Aansprakelijkheid van de N.P.O., de bij haar aangesloten afdelingen, basisverenigingen, stichtingen en wedvluchtorganiserende instanties, is uitgesloten voor schade en kosten ontstaan ten gevolge van beslissingen en/of activiteiten direct of indirect de duivensport betreffende zoals wedvluchten, kampioenschappen, tentoonstellingen, enzovoort.

2. Door aanvaarding en voortzetting van het jaarlijks lidmaatschap van de N.P.O. doen haar leden afstand van het recht (rechts)vorderingen tot schadevergoedingen tegen de N.P.O., de bij haar aangesloten afdelingen, basisverenigingen en stichtingen en wedvluchtorganiserende instanties aanhangig te maken. (...)"

2.6 Bij brief van 15 september 2005 heeft het Tucht- en Geschillencollege N.P.O. afdeling 6/12 (hierna te noemen: het Tuchtcollege) aan [eisers] het volgende medegedeeld:

"(...)

Hierbij delen wij u mede dat het college 6/12 u oproept voor de hoorzitting naar aanleiding van het feit dat u wordt beschuldigt van het, in uw bezit (gehad) hebben van een postduif die niet geringd is/was overeenkomstig het gestelde in artikel 8 van het reglement eigendomsrecht en hokcontrole N.P.O.

Eveneens wordt u ervan beschuldigd met deze duif een of meerdere malen te hebben deelgenomen aan een wedvlucht. In elk geval te hebben ingekorfd voor voor de wedvlucht van uit moeskroen/menen, die werd gehouden op 20 augustus 2005.

(...)

U heeft het recht:

- tegen het u ten laste gelegde schriftelijk verweer te voeren;

- uzelf te doen bijstaan door een raadsman of -vrouw;

- ter zitting, getuigen en/of deskundigen mee te brengen;

-op inzage in het dossier, (...)"

2.7 Bij uitspraak van 5 december 2005 heeft het Tuchtcollege [eisers] schuldig bevonden aan overtreding van artikel 8 van het Reglement EHN en aan het deelnemen aan wedvluchten met een duif die niet voorzien was van de voorgeschreven vaste voetring. Het college heeft eisers elk afzonderlijk een verbod opgelegd tot het uitoefenen van bestuursfuncties in de N.P.O., een boete van EUR 1.000,00 en een bijdrage in de proceskosten van EUR 150,00.

2.8 In het door [eisers] en de N.P.O. tegen de uitspraak van het Tuchtcollege ingestelde beroep heeft het Beroepscollege van de N.P.O. (hierna: het Beroepscollege) op 13 maart 2006 uitspraak gedaan. Deze uitspraak, hierna te noemen: de beslissing van het Beroepscollege, luidt - voor zover relevant - als volgt:

"(...)

Geconcludeerd wordt door het Beroepscollege, na verschillende deskundigen vanuit de duivensport en daarbuiten te hebben geraadpleegd, dat de duif op de foto gemaakt door de heer [P.O.] en de duif op de foto gemaakt door de heer [F.E.] niet dezelfde zijn;

(...)

Dat 'afwezigheid van alle schuld' voorkomt in situaties waarbij men niet van de zaak afwist en ook niet van de zaak af hoefde te weten omdat men in opdracht van een andere persoon handelt;

Dat zich zo'n situatie in de onderhavige zaak niet voordoet omdat het in de macht van appellanten heeft gelegen en tot de taak van appellanten heeft behoord om te controleren dat er geen duif werd ingekorfd waarvan de vaste voetring is doorgezaagd, gesneden of geknipt, ongeacht het aantal duiven dat wordt gehouden;

Dat nu appellanten die controle blijkbaar achterwege hebben gelaten, daarmee bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard op onregelmatigheden voor, tijdens en na het inkorven en dat er daardoor in onderhavige zaak sprake is van gedragingen van appellanten die zijn te kwalificeren als een vorm van, de aan het strafrecht ontleende term, 'aan opzet grenzende vorm van bewuste roekeloosheid';

(...)

Dat daarmee artikel 8, aanhef en lid 3 van het Reglement Eigendomsrecht en Hokcontrole N.P.O., artikel 194 van het Wedvluchtreglement N.P.O. door appellanten zijn overtreden;

Dat er daardoor sprake is van feiten die tuchtrechtelijke maatregelen kunnen opleveren, waaronder 'handelingen en gedragingen die in het algemeen de belangen van N.P.O. en/of leden N.P.O. schaden', 'het handelen of nalaten in strijd met de Statuten en reglementen N.P.O.', 'het plegen en/of doen plegen van laakbare feiten ten aanzien van de zuiverheid van de wedvluchten' (allen Artikel T1 Reglement Rechtspleging N.P.O., Deel Tuchtrecht);

uitspraak doen de

(...)

UITSPRAAK DOENDE:

Het Beroepscollege vernietigt de uitspraak van het College 6/12 van 5 december 2005 (...) en spreekt uit dat:

- appellanten worden veroordeeld tot een verbod aan deelname van vluchten voor de periode van 1 seizoen, lopend van 1 mei 2006 tot en met 28 februari 2007;

- de behaalde wedvluchtresultaten die zijn gekoppeld aan de vaste voetring (...) op de volgende wedvluchten komen te vervallen (...):

- de overige duiven van appelanten niet uit de uitslagen dienen te worden gehaald om competitievervalsing tegen te gaan;

- appelanten conform de uitspraak van College 6/12 verder elk afzonderlijk worden veroordeeld tot:

- het verbod tot het uitoefenen van bestuursfuncties binnen de gehele organisatie van de N.P.O.. (Artikel T6). Dit verbod geldt voor de duur van drie jaren ingaande op 1 mei 2006 en eindigend op 30 april 2009;

- de betaling van een boete van E 1.000,- (...), te voldoen voor 1 juni 2006;

-een bijdrage in de proceskosten van E 150,- (...), te voldoen voor 1 juni 2006; (...)"

2.9 In april 2006 heeft [eisers] de N.P.O. aansprakelijk gesteld voor het onnodig moeten missen van wedvluchten.

2.10 Bij vonnis van 1 juni 2006 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de N.P.O. veroordeeld de beslissing van het Beroepscollege niet uit te (laten) voeren, in die zin dat [eisers] binnen de reglementen van de N.P.O. onbeperkt zou worden toegelaten tot wedvluchten.

3. Het geschil

3.1 [Eisers] vordert samengevat:

primair: a. dat de rechtbank de beslissing van het Beroepscollege vernietigt voor zover [eisers] bij deze beslissing verboden is aan wedvluchten deel te nemen en veroordeeld is tot dubbele betaling van proceskosten en boetes,

b. dat de rechtbank, zelf de zaak afdoende, de N.P.O. veroordeelt om [eisers] toe te staan onbeperkt aan wedvluchten deel te nemen, alsmede aan [eisers] te betalen een bedrag van de EUR 1.150,00, te vermeerderen met wettelijke rente,

subsidiair: c. dat de rechtbank de beslissing van het Beroepscollege vernietigt, en, zelf de zaak afdoende, bepaalt dat het [eisers] is toegestaan onbeperkt aan wedvluchten deel te nemen,

primair en subsidiair: d. dat de rechtbank voor recht verklaart dat de N.P.O. onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] ten onrechte aan de inhoud van de beslissing van het Beroepscollege te (doen) houden,

e. dat de rechtbank de N.P.O. veroordeelt om aan [eisers] te betalen een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente,

f. dat de rechtbank de N.P.O. veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2 De N.P.O. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vordering tot vernietiging van de beslissing van het Beroepscollege

4.1 De rechtbank stelt voorop dat een beslissing van een derde, zoals de beslissing van het Beroepscollege van de N.P.O. van 13 maart 2006 ten aanzien van [eisers], ingevolge artikel 7:904 BW vernietigbaar is, indien gebondenheid aan deze beslissing in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Blijkens de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling geven uitsluitend ernstige gebreken aanleiding voor vernietiging. De civiele rechter dient de beslissing marginaal te toetsen, derhalve of er sprake is van overschrijding van grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen. Indien de beslissing deze marginale toets niet kan doorstaan, is bij de beoordeling of een partij haar wederpartij aan de beslissing mag houden, mede van belang of, en zo ja in welke mate, door het gebrek dat aan de beslissing kleeft, nadeel aan de wederpartij is toegebracht (vgl. Hoge Raad 20 mei 2005, LJN: AS5890).

4.2 [Eisers] heeft onder meer de volgende gronden aangevoerd voor vernietiging van de beslissing van het Beroepscollege van de N.P.O.:

a. het Beroepscollege heeft zich beroepen op deskundigen/informanten zonder dat [eisers] weten wie dit zijn, wanneer deze zouden zijn gehoord, en op basis waarvan deze tot bepaalde conclusies zouden zijn gekomen,

b. het Beroepscollege heeft meer bewezen verklaard dan ten laste is gelegd,

c. de uitgesproken straffen kunnen niet bij de huidige tenlastelegging worden opgelegd.

ad a

4.3 De N.P.O. heeft erkend dat het Beroepscollege heeft gehandeld in strijd met het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor door haar beslissing mede te baseren op de meningen van "deskundigen vanuit de duivensport en daarbuiten" waarvan [eisers] in de procedure bij het Beroepscollege geen kennis heeft kunnen nemen en waarover hij zich niet heeft kunnen uitlaten. Nu de meningen van deze deskundigen mede de basis vormen voor de bewezenverklaring, moet geoordeeld worden dat [eisers] door deze schending van het hoor en wederhoorbeginsel is benadeeld. Het handelen door het Beroepscollege in strijd met het dit beginsel is een zodanig essentieel gebrek dat gebondenheid van [eisers] aan de beslissing van het Beroepscollege naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit betekent dat reeds op deze grond de beslissing van het Beroepscollege vernietigbaar is.

ad b

4.4 Naast het hoor en wederhoorbeginsel vormt ook het beginsel van rechtszekerheid één van de fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspraak. Deze rechtsbeginselen brengen niet alleen mee dat rechter zijn beslissing niet mag baseren op feiten waarover een partij zich niet dan wel onvoldoende heeft kunnen uitlaten, maar tevens dat de rechter alleen beslist op hetgeen waarover in de betreffende procedure zijn oordeel wordt gevraagd. In een civiele procedure is dat de vordering of het verzoek, in een strafrechtelijke procedure de tenlastelegging.

4.5 Voormelde beginselen zijn dermate fundamenteel van aard voor een behoorlijke rechtsgang, dat zij ook van toepassing zijn op tuchtrechtspraak. Deze beginselen brengen voor de tuchtrechter mee dat hij niet meer bewezen mag verklaren dan ten laste is gelegd. Dit betreft alsdan niet alleen het concrete feitencomplex dat de beschuldigde ten laste wordt gelegd, doch tevens de kwalificatie van dit feitencomplex, i.e. welk tuchtrechtelijk vergrijp het concrete feitencomplex oplevert of kan opleveren. Anders zou immers geen recht gedaan worden aan hetgeen deze fundamentele rechtsbeginselen beogen te bereiken: een 'fair trial', waarbij de beschuldigde weet waartegen hij zich moet verdedigen en op welke beschuldigingen aan zijn adres de tuchtrechter zal beslissen.

Voor de beschuldigde is dat van groot belang, omdat de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voordat sprake is van een bepaald tuchtrechtelijk vergrijp per vergrijp kan verschillen (bij fraude bijvoorbeeld moet er sprake zijn van opzet). Bovendien worden de verschillende tuchtrechtelijke vergrijpen bedreigd met straffen van verschillende aard en omvang (zie de artikelen T4 en T6). De beschuldigde moet voor zijn verdediging weten 'wat hem boven het hoofd hangt' .

4.6 Indien deze fundamentele rechtsbeginselen niet van toepassing geacht zouden worden op een tuchtrechtelijke procedure, dan zou dat bovendien betekenen dat de beschuldigde in een dergelijke procedure zich zou moeten voorbereiden op de bewezenverklaring van alle tuchtrechtelijke vergrijpen die maar enigszins uit het onderliggende feitencomplex te destilleren zouden kunnen zijn. Dat acht de rechtbank onaanvaardbaar. Niet alleen vanwege de ernst van de tuchtrechtelijke maatregelen die kunnen worden opgelegd, maar ook omdat ook een beschuldigde in een tuchtrechtelijke procedure precies moet weten waarvan hij wordt beschuldigd teneinde zijn verdediging op een goede wijze te kunnen voeren.

4.7 Het in de onderhavige tuchtrechtelijke procedure toepasselijke Reglement Rechtspleging N.P.O., Deel Tuchtrecht, gaat er naar het oordeel van de rechtbank ook vanuit dat de 'beschuldiging' (tenlastelegging) het tuchtrechtelijk vergrijp dient te bevatten, waarvan het betreffende lid wordt beschuldigd, en dat het Beroepscollege aan deze tenlastelegging is gebonden. Immers, artikel T1 bepaalt dat tot de competentie van het Beroepscollege behoort toepassing van het tuchtrecht op leden van de N.P.O. die "beschuldigd" zijn van "feiten waartegen tuchtrechtelijke maatregelen kunnen worden genomen". In lid 2 van datzelfde artikel zijn vervolgens de feiten gekwalificeerd die tuchtrechtelijke maatregelen kunnen opleveren. Tenslotte is in artikel T2 bepaald dat de beschuldiging, wanneer deze aanvulling of wijziging behoeft, alleen tot aanvang van de zitting kan worden gewijzigd. De conclusie uit het samenstel van deze bepalingen kan geen andere zijn dan dat het Reglement Rechtspleging van de N.P.O als voorwaarde voor het starten van een tuchtrechtelijke procedure stelt dat er sprake is van een beschuldiging (tenlastelegging) tegen een lid van de N.P.O., inhoudende dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer van de in artikel T1 lid 2 gekwalificeerde feiten, en dat deze beschuldiging niet na aanvang van de zitting in eerste aanleg (bij het Tuchtcollege) kan worden gewijzigd. Ingevolge artikel T3 kan het Beroepscollege alleen "de beschuldiging" bewezen achten, zodat zij ook op grond van dit Reglement niet meer bewezen kan verklaren dan de gekwalificeerde feiten die de beschuldigde ten laste zijn gelegd.

4.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Beroepscollege van de N.P.O. op grond van fundamentele rechtsbeginselen, alsmede op grond van het Reglement Rechtspleging N.P.O., Deel Tuchtrecht, gebonden is aan de in de beschuldiging (tenlastelegging) gekwalificeerde feiten en niet een ander tuchtrechtelijke vergrijp dan daarin is vermeld, bewezen mag verklaren.

4.9 In het onderhavige geval heeft het Tuchtcollege bij brief van 15 september 2005 aan [eisers] medegedeeld dat hij werd beschuldigd van het in zijn bezit (gehad) hebben van een postduif die niet geringd was overeenkomstig het gestelde in artikel 8 van het Reglement EHN, alsmede ervan beschuldigd met deze duif een of meerdere malen te hebben deelgenomen aan een wedvlucht althans daarvoor te hebben ingekorfd.

Anders dan de N.P.O. heeft gesteld, moet deze brief wel degelijk als een beschuldiging c.q. tenlastelegging als bedoeld in artikel T1 worden aangemerkt, reeds vanwege het feit dat in de brief over "beschuldigt" en "ten laste gelegde" wordt gesproken.

Het Tuchtcollege heeft op 5 december 2005 [eisers] schuldig bevonden aan overtreding van artikel 8 van het Reglement Eigendomsrecht en Hokcontrole N.P.O. (hierna: Reglement EHN) en aan het deelnemen aan wedvluchten met een duif die niet voorzien was van de voorgeschreven vaste voetring. Zij heeft [eisers] vervolgens een verbod opgelegd tot het uitoefenen van bestuursfuncties in de N.P.O., alsmede veroordeeld tot betaling van een boete en een bedrag aan proceskosten.

4.10 In het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft het Beroepscollege onder meer geoordeeld:

" (...)

Dat er daardoor sprake is van feiten die tuchtrechtelijke maatregelen kunnen opleveren, waaronder

'handelingen en gedragingen die in het algemeen de belangen van N.P.O. en/of leden N.P.O. schaden',

'het handelen of nalaten in strijd met de Statuten en reglementen N.P.O.',

'het plegen en/of doen plegen van laakbare feiten ten aanzien van de zuiverheid van de wedvluchten' (...)."

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Beroepscollege hiermee het beginsel van hoor en wederhoor en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. In de tenlastelegging van 15 september 2005 is geen ander te kwalificeren tuchtrechtelijk vergrijp (als bedoeld onder artikel T1 lid 2) te ontwaren dan dat [eisers] in strijd heeft gehandeld met de reglementen van de N.P.O. (in het bijzonder artikel 8 van het Reglement EHN (artikel T1 lid 2 sub b)). Het Beroepscollege heeft echter meer tuchtrechtelijke vergrijpen bewezen verklaard (namelijk die genoemd in artikel T1 lid 2 sub a,b en c). Deze tuchtrechtelijke vergrijpen kennen alle andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan ('delictsomschrijving'), alsmede worden bedreigd met maatregelen van verschillende aard en omvang.

4.11 In de onderhavige tuchtrechtelijke procedure is de beschuldigde ([eisers]) er ook vanuit gegaan dat de tenlastelegging de volledige beschuldiging aan zijn adres bevatte. Blijkens de inhoud van het pleidooi dat [eisers] in de tuchtrechtelijke procedure heeft gevoerd, heeft hij de tenlastelegging zo opgevat dat hij ervan werd beschuldigd in strijd met de reglementen van de N.P.O. gehandeld te hebben, en is hij er daarbij uitdrukkelijk vanuit gegaan dat er niet méér ten laste werd gelegd.

4.12 Niet gesteld of gebleken is dat [eisers] door het Beroepscollege in de gelegenheid is gesteld zich over de onder 4.10 bedoelde 'extra' tuchtrechtelijke vergrijpen uit te laten. Overigens zou dit weliswaar de ernst van de schending van de beginselen van hoor en wederhoor en rechtszekerheid hebben verminderd, maar niet de schending van het bepaalde in de artikelen T2 en T3, waaruit immers volgt dat de beschuldiging die het Beroepscollege bewezen mag achten, alleen tot de zitting in eerste aanleg nog mag worden gewijzigd.

4.13 Doordat het Beroepscollege enkele, niet in de tenlastelegging opgenomen tuchtrechtelijke vergrijpen aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, is zij buiten de tenlastelegging getreden en heeft zij [eisers] de mogelijkheid ontnomen om zich te verweren tegen de toepasselijkheid van deze tuchtrechtelijke vergrijpen. Nu het Beroepscollege uitdrukkelijk meerdere tuchtrechtelijke vergrijpen aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd, moet ervan worden uitgegaan dat dit tot het opleggen van een zwaardere straf geleid heeft dan indien slechts overtreding van artikel 8 van het Reglement EHN bewezen zou zijn verklaard. Dit betekent dat [eisers] door de schending door het Beroepscollege van de fundamentele rechtsbeginselen van hoor en wederhoor en rechtszekerheid is benadeeld. Dit is een zodanig essentieel gebrek dat gebondenheid van [eisers] aan de beslissing ook op deze grond naar maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook op basis hiervan is de beslissing van het Beroepscollege derhalve vernietigbaar.

ad c

4.14 De rechtbank wijst de stelling van [eisers] af dat voor de overtreding van een reglement niet de tuchtrechtelijke maatregel strekkende tot een verbod tot deelname aan wedvluchten kan worden opgelegd. Het handelen of nalaten in strijd met de reglementen van de N.P.O. is één van de feiten die in artikel T1 zijn genoemd als feiten die tuchtrechtelijke maatregelen kunnen opleveren. Indien deze feiten bewezen worden verklaard, kan ingevolge artikel T3 tegen de beschuldigde tuchtrechtelijke maatregelen worden genomen, waaronder - ex artikel T4 lid 1 - de uitsluiting of beperking van één of meer rechten, zoals omschreven in artikel T6 van het reglement. Ingevolge dit laatstgenoemde artikel kan een dergelijke uitsluiting of beperking van rechten ook betrekking hebben op een verbod tot deelname aan wedvluchten. De omstandigheid dat in lid 3 van artikel T4 geen strafmaximum is bepaald terzake van overtreding van een reglement, betekent niet dat het Beroepscollege ten aanzien van een dergelijke overtreding de bevoegdheid zou missen om over te gaan tot het opleggen van een verbod tot deelname aan wedvluchten. Hooguit kan deze omstandigheid ertoe leiden dat bij het bepalen van de duur van dit verbod rekening moet worden gehouden met de maxima die ten aanzien van de overige tuchtrechtelijke vergrijpen gelden, alsmede met maatregelen die in het verleden bij soortgelijke vergrijpen zijn opgelegd.

Disproportionaliteit opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen

4.15 De rechtbank begrijpt dat [eisers] van mening is dat de door het Beroepscollege opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen disproportioneel zijn.

Dit verwijt is terecht voorgesteld voor zover het Beroepscollege de opgelegde straffen heeft gebaseerd op onderdelen van haar beslissing die deze beslissing op de hiervoor vermelde gronden vernietigbaar maken. Zoals in het navolgende echter zal worden overwogen, kan en zal de rechtbank niet treden in de (combinatie van) tuchtrechtelijke maatregelen die voor [eisers] passend zijn, indien de gronden voor vernietiging zich niet zouden hebben voorgedaan.

Conclusie

4.16 De conclusie van het voorgaande is dat de beslissing van het Beroepscollege op de hiervoor ad a en ad b weergegeven gronden moet worden vernietigd. In het licht van de wijze van formulering van de vorderingen in het petitum van de dagvaarding ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of gedeeltelijke vernietiging (alleen ten aanzien van het verbod om deel te nemen aan wedvluchten en de veroordeling tot betaling van proceskosten en boetes), zoals primair gevorderd, dan wel volledige vernietiging (de subsidiaire vordering) moet volgen.

4.17 Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de bevoegdheid van de civiele rechter tot gedeeltelijke vernietiging zich niet met de verenigingsrechtelijke autonomie die de N.P.O. toekomt terzake van de inrichting van de tuchtrechtspraak en de bevoegdheid die in dat kader aan het Beroepscollege toekomt terzake van het opleggen van een passende maatregel voor een tuchtrechtelijke vergrijp. Het is aan de N.P.O. om te bezien welke gevolgen aan de vernietiging van de beslissing van het Beroepscollege moeten worden verbonden. De rechtbank voegt daaraan toe dat het naar haar oordeel ongewenst is dat in een situatie als de onderhavige, waarbij geen eerlijk en zorgvuldig tuchtrechtelijk proces heeft plaatsgevonden en de reglementen niet voorzien in het (doen) uitvoeren van een nieuwe tuchtrechtelijke procedure, opnieuw een tuchtrechtelijke procedure tegen [eisers] zou worden gestart, ditmaal met inachtneming van de fundamentele rechtsbeginselen die in het onderhavige geval zijn geschonden. Aan deze situatie zou meer recht worden gedaan, indien partijen in overleg zouden treden over de ontstane situatie en [eisers] in dat kader alsnog vrijwillig één of meer tuchtrechtelijke maatregelen zou aanvaarden.

4.18 De rechtbank zal de primaire vordering afwijzen, de subsidiair gevorderde volledige vernietiging van de beslissing van het Beroepscollege toewijzen, en de subsidiaire vordering strekkende tot het zelf afdoen van de zaak afwijzen.

De verklaring voor recht en vordering tot schadevergoeding

4.19 Aan zijn vordering tot verklaring voor recht dat de N.P.O. jegens [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeeld dient te worden tot vergoeding van de dientengevolge geleden schade, heeft [eisers] ten grondslag gelegd dat de N.P.O. hem ten onrechte aan de beslissing van het Beroepscollege heeft gehouden, nu deze in strijd met fundamentele rechtsbeginselen tot stand is gekomen.

4.20 De N.P.O. heeft onder meer als verweer aangevoerd dat [eisers] als lid gebonden is aan het bepaalde in artikel 48 van het Huishoudelijk Reglement N.P.O., waarin aansprakelijkheid van de N.P.O. is uitgesloten voor schade en kosten ontstaan ten gevolge van beslissingen en activiteiten direct of indirect de duivensport betreffende (lid 1), alsmede de leden afstand hebben gedaan van het recht om rechtsvorderingen tot schadevergoeding tegen de N.P.O. aanhangig te maken (lid 2). [eisers] is in deze vorderingen dan ook niet ontvankelijk (op grond van lid 2) althans de vorderingen moeten worden afgewezen (op grond van lid 1), aldus de N.P.O.

4.21 [Eisers] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van artikel 48 van het Huishoudelijk Reglement. Volgens hem is deze bepaling niet alleen onredelijk, maar zou deze bepaling ook meebrengen dat de N.P.O. kan doen wat ze wil zonder ooit aansprakelijk zijn.

4.22 De rechtbank begrijpt dat [eisers] met zijn beroep op vernietigbaarheid van artikel 48 een beroep doet op het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 sub b BW, waarin is bepaald dat een beslissing van een orgaan van de rechtspersoon (tot vaststelling van artikel 48 van het betreffende reglement) vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.

4.23 De rechtbank stelt voorop dat aan de N.P.O. als vereniging autonomie toekomt om haar inrichting en organisatie naar eigen inzicht te regelen, en in dat kader reglementen vast te stellen. De civiele rechter dient terughoudendheid te betrachten bij de toetsing van bepalingen van door een vereniging vastgestelde reglementen. [eisers] is dan ook in beginsel als lid van de N.P.O. aan de Statuten en reglementen van de N.P.O. gebonden.

Dit zou anders kunnen zijn, indien het bepaalde in artikel 48 van het Huishoudelijk Reglement naar maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is jegens [eisers].

4.24 Aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank voldaan voor zover het betreft de afstand van recht die is neergelegd in lid 2 van artikel 48 van het Huishoudelijk Reglement. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan alleen afstand van recht worden gedaan, indien degene die afstand doet, weet van welk specifiek recht hij afstand doet. Artikel 48 lid 2 bevat echter een algemene afstand van recht om rechtsvorderingen tot schadevergoeding in te stellen, ongeacht welke norm is geschonden die tot de verplichting leidt om schade te vergoeden, en ongeacht de ernst van deze normschending, zodat niet kan worden gezegd dat aan dit vereiste is voldaan.

Indien het - zoals in casu - gaat om afstand van het recht om rechtsvorderingen in te stellen komt een dergelijke afstand van recht bovendien al snel in strijd met het fundamentele rechtsbeginsel van toegang tot de rechter.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat deze bepaling in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die artikel 2:8 BW vereist, zal zij niet overeenkomstig artikel 2:15 BW tot vernietiging van de bepaling overgaan. Dit vanwege het feit dat [eisers] dit niet heeft gevorderd, alsmede het debat omtrent de vernietigbaarheid tussen partijen zich onvoldoende heeft ontwikkeld om een dergelijke vergaande maatregel te nemen. Het hiervoor overwogene leidt wel tot de conclusie dat het bepaalde in lid 2 van artikel 48 van het Huishoudelijk Reglement ingevolge artikel 2:8 lid 2 BW in de verhouding tussen [eisers] als lid en de N.P.O. als vereniging buiten toepassing moet blijven.

[eisers] is dan ook ontvankelijk in de onderhavige vorderingen.

4.25 Ten aanzien van lid 1 van artikel 48 is van strijd met de redelijkheid en billijkheid in vorenbedoelde zin naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Evenals het ondernemingen vrijstaat binnen bepaalde grenzen in algemene voorwaarden een exoneratieclausule op te nemen, moet het verenigingen zijn toegestaan om, ter bescherming van het belang van al te grote aansprakelijkheid van de vereniging jegens haar leden, aansprakelijkheid voor schade en kosten te beperken. Een dergelijke beperking zou alleen dan naar maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kunnen zijn, indien de beperking ook opzettelijk handelen van (een orgaan van) de vereniging, dan wel grove schuld zou omvatten.

4.26 De rechtbank constateert dat het bepaalde in lid 1 van artikel 48 geen uitzondering voor deze gevallen bevat. Maar in het onderhavige geval kan niet worden geoordeeld dat van opzettelijke handelen dan wel grove schuld van de N.P.O. sprake is geweest bij de beslissing om [eisers] te houden aan de beslissing van het Beroepscollege. In beginsel mag de N.P.O. immers uitgaan van de rechtsgeldigheid van een beslissing van het Beroepscollege. Voorts heeft de N.P.O. - nadat in kort geding was geoordeeld dat in hoge mate aannemelijk was dat de bodemrechter zou oordelen dat de beslissing van het Beroepscollege vernietigbaar was -[eisers] weer toegelaten tot wedvluchten.

4.27 Uit het voorgaande volgt dat aan de N.P.O. een beroep toekomt op de exoneratieclausule van artikel 48 lid 1 van het Huishoudelijk Reglement, en dat de subsidiaire vordering strekkende tot een veroordeling tot vergoeding van schade, alsmede (reeds wegens het dientengevolge ontbreken van belang daarbij) de vordering strekkende tot een verklaring voor recht dat de N.P.O. onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld, moeten worden afgewezen.

4.28 Nu partijen over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 vernietigt de beslissing van het Beroepscollege van 13 maart 2006,

5.2 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3 wijst het meer of anders gevorderde af,

5.4 compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2007.?