Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BA0705

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
16/604503-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verkrachtiging en aanranding.

"Dat de bedoelingen van verdachte sexueel gericht waren en hij heeft gekeken hoe ver hij kon gaan, acht de rechtbank zeer waarschijnlijk. De door aangeefster in haar beleving wel gegeven signalen, dat zij van de vergaande massage van verdachte niet gediend was, waren voor verdachte echter onvoldoende kenbaar.

De rechtbank merkt tenslotte nog op dat zij het gedrag van verdachte, hoewel niet aan te merken als verkrachting dan wel aanranding, volstrekt misplaatst acht."

Artikel 242, 246 Wetboek van Strafrecht

(PROMIS)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604503-05

Datum uitspraak: 14 maart 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

verblijvende te [verblijfplaats].

Raadsman: mr. A.R. van Roo.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Van dwang in de zin van de artikelen 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht is slechts sprake indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in die bepaling bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Deze formulering houdt een dubbele eis in: de verdachte moet opzet hebben op dwang en het slachtoffer moet de ‘andere feitelijkheid’ hebben bemerkt en als dwang hebben ervaren. Dit komt volgens de rechtbank onvoldoende uit de bewijsmiddelen naar voren.

Dat de bedoelingen van verdachte sexueel gericht waren en hij heeft gekeken hoe ver hij kon gaan, acht de rechtbank zeer waarschijnlijk. De door aangeefster in haar beleving wel gegeven signalen, dat zij van de vergaande massage van verdachte niet gediend was, waren voor verdachte echter onvoldoende kenbaar.

De rechtbank merkt tenslotte nog op dat zij het gedrag van verdachte, hoewel niet aan te merken als verkrachting dan wel aanranding, volstrekt misplaatst acht.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [X] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden materiële schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [X] niet ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mrs E.F. Bueno, J.F. Dekking en M.P. van Glerum, bijgestaan door mr. F. Rethmeier als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2007.