Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA0713

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
16/604173-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot acht jaar gevangenisstraf wegens het plegen van een vijftal delicten, waaronder een gewapende overval op een gezin.

"De rechtbank rekent het de man zwaar aan dat hij zichzelf buiten beeld trachtte te houden en een groep jongens, onder wie minderjarigen, het vuile werk liet opknappen. Daarnaast weegt de rechtbank in de strafoplegging mee dat in de woning niet alleen een echtpaar aanwezig was, maar ook hun twee jonge kinderen. Gebleken is de overval een enorme indruk op hen heeft gemaakt en dat zij daarvan zeer ernstige psychische gevolgen hebben ondervonden en nog ondervinden."

Artt. 46a, 47, 57, 285, 311 en 317 Wetboek van Strafrecht.

(PROMIS)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604173-06

Datum uitspraak: 14 maart 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.

Raadsman: mr. W.J. Ausma.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 01 december 2006 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

Het algemene verweer van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte door anderen de schuld in de schoenen wordt geschoven. Uit het dossier zou duidelijk blijken dat niet verdachte, maar [X] de dader was. De politie was er op uit, aldus verdachte, om hem te pakken en daarom is hij ten onrechte als verdachte aangemerkt. Nu dit standpunt niet met concrete feiten verder is onderbouwd, hecht de rechtbank daaraan geen waarde. Te meer omdat zij één en ander in het licht van het zich in het dossier bevindende bewijsmateriaal niet aannemelijk acht.

Tevens acht de verdediging de verklaringen van de medeverdachten onbetrouwbaar, niet alleen omdat de politie tijdens de verhoren van de medeverdachten sturend zou zijn opgetreden, maar tevens omdat de verklaringen onderling van elkaar verschillen. De rechtbank heeft echter geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen te twijfelen. Alle medeverdachten zijn zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris gehoord en verklaren, in elk geval met betrekking tot het aandeel van verdachte, consistent en gedetailleerd. Niet alleen [medeverdachte B] en [medeverdachte A] hebben verklaard over de betrokkenheid en de rol van verdachte. [Medeverdachte C], [medeverdachte D], [medeverdachte E] en [medeverdachte F] ondersteunen deze verklaringen. Allen hebben daarbij hun eigen aandeel toegegeven en zijn veroordeeld. Het feit dat zij ook zichzelf (zwaar) hebben belast sterkt de rechtbank in de overtuiging dat zij open en onomwonden hebben verklaard.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten wordt voorts ondersteund door de inhoud van een groot aantal tapgesprekken. [Medeverdachte A] heeft verklaard dat het telefoonnummer van verdachte [06-0] was. Dit nummer stond in zijn telefoon onder de naam [‘R-ç]’. Ook stond in dat telefoonboek het nummer [06-5] met de naam [‘R-s’]. [medeverdachte A] belde veelvuldig met voornoemde nummers, met name voor en na het plegen van delicten. Hij gaf laatstgenoemd nummer ook aan medeverdachten door als het nummer van [‘R-s’] of ‘de kamper’. Voorts toonde volgens de politie de stem van de man die met deze telefoonnummers belde qua uitspraak, toon en dialect gelijkenissen met die van verdachte.

Uit onderzoek van paallocaties is tenslotte gebleken, dat beide telefoonnummers een keer in de buurt van de pleegplaats waren ten tijde van het plegen van de delicten. Het nummer [06-5] straalde op 28 januari 2006 omstreeks 18:10 uur de [locatie A. te B.] aan. En het nummer [06-0] straalde op 12 februari 2006 tussen 03:50 uur en 04:03 uur de [locatie P. te B.] aan. Ook dit ondersteunt de verklaringen van de medeverdachten, die immers verklaren dat verdachte regelmatig dichtbij was om aanwijzingen te geven of na afloop op hen wachtte.

Verdachte heeft niet ontkend dat voornoemde telefoonnummers van hem zijn, maar slechts gesteld dat iemand anders ook zijn telefoon(s) kan hebben gebruikt. Gelet op de inhoud en de onderlinge samenhang van het vorenoverwogene, acht de rechtbank deze niet verder onderbouwde stelling echter niet aannemelijk.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de vermeende rol van verdachte is opgeblazen. De medeverdachten zouden eigen initiatieven gehad hebben en zij hadden verdachte helemaal niet nodig om de strafbare feiten te plegen. Uit meerdere verklaringen blijkt echter dat het initiatief tot het plegen van delicten bij verdachte lag en dat hij een leidende en sturende positie in nam. Verdachte verstrekte specifieke informatie over personen en plaatsen, waarover de medeverdachten anders niet zouden beschikken. Tevens leverde verdachte een wapen voorzien van munitie. Van een terughoudende en beperkte rol is derhalve allerminst sprake.

Het bovenstaande betekent, dat de rechtbank toekomt aan de vraag of de afzonderlijke tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 januari 2006 [te B.] tezamen en in vereniging met anderen onder bedreiging van een vuurwapen een echtpaar in diens woning heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en geld. Van deze overval is aangifte gedaan door de slachtoffers. Uit de aangifte blijkt onder meer dat ze met een zilverkleurig wapen zijn bedreigd.

[Medeverdachte A] heeft bekend samen met [medeverdachte B], [medeverdachte D] en [medeverdachte E] genoemde overval te hebben gepleegd. Hij verklaarde dat [R-s] had aangegeven dat hij een klus voor hem had. Het was [medeverdachte A] duidelijk dat hij een woning zou overvallen en dat hierbij geld buitgemaakt zou worden. Ze hadden met [R-s] afgesproken op de carpoolplaats [in B.], waar hij hun een zilverkleurig pistool gaf. Van tevoren was afgesproken dat [R-s] de helft van de buit zou krijgen. Na de overval zijn ze naar verdachte gereden, die stond te wachten. Het pistool is toen weer aan [R-s] teruggegeven.

[Medeverdachte B] heeft eveneens bekend de overval gepleegd te hebben. Hij verklaarde dat zowel de tip van de woning -waar veel geld zou liggen- als het gebruikte zilverkleurige pistool van [R-s] afkomstig was. Na de overval heeft hij [R-s] gebeld om te zeggen wat de buit was.

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake was van nauwe, bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu uit de verklaringen van de medeverdachten blijkt, dat er meerdere malen overleg heeft plaatsgevonden over de te overvallen woning en de verdeling van de buit. Verdachte heeft voorts het wapen geleverd en stond na de overval op de jongens te wachten.

Met betrekking tot feit 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 11 februari 2006 [te D.] tezamen en in vereniging met een ander of anderen een [Opel] heeft gestolen. Blijkens de aangifte heeft de eigenaar de auto op 11 februari 2006 te 15:00 uur [in D.] geparkeerd en afgesloten. Op 12 februari 2006 te 10:15 uur zag aangever dat zijn auto was weggenomen.

[Medeverdachte A] heeft verklaard dat [medeverdachte B] en hij ’s avonds op 11 februari 2006 werden opgehaald door [R-s] in een stationwagen. Er was ook een andere jongen bij. [R-s] zei dat hij wel een auto voor hem zou regelen die ze konden gebruiken voor de overval op een woning [in B.]. Ze reden [naar D.] waar ze moesten uitstappen. Uiteindelijk hoorde [medeverdachte A] dat ze een auto hadden, want hij werd gebeld waar die stond. [Medeverdachte B] en hij werden opgehaald door de onbekende jongen die in een witte [Opel] reed. [R-s] reed erachter. [Medeverdachte A] nam de auto over van de jongen en zag dat er een losse stekker hing, waar hij een schroevendraaier in moest stoppen om de auto te starten.

[Medeverdachte B] heeft verklaard dat [R-s] iemand had geregeld die met hen mee zou gaan om een auto te stelen voor de overval op een discotheekeigenaar [in B.]. [Medeverdachte A] en hij werden door [R-s] en de onbekende man opgehaald in een witte stationwagen. [In D.] zagen ze een witte [Opel]. De onbekende man en [medeverdachte A] hebben de auto aan het lopen gekregen.

Beide medeverdachten verklaren weliswaar op een aantal punten uiteenlopend, doch dit ontlast de verdachte niet. Beiden verklaren immers dat het initiatief tot het stelen van de auto bij verdachte lag en hij hen vervolgens samen met een andere onbekende persoon heeft opgehaald. Zij zijn tezamen op zoek gegaan naar een auto en hebben uiteindelijk een witte [Opel] geschikt bevonden. Wie uiteindelijk de auto heeft opengebroken, is dan niet meer van doorslaggevende betekenis.

Met betrekking tot feit 3

De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 01 tot en met 12 februari 2006 in het arrondissement Utrecht door middel van het verschaffen van een pistool en van inlichtingen, gepoogd heeft een groep jongens te bewegen tot het plegen van een gewapende overval op een juwelier [in D.].

[Medeverdachte A] heeft verklaard dat [R-s] hem een soort winkel aanwees waar ze sieraden maken. [R-s] vertelde dat er een vrouw en haar dochter woonden. [R-s] heeft tegen [medeverdachte B] en hem gezegd dat ze daar naartoe moesten en geld moesten halen. [R-s] zou wederom de helft van de buit krijgen. [Medeverdachte A] zou de overval plegen samen met [medeverdachte C], [medeverdachte G], [medeverdachte B], [medeverdachte D] en [medeverdachte F], maar uiteindelijk is het niet doorgegaan omdat er iemand teveel naar hen keek.

Ook [medeverdachte B] verklaarde bij de rechter-commissaris d.d. 09 november 2006 dat [R-s] een jaar geleden had gezegd dat er veel geld lag in de juwelierswinkel. [R-s] heeft ook verteld hoe het eruit zag in de winkel. Op 09 februari 2006 heeft [medeverdachte B] het wapen van verdachte gekregen. Er zaten kogels in, maar het was niet doorgeladen.

[Medeverdachte C] heeft verklaard dat [medeverdachte B] en [medeverdachte A] vertelden dat ze bezig waren met een overval op een juwelier [in D.]. Van een man, die zij [R-s] noemden en die hun opdrachten tot strafbare feiten gaf, hadden zij een tip gekregen over een nieuwe opdracht. Volgens de jongens hadden zij van die [R-s] gehoord dat er bij een juwelier [in D.] 80 tot 90 kilo goud te halen zou zijn alsmede een heleboel geld.

De verdediging heeft aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat er bij een juwelier waardevolle spullen te halen zijn en dat er daarom geen bewijs zou zijn voor de poging om een ander te bewegen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft niet alleen het wapen aangeleverd, maar tevens specifieke informatie gegeven over hoe het er in de winkel uit zag en gezegd dat er alleen een vrouw met haar dochter aanwezig zouden zijn. Het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte niet strafbaar is omdat er sprake was van vrijwillige terugtred bij de uitgelokten, kan evenmin slagen. Het was immers niet aan verdachte, de aanstichter, te wijten dat het niet tot een begin van uitvoering is gekomen.

Met betrekking tot feit 4

De rechtbank is voorts van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 12 februari 2006 [te B.] gepoogd heeft een drietal jongens te bewegen tot het plegen van een gewapende overval op een discotheekeigenaar.

[Medeverdachte A] heeft verklaard dat de opdracht was dat ze een overval zouden plegen op de bewoners van een woning [in B.]. Hij kreeg van [R-s] een soort walkietalkie, waarmee hij met hem in verbinding stond. Als verdachte hem zou oproepen via dat apparaat moest hij in de richting van het dorp rijden en dan de eerste straat links. Na het seintje is [medeverdachte A] naar die plek gereden en heeft hij [medeverdachte C] en [medeverdachte B] opgehaald. [Medeverdachte B] pakte de walkietalkie en piepte [R-s] op. [Medeverdachte B] zei tegen [R-s] dat het niet door was gegaan. [R-s] zei toen ‘ga maar weg, het gaat niet door’. [R-s] had gezegd dat hij maximaal € 2000 zou krijgen bij een goede buit.

Ook [medeverdachte B] heeft bekend. Nadat ze de [Opel] hadden gestolen, kreeg hij van [R-s] het pistool dat hij bij elke overval heeft gebruikt. [R-s] had gezegd dat ze [naar B.] zouden gaan en dat ze degene die ze gingen overvallen moesten opwachten. Het was een discotheekeigenaar. [R-s] zei dat de man in een [Mercedes] zou rijden. Ze zouden de man dan direct achtervolgen naar zijn woning en de man bij opening van zijn woning overvallen, zodat ze meteen in de woning waren. Toen ze bij de rotonde linksaf sloegen, zag hij de bewuste [Mercedes] al rijden en zaten ze te ver van de auto af om op tijd te zijn. [R-s] reed voor hen en belde meteen op dat ze te laat waren. Ze zijn gestopt en [medeverdachte B] heeft het pistool weer terug gegeven aan verdachte.

[Medeverdachte C] heeft verklaard dat [medeverdachte B] en [medeverdachte A] zeiden dat zij de auto wilden pakken waar de discotheekeigenaar in zat. Die man zouden ze beroven van de discotheekopbrengst, die in een koffer zou zitten. [Medeverdachte B] had van [R-s] een walkietalkie gekregen. ‘De kamper’ zei over de walkietalkie dat hij voor zou rijden en dat als hij bij de woning van die man zou rijden, hij de linker richtingaanwijzer van zijn auto even uit zou doen. Op een gegeven moment werd door [R-s] over de walkietalkie geroepen dat de [Mercedes] van de discotheekeigenaar er aan kwam rijden.

Met betrekking tot feit 5

Tot slot acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 april 2006 [te A.] twee hoofdagenten heeft bedreigd. Beide agenten hebben aangifte gedaan van deze bedreiging. Uit het door beide verbalisanten op ambtseed / ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal blijkt dat verdachte, toen hij terug werd gebracht naar zijn cel omdat hij niet langer gehoord wenste te worden, hun onder meer de woorden ‘jullie moeten ophouden nu want ik trek echt de kop van jullie romp af. Wacht maar tot ik jullie buiten tegen kom, dan zullen we wel zien wie de baas is. Ik maak jullie gewoon af.’ heeft toegevoegd.

Verdachte ontkent de bedreiging. De rechtbank ziet echter geen reden om aan de juistheid van het opgemaakte proces-verbaal te twijfelen, ook nu er sprake is van een tweetal agenten die de bedreigingen hebben gehoord. Het feit dat verdachte ontkent past volgens de rechtbank bij de door verdachte gekozen proceshouding: alle beschuldigingen zijn onjuist en onterecht. Voorts heeft de verdediging de vraag opgeworpen of de verbalisanten zich daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld. Gezien de aard van de bedreiging, met name het onderdeel ‘wacht maar tot ik jullie buiten tegen kom. Ik maak jullie gewoon af’, in combinatie met de agressieve houding en de uitvoerige geweldsdocumentatie van verdachte, kon bij de bedreigden wel degelijk redelijke vrees ontstaan dat zij ter zijner tijd het leven zouden verliezen.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van afpersing.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3:

Poging om een ander door het verschaffen van een middel en van inlichtingen te bewegen tot diefstal met geweld en/of afpersing.

Ten aanzien van feit 4:

Poging om een ander door het verschaffen van een middel en van inlichtingen te bewegen tot diefstal met geweld en/of afpersing.

Ten aanzien van feit 5:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als opdrachtgever en als medepleger een sturende en leidende rol gespeeld, als gevolg waarvan een groep jongens, onder wie minderjarigen, een aantal zeer ernstige strafbare feiten heeft gepleegd. Verdachte verschafte de inlichtingen en het wapen, naar aanleiding waarvan onder meer een gewapende overval in een woning is gepleegd. In deze woning was niet alleen een echtpaar aanwezig, maar ook hun twee jonge kinderen. Gebleken is dat het gebeuren een enorme indruk op hen heeft gemaakt en dat zij daarvan zeer ernstige psychische gevolgen hebben ondervonden en nog ondervinden. Bovendien dragen de bewezen verklaarde feiten bij aan in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. Met name het feit dat verdachte zichzelf buiten beeld trachtte te houden en anderen, te weten een groep jongens, het vuile werk liet opknappen, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Verdachte heeft, ten aanzien van de door hem gepleegde feiten, een grote mate van gewetenloosheid ten toon gespreid en zijn eigen behoefte aan materiële zaken laten prevaleren. Verdachte heeft, ook achteraf bezien, geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn laakbare gedrag.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 augustus 2006, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank heeft, alles afwegende, geen enkel argument kunnen vinden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden, dat dit geen passende straf is. De rechtbank zal dan ook conform de eis vonnissen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46a, 47, 57, 285, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 8 (ACHT) jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs E.F. Bueno, J.F. Dekking en M.P. van Glerum, bijgestaan door F. Rethmeier als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2007.