Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:AZ9772

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
02-03-2007
Zaaknummer
SBR 06-2051
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huursubsidie ten onrechte met terugwerkende kracht op nihil gesteld in verband met het ontbreken van een geldige verblijfstitel van een van de medebewoners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/2051

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 24 januari 2007

inzake

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 oktober 2006, waarbij verweerder het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 27 februari 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten heeft verweerder het recht van eisers op huursubsidie voor de tijdvakken 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 en 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 herzien en op nihil gesteld vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel van één of meer van de medebewoners. Daarbij heeft verweerder de over genoemde tijdvakken verstrekte huursubsidie ten bedrage van ? 2.005,92 respectievelijk

? 1.023,58 teruggevorderd.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2006, waar eiser [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.P.G. Wiertz, advocaat te Zeist. Namens verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen mr. J.A.E. Schabracq, werkzaam bij het Ministerie van VROM.

Overwegingen

Feiten

2.1 Eisers hebben in de tijdvakken van 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 en van 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 huursubsidie ontvangen. Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2006 heeft verweerder te kennen gegeven dat de over deze tijdvakken genomen besluiten huursubsidie zijn gewijzigd en dat de huursubsidie op nihil is gesteld in verband met het ontbreken van een geldige verblijfsstatus van de op 27 februari 2004 geboren dochter van eisers, [naam]. De over de genoemde tijdvakken door eisers ontvangen huursubsidie wordt door verweerder teruggevorderd. Tegen deze besluiten hebben eisers bezwaar gemaakt. Op 15 september 2006 zijn eisers in de gelegenheid gesteld hun bezwaren nader toe te lichten tijdens een hoorzitting. Bij het bestreden besluit van 19 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Inmiddels hebben eisers ten behoeve van hun jongste dochter een verblijfsvergunning aangevraagd, die op 14 maart 2006 is verleend. Voor hun twee oudste kinderen hebben eisers destijds volgens de regels een verblijfsvergunning aangevraagd en verkregen.

Standpunten partijen

2.2 Verweerder heeft bij het bestreden besluit zijn standpunt dat eisers voor de genoemde subsidiejaren niet in aanmerking komen voor huursubsidie vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus van hun dochtertje, gehandhaafd. Verweerder heeft overwogen dat in artikel 10 van de Huursubsidiewet (Hsw) de relatie tussen de Koppelingswet en de Hsw is verwoord. Uitgangspunt van de Koppelingswet is dat wie niet rechtmatig in Nederland verblijft, geen aanspraak kan maken op collectieve voorzieningen, in dit geval huursubsidie. De gemeente Utrecht heeft in dit geval aangegeven dat de dochter van eisers op de peildata1 juli 2004 en 1 juli 2005 niet rechtmatig in Nederland verbleef. Verder heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bevestigd dat de dochter van eisers vanaf haar geboorte tot 14 maart 2006 verblijfstitelcode 98 (geen geldige verblijfstitel) heeft gehad. Volgens de Hsw dient iedere bewoner te beschikken over een geldige verblijfsstatus. De stelling van eisers dat zij niet op de hoogte waren van het feit dat zij zelf voor hun dochter een verblijfsvergunning moesten aanvragen bij de gemeente, is voor verweerder geen reden om anders te beslissen. Ontvangers van huursubsidie worden verondersteld op de hoogte te zijn van de regelgeving omtrent huursubsidie. Tenslotte ziet verweerder geen aanleiding om gebruik te maken van de in artikel 36 Hsw gegeven discretionaire bevoegdheid. Naar het oordeel van verweerder is geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval.

2.3 Eisers hebben in beroep - samengevat - naar voren gebracht dat in de onderhavige situatie voor verweerder alle reden bestaat om in het voordeel van eisers gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid en van herziening af te zien. Eisers voeren daartoe aan dat het doel van de Koppelingswet in samenhang met de Hsw is gelegen in het ontmoedigen van mensen om illegalen te huisvesten, waardoor het overleven van illegalen in Nederland bemoeilijkt wordt. Naar de mening van eisers is de Koppelingswet in dit verband niet bedoeld om in Nederland geboren kinderen van rechtmatig in Nederland verblijvende ouders te weren. Indien ten behoeve van deze kinderen een aanvraag wordt gedaan, komen zij op grond van de Vreemdelingenwet zonder problemen in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Eisers hebben ten behoeve van hun twee andere kinderen volgens de regels een verblijfsvergunning aangevraagd en verkregen. Nadien heeft een overdracht van taken van de vreemdelingenpolitie aan de IND plaatsgevonden. Een aanvraag om een verblijfsvergunning dient thans niet meer te worden ingediend bij de vreemdelingenpolitie maar bij de gemeente. Eisers hebben hun dochtertje aangegeven bij de gemeente en zij verkeerden in de veronderstelling dat daarmee ook haar verblijfsrecht was geregeld. Voorlichting en informatie over de verplichting een verblijfsvergunning aan te vragen heeft niet plaatsgevonden. Zo heeft de IND geen informatie over deze verplichting gegeven en ook de Afdeling Burgerzaken van de gemeente geeft bij de aangifte van de geboorte geen nadere informatie met betrekking tot een verblijfsvergunning verstrekt.

Verder zijn eisers de mening toegedaan dat de herzieningsbeslissing onzorgvuldig is voorbereid. Een actieve manier van informatie vergaren impliceert tevens dat bij de betrokkenen wordt geïnformeerd. Het reactieformulier huursubsidie omvat vragen over alle voor de verlening van huursubsidie relevante feiten, behalve over de verblijfsstatus van aanvrager en medebewoners.

2.4 Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat op het moment dat één van de medebewoners geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak kan worden gemaakt op huursubsidie. De aanspraak op huursubsidie vervalt dan met terugwerkende kracht. Met de Koppelingswet wordt beoogd te voorkomen dat niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen aanspraak zouden kunnen maken op sociale voorzieningen.

2.5 Eisers hebben ter zitting desgevraagd naar voren gebracht dat zij destijds, na de geboorte van hun dochtertje, bij de vreemdelingenpolitie zijn geweest. De vreemdelingenpolitie heeft hen doorverwezen naar de gemeente. Omdat eiser voor de aangifte van de geboorte van zijn dochter al bij de gemeente was geweest verkeerde hij in de veronderstelling dat hij alles geregeld had. Eisers ontvangen voor hun dochter kinderbijslag en voorts is zij verzekerd voor ziektekosten.

Wettelijk kader

2.6 Ingevolge artikel 10 aanhef en onder b, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Hsw), wordt huursubsidie slechts toegekend als degenen die op de peildatum medebewoner van de woning zijn:

1°. de Nederlandse nationaliteit bezitten of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander worden behandeld, of

2°. vreemdeling zijn en rechtmatig verblijf houden als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

2.7 Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw kan de minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen.

Ingevolge het tweede lid van de Hsw kan aan een besluit als bedoeld in het eerste lid van dit artikel terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidietijdvakken, voorafgaande aan het lopende subsidietijdvak:

a. als de door de huurder of de medebewoners verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn geweest, dat een ander besluit zou zijn genomen indien de juiste of volledige gegevens bij de minister bekend zouden zijn geweest;

b. als de artikelen 30a, vierde lid, of 33, tweede lid, niet worden nageleefd;

c. als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.8 Ingevolge artikel 36, derde lid, van de Hsw kan, als het eerste lid van dit artikel toepassing vindt, de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

Beoordeling

2.9 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder de aan eisers toegekende en uitbetaalde huursubsidie over de tijdvakken 1 juli 2004 tot 1 juli 2005 en 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 op goede gronden met terugwerkende kracht heeft herzien en op nihil heeft gesteld.

2.10 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de dochter van eisers op de peildata niet over een geldige verblijfstitel beschikte en derhalve niet rechtmatig - in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 - in Nederland verbleef. Gelet op het bepaalde in artikel 10, aanhef en onder b, sub 2, in samenhang bezien met artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a van de Hsw was verweerder derhalve in beginsel bevoegd de toekenning huursubsidie te herzien.

2.11 Echter, naar het oordeel van de rechtbank was verweerder in het onderhavige geval niet bevoegd om aan deze herzieningsbeslissing terugwerkende kracht te verlenen. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat de grondslag van de onderhavige herziening met terugwerkende kracht is gelegen in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder a van de Hsw. Uit genoemde bepaling volgt dat de door eiser of zijn medebewoners verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig zijn geweest, dat een ander besluit zou zijn genomen indien de juiste of volledige gegevens bij de minister bekend zouden zijn geweest. De rechtbank constateert evenwel dat het reactieformulier huursubsidie op dit punt geen vragen omvat, zodat eiser niet heeft kunnen aangeven, zo hij daar al van op de hoogte was, dat zijn dochter geen geldige verblijfsstatus had. Eisers mochten ervan uitgaan dat zij door beantwoording van de vragen op het door verweerder vastgestelde formulier alle benodigde gegevens hadden verstrekt. Gelet op het gedetailleerde karakter van de vragenlijst op het reactieformulier wordt daardoor immers een hoge graad van volledigheid gesuggereerd. Van een situatie dat eiser onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt op grond waarvan verweerder, nadat gegevensuitwisseling met de gemeente en de IND heeft plaatsgevonden, bevoegd is met terugwerkende kracht de toekenning huursubsidie te herzien, is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval dan ook geen sprake. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat indien verweerder eerder naar de ontbrekende verblijfsstatus van het jongste kind had geïnformeerd, deze eerder zou zijn aangevraagd en met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid veel eerder zou zijn verleend. Verweerders standpunt dat de omstandigheid dat op het reactieformulier niet expliciet wordt gevraagd naar de verblijfstitel niet uitmaakt omdat het vereiste van een geldige verblijfstitel rechtstreeks voortvloeit uit de Koppelingswet, faalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee miskend dat de wetgever in artikel 36, tweede lid, van de Hsw heeft geregeld in welke gevallen verweerder bevoegd is met terugwerkende kracht de toekenning te herzien en dat de in het onderhavige geval van toepassing zijnde grondslag in ieder geval impliceert dat sprake moet zijn van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens waarin tevens een aanknopingspunt voor een eventuele herziening van de toekenning is gelegen.

2.12 Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat in het onderhavige geval een wettelijke grondslag voor de herziening met terugwerkende kracht ontbreekt. Het beroep is mitsdien gegrond wegens strijd met de wet. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder is gehouden met inachtneming van deze uitspraak opnieuw een beslissing te nemen op het bezwaar van eisers.

2.13 De rechtbank acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers in beroep. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ? 644,- (1 punt voor indiening van het bezwaarschrift plus 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 x ? 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Ten aanzien van het verzoek van eisers om verweerder te veroordelen in de proceskosten van de bestuurlijke voorfase overweegt de rechtbank dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens op dit verzoek dient te beslissen.

2.14 De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nader besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

3.4 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ad ? 38,- aan hen vergoedt,

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers in dit geding ad ? 644,- te betalen door verweerder aan de griffier van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Gerrits-Janssens, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2007.

De griffier: De rechter:

mr. V.N. Sluiter mr. M.P. Gerrits-Janssens

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.