Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA1397

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
23-03-2007
Zaaknummer
226649 / KG ZA 07-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Procedurefout leidt, in afwachting van een mogelijke vernietiging van het besluit van de Commissie van Beroep van de KNVB door de rechtbank, tot een verbod op de tenuitvoerlegging van de door de KNVB opgelegde maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 226649 / KGZA 07-177

Vonnis in kort geding van 7 maart 2007

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

HAAGLANDIA,

gevestigd te Rijswijk,

eiser in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. E.J.A. Vilé,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,

gevestigd en kantoorhoudende te Zeist,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. B.F. Keulen,

advocaat mr. H.J.A. Knijff te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Haaglandia en KNVB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Haaglandia

- de pleitnota van KNVB

- de eis in reconventie.

1.2. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 7 maart 2007 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. Het eerste elftal van Haaglandia komt uit in de Hoofdklasse A van de Sectie Amateur Voetbal van de KNVB.

2.2. Op 19 maart 2006 is de wedstrijd Hilversum-Haaglandia gestaakt. Door de Tucht-commissie van de KNVB is Haaglandia op 5 april 2006 veroordeeld tot een geldboete van EUR 125,-- en zijn de door Haaglandia behaalde winstpunten met drie punten verminderd. Daarnaast is een voorwaardelijke veroordeling uitgesproken waarbij het eerste elftal uit de competitie zal worden genomen, met een proeftijd tot 1 juni 2007, zulks vanwege het door de Tuchtcommissie vastgestelde ernstig gewelddadig handelen van (wissel) spelers en/of begeleiders en/of supporters van Haaglandia. De uitspraak van de Tuchtcommissie is bevestigd door de Commissie van Beroep.

2.3. Op 21 januari 2007 is de wedstrijd VUC 1 - Haaglandia gestaakt. De Tuchtcom-missie heeft Haaglandia bij brief van 24 januari 2007 in staat van beschuldiging gesteld en heeft Haaglandia verantwoordelijk gehouden voor het wangedrag van haar spelers en het staken van de wedstrijd.

2.4. Haaglandia heeft tegen de tenlastelegging schriftelijk verweer gevoerd. Bij het verweerschrift van haar advocaat waren acht verklaringen van getuigen gevoegd. De Tuchtcommissie heeft een mondelinge behandeling gelast op 31 januari 2007. Tijdens de behandeling zijn gehoord: de scheidsrechter, één van de assistent-scheidsrechters en een aantal door Haaglandia uitgenodigde getuigen. Van deze behandeling is een verslag gemaakt. Vervolgens heeft de Tuchtcommissie uitspraak gedaan. Eén speler van Haaglandia werd uitgesloten van deelname aan tien wedstrijden. Haaglandia werd gestraft met een boete van € 250,-, alsmede omzetting van de voorwaardelijke straf (hiervoor sub 2.2. vermeldt) in een onvoorwaardelijke straf, waarbij het eerste elftal uit de competitie werd genomen.

2.5. Haaglandia is op 2 februari 2007 tegen de beslissing van de Tuchtcommissie van

31 januari 2007 in beroep gekomen bij de Commissie van Beroep. Dit beroep is ingeleid door een beroepschrift van de raadsman van Haaglandia. In een begeleidend schrijven heeft de raadsman om een mondelinge behandeling verzocht. Bij brief van 14 februari 2007 heeft de raadsman herhaald dat Haaglandia een mondelinge behandeling van de zaak wenst.

2.6. De commissie van Beroep heeft op 19 februari 2007 uitspraak gedaan. Daarbij is

het beroep ongegrond verklaard en is het besluit van de Tuchtcommissie in stand gelaten.

De Commissie van Beroep heeft geen mondelinge behandeling gehouden.

Daaromtrent overweegt zij in haar uitspraak het volgende:

“Bij de behandeling in eerste instantie heeft de tuchtcommissie op 31 januari 2007 een

mondeling onderzoek gehouden. Het verslag is gevoegd bij het dossier en zal door de

commissie in haar overwegingen worden meegenomen. Dit, gevoegd bij het feit dat u

in uw verweerschrift op geen enkele wijze aangeeft of en zo ja waarom een nader

mondeling onderzoek noodzakelijk is, heeft de commissie doen besluiten deze zaak

onder verwijzing naar titel 5 van het Reglement Tuchtrechtspaak Amateurvoetbal

schriftelijk af te doen”

2.7. De raadsman van Haaglandia heeft het hiervoor bedoelde verslag van de Tucht-commissie nimmer ontvangen.

2.8. Haaglandia heeft bij exploot van 26 februari 2007 de KNVB doen dagvaarden voor deze rechtbank. Daarbij heeft zij de rechtbank verzocht de uitspraak van de Commissie van Beroep van 19 februari 2007 te vernietigen.

3. Het geschil in conventie

3.1. Haaglandia vordert - samengevat - een verbod om de tegen Haaglandia uitgespro-ken strafoplegging door de Tuchtcommissie en bevestigd door de Commissie van Beroep verder ten uitvoer te leggen voor de duur van de door Haaglandia tegen de KNVB aange-spannen bodemprocedure in eerste aanleg en KNVB te bevelen Haaglandia met onmiddel-lijke ingang weer deel te laten nemen aan de competitie van de hoofdklasse A van het Amateurvoetbal met bevel aan KNVB om Haaglandia in staat te stellen de niet gespeel-de competitiewedstrijden te laten inhalen vóór 1 april 2007.

3.2. De KNVB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. De KNVB vordert in voorwaardelijke reconventie - zakelijk weergegeven - KNVB

te gelasten de behandeling van de beroepsprocedure te heropenen alsmede KNVB te gelasten daarvoor een nieuwe commissie in een andere samenstelling aan te wijzen.

4.2. Haaglandia voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

5.1 Haaglandia heeft gesteld dat de KNVB onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Die onrechtmatigheid is er volgens Haaglandia in gelegen dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden door de Commissie van Beroep, hoewel daar bij herhaling om was verzocht. Haaglandia stelt dat een mondelinge behandeling ten overstaan van de Commissie van Beroep had dienen plaats te vinden omdat de Commissie van Beroep wist dat er een voorwaardelijke straf was opgelegd, dat er sprake is van een ernstige zaak met mogelijk grote gevolgen voor Haaglandia, dat het imago van Haaglandia ernstig was geschaad, dat Haaglandia het door de KNVB ten laste gelegde betwist en dat Haaglandia niet de mogelijk-heid is gegund om nieuwe schriftelijke getuigenverklaringen over te leggen of zich nog schriftelijk uit te laten over het bewijsmateriaal. Daarnaast stelt Haaglandia dat zij niet over het schriftelijke verslag van de zitting van de Tuchtcommissie beschikte, zodat zij eventuele onjuistheden of onduidelijkheden in dat verslag niet heeft kunnen weerspreken hetgeen eveneens schending oplevert van een fundamenteel beginsel van een goede procesorde.

5.2. De KNVB heeft ten verwere aangevoerd dat de Commissie van Beroep in

redelijkheid tot de bestreden uitspraak heeft kunnen komen, aangezien er een uitgebreid mondeling onderzoek door de Tuchtcommissie had plaatsgevonden. De KNVB stelt dat Haaglandia tijdens dit onderzoek alle mogelijkheden heeft gehad zich te verweren en aan het verweerschrift een achttal schriftelijke getuigenverklaringen had gevoegd waarvan er tijdens de mondelinge behandeling een aantal zijn gehoord. De KNVB heeft voorts aangevoerd dat de Commissie van Beroep ook gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij een mondelinge behandeling niet geïndiceerd achtte. Daarbij heeft een rol heeft gespeeld dat de raadsman het verzoek daartoe ongeclausuleerd had gedaan en niet heeft aangegeven dat en zo ja, welke (nieuwe) getuigen zouden moeten worden gehoord. De KNVB heeft wel erkend dat er een procedurele fout is gemaakt nu de Commissie haar oordeel mede heeft gebaseerd op het verslag van de Tuchtcommissie en dit verslag niet aan Haaglandia is verstrekt. Dit laatste punt is dan ook aanleiding geweest om haar voorwaardelijke vordering in reconventie in te stellen.

5.3. De vordering van Haaglandia strekkende tot een verbod om de door de Tuchtcom-missie uitgesproken strafoplegging, die door de uitspraak van de Commissie van Beroep is bevestigd, ten uitvoer te leggen, zal worden toegewezen. Daartoe wordt het volgende over-wogen.

Uit de uitspraak van de Commissie van Beroep blijkt dat de Commissie van Beroep in haar overwegingen mede heeft gelet op het verslag, dat van de door de Tuchtcommissie gehou-den mondelinge behandeling werd gemaakt.

Door de KNVB is tijdens het kort geding erkend, dat dit verslag niet aan Haaglandia is toegezonden, hetgeen betekent dat de Commissie van Beroep mede uitspraak heeft gedaan op een stuk, dat niet aan Haaglandia ter kennis was gebracht en waarvan Haaglandia even-min in het kader van de beroepsprocedure op andere wijze kennis heeft kunnen nemen (bijvoorbeeld door tijdig dit verslag ter inzage te leggen).

Daarmee is ten opzichte van Haaglandia een fundamenteel beginsel van een goede proces-orde geschonden, aangezien Haaglandia niet in staat is gesteld op eventuele onjuistheden of onvolledigheid van het verslag te wijzen.

Het verslag is in dit kort geding weliswaar niet overgelegd, zodat de inhoud niet bekend is, doch het is aannemelijk dat in dit verslag onder meer is weergegeven hetgeen de als getuige gehoorde personen tegenover de Tuchtcommissie hebben verklaard, zodat dit verslag voor de Commissie van Beroep, die zelf geen mondelinge behandeling gelastte, van belangrijke betekenis is geweest voor de vaststelling van de feiten waarop de strafoplegging is geba-seerd.

Voorts is aannemelijk dat dit verslag van belang kan zijn geweest met het oog op de moti-vering van het verzoek van Haaglandia tot het houden van een mondelinge behandeling. Immers, niet het enkele verzoek tot het houden van een mondelinge behandeling verplicht de Commissie van Beroep dit verzoek te honoreren.

5.4. Het vorenstaande betekent dat het hoogst aannemelijk is dat de bodemrechter de beslissing van de Commissie van Beroep zal vernietigen.

Als gevolg daarvan dient er voorshands van te worden uitgegaan, dat de door de Tucht-commissie opgelegde straffen geen bevestiging vinden in een beslissing van de Commissie van Beroep en dient de tenuitvoerlegging van die straffen te worden opgeschort.

Dit betreft niet alleen de opgelegde geldboete, maar ook de omzetting van de voorwaarde-lijke straf, die op 5 april 2006 werd opgelegd.

Weliswaar bestaat tegen die omzetting geen beroep open en kan aan die omzetting regle-mentair alleen haar werking worden ontnomen door een vrijspraak.

Het ontbreken van een bevestiging door de Commissie van Beroep van de opgelegde geldboete als gevolg van een vernietiging, dient echter daarmee te worden gelijkgesteld.

5.5. De KNVB heeft met het oog op een heropening van de procedure voor de Commissie van Beroep gevorderd, dat de voorzieningenrechter de KNVB zal bevelen een dergelijke heropening te bevorderen.

Voor een heropening van de zaak geeft het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal echter geen steun en of een recht op heropening ontleend kan worden aan de bepalingen omtrent vaststellingsovereenkomst (de artikelen 7:904 e.ev. BW) is aan gerede twijfel onderhevig.

Het moet in het algemeen onwenselijk en in strijd met de gerechtvaardigde belangen van de beklaagde worden geacht om een tuchtrechtprocedure die niet zorgvuldig is geweest, geheel of gedeeltelijk over te doen.

Voor een bevel van de voorzieningenrechter, zoals gevorderd, is in ieder geval geen plaats.

Mocht de KNVB – gelet op de voor haar onbevredigende afloop van de tuchtrechtprocedure – het wenselijk achten de zaak opnieuw aan de Commissie van Beroep voor te leggen en daartoe een juridische mogelijkheid aanwezig achten, dan is daartoe een bevel van de voorzieningenrechter niet nodig.

5.6. De opgelegde straffen zullen voorlopig worden opgeschort voor de duur van de door Haaglandia bij deze rechtbank tegen de KNVB aangespannen bodemprocedure. Uit deze opschorting volgt, dat de vordering strekkende tot toelating tot de competitie eveneens toewijsbaar is.

5.7. De vordering strekkende tot het inhalen van de niet gespeelde wedstrijden vóór 1 april 2007 wordt afgewezen. KNVB heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een en ander niet haalbaar is, maar dat zij Haaglandia op zo kort mogelijke termijn in staat zal stellen deze wedstrijden in te halen.

5.8. De KNVB zal als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. verbiedt de KNVB om de tegen Haaglandia uitgesproken strafoplegging door de Tuchtcommissie van de KNVB District West 1 van 31 januari 2007 en bevestigd door de Commissie van Beroep van de KNVB District West I op 19 februari 2007, verder ten uitvoer te leggen voor de duur van de door Haaglandia tegen de KNVB aangespannen bodemprocedure in eerste aanleg;

6.2. beveelt de KNVB om Haaglandia met onmiddellijke ingang weer deel te laten nemen aan de competitie van de hoofdklasse A van het Amateurvoetbal;

6.3. veroordeelt de KNVB in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Haaglandia begroot op EUR 321,85 voor verschotten en EUR 816,00 voor salaris van de procureur;

6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5. wijst af wat meer of anders is gevorderd;

in reconventie

6.6. wijst de vordering af;

6.7. veroordeelt de KNVB in de kosten van de procedure in reconventie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Haaglandia begroot op EUR 408,00 voor salaris van de procureur en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2007.?

w.g. griffier w.g. rechter