Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:AZ7855

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
189021/ HA ZA 05-93
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaalde facturen. Wanprestatie door advocaat? Ja, deels. Voor het overige geen wanprestatie. Advocaat is geen schadevergoeding verschuldigd. Rechtbank deels onbevoegd, Raad van Toezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 189021 / HA ZA 05-93

Vonnis van 31 januari 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

CMS DERKS STAR BUSMANN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. L.J. Benistant,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur heeft zich onttrokken.

Partijen zullen hierna CMS Derks Star Busmann en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

- de akte uitlating getuige en overlegging aanvullende producties van de zijde van [gedaagde];

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie;

- de akte uitlating producties aan de zijde van [gedaagde].

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [Gedaagde] is eigenaresse van een woontjalk en heeft van de exploitatiemaatschappij De Plashoeve B.V. (hierna: De Plashoeve) een ligplaats voor haar tjalk gehuurd in de gelijknamige Jachthaven De Plashoeve te Vinkeveen (hierna: de jachthaven).

Bij vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 24 juni 1998 is [gedaagde] veroordeeld tot ontruiming van de ligplaats. De toenmalige advocaat van [gedaagde] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft [gedaagde] zich op 30 november 1998 tot mr. [advocaat 1] gewend, die als advocaat verbonden is aan het kantoor CMS Derks Star Busmann. [advocaat 1] heeft [gedaagde] bijgestaan in de appelprocedure tegen het hiervoor genoemde ontruimingsvonnis van de kantonrechter. Daarnaast heeft hij een kort gedingprocedure aangespannen tot schorsing van de executie van het ontruimingsvonnis (hierna: het kort geding tot schorsing) in afwachting van de beslissing in het hoger beroep. De gevorderde schorsing is afgewezen, waarna [gedaagde] haar ligplaats in de jachthaven op 4 maart 1999 heeft verlaten.

Bij vonnis van 19 april 2000 heeft de rechtbank Utrecht in hoger beroep het ontruimingsvonnis van de kantonrechter vernietigd. Daarop heeft [gedaagde] haar tjalk weer op haar oude ligplaats aangelegd.

Vervolgens heeft [advocaat 1] namens [gedaagde], vooruitlopend op een bodemprocedure tot verkrijging van schadevergoeding, bij dagvaarding van 21 augustus 2002 een kort gedingprocedure tegen De Plashoeve aangespannen ter verkrijging van een voorschot op de schadevergoeding. In die procedure heeft [gedaagde] onder meer de kosten van het kort geding tot schorsing gevorderd. Het totaal door [gedaagde] gevorderde voorschot bedroeg EUR 25.000,00. De voorzieningenrechter heeft De Plashoeve bij vonnis van 8 oktober 2002 veroordeeld om een voorschot van EUR 11.000,00 aan [gedaagde] te betalen. In dat bedrag zijn de kosten van het kort geding tot schorsing niet begrepen. Voor wat betreft die kosten heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [gedaagde] voldoende grond had bij het instellen van de vordering tot schorsing en dat de kosten van het schorsingskort geding derhalve in principe voor vergoeding in aanmerking komen, maar desondanks niet zullen worden toegewezen, omdat terzake geen onderbouwing is overgelegd. Ook ten aanzien van een (groot) aantal andere schadeposten heeft de voorzieningenrechter overwogen dat haar onvoldoende aannemelijk is geworden dat die schade daadwerkelijk is geleden.

2.2 Voor wat betreft het gevoerde kortgeding en de te voeren bodemprocedure ter verkrijging van schadevergoeding heeft de Raad voor Rechtsbijstand [gedaagde] een toevoeging verleend. De twee daaraan voorafgaande procedures waarbij [advocaat 1] [gedaagde] heeft bijgestaan (de appelprocedure inzake de ontruiming en het kort geding tot schorsing) zijn gevoerd op basis van betaling; de kosten van deze procedures komen voor rekening van [gedaagde] zelf.

2.3 Naast [advocaat 1] heeft ook mr. [advocaat 2], eveneens werkzaam als advocaat bij CMS Derks Star Busmann, werkzaamheden voor [gedaagde] verricht.

2.4 [Gedaagde] heeft een aantal van de declaraties van [advocaat 1] en [advocaat 2] (al dan niet gedeeltelijk) onbetaald gelaten. Het betreft de volgende declaraties:

a. Declaratienummer 9914346 d.d. 29 oktober 1999, ter hoogte van EUR 2.488,24.

b. Declaratienummer 9919298 d.d. 31 december 1999, ter hoogte van EUR 745,72.

c. Declaratienummer 0003045 d.d. 14 april 2000, ter hoogte van EUR 9.242,35.

d. Declaratienummer 0009559 d.d. 31 juli 2000, ter hoogte van EUR 3.455,08.

e. Declaratienummer 0015439 d.d. 24 november 2000, ter hoogte van EUR 4.097,15.

f. Declaratienummer 0017316 d.d. 29 december 2000, ter hoogte van EUR 403,09.

g. Declaratienummer 0018159 d.d. 29 december 2000, ter hoogte van EUR 69,10.

h. Declaratienummer 1013068 d.d. 28 september 2001, ter hoogte van EUR 769,82.

Van de declaratie sub a. is een bedrag van EUR 936,22 onbetaald gebleven. De overige declaraties zijn volledig onbetaald gebleven. Het totaal door [gedaagde] onbetaald gelaten bedrag is EUR 19.718,53.

De declaraties hebben betrekking op werkzaamheden die door [advocaat 1] zijn verricht in de periode van 6 juli 1999 tot en met 19 februari 2001 en op werkzaamheden die door [advocaat 2] zijn verricht in de periode van 5 augustus 1999 tot en met 30 juni 2000.

2.5 Bij brief van 22 oktober 2002 heeft [advocaat 1] het kort gedingvonnis van 8 oktober 2002 naar de deurwaarder gestuurd met het verzoek om tot executie over te gaan. [advocaat 1] heeft daarbij het leggen van beslag op het jachthaventerrein en het leggen van derdenbeslag onder de overige huurders van ligplaatsen in de jachthaven als mogelijkheden genoemd.

2.6 De deurwaarder heeft [advocaat 1] bij brief van 19 december 2002 bericht dat uit het Kadaster blijkt dat De Plashoeve geen eigenaresse van de jachthaven is. Voor wat betreft de mogelijkheid van het leggen van derdenbeslag onder de huurders van ligplaatsen, heeft de deurwaarder [advocaat 1] meegedeeld dat hij daarvoor moet weten wie de huurders zijn. De deurwaarder heeft daarbij te kennen gegeven dat hij indien nodig een informateur kan inschakelen, maar dat diens kosten niet onder de toevoeging vallen.

2.7 Bij brief van 19 maart 2003 heeft [advocaat 1] [gedaagde] (onder meer) bericht dat hij nog op aanvullende financiële gegevens van haar kant wacht, die hij nodig heeft om de bodemprocedure in te stellen.

2.8 Bij brief van 21 maart 2003 heeft [advocaat 1] aan [gedaagde] geschreven:

“(…)Bij het Kadaster staat de Plashoeve BV niet geregistreerd als eigenares van de grond/opstallen aan het adres Baambrugse Zuwe 169 te Vinkeveen. Dit betekent dat de deurwaarder geen executoriaal beslag op de jachthaven kan leggen.

In verband hiermee dienen de volgende mogelijkheden te worden onderzocht:

1. Beslag ten laste van de [erfgenamen] of ten laste van één van hen.

2. Derdenbeslag onder de andere huurders van De Plashoeve.

3. Faillissementsaanvraag van De Plashoeve.

In verband hiermee pleeg ik gaarne overleg met u. Daarbij kan ook aan de orde komen of het zinvol is om de bodemprocedure aan te spannen. Daarvoor ontbreken mij echter nog verscheidene bewijsstukken, zoals ook al is gebleken tijdens het kort geding.

Wilt u een afspraak voor een bespreking te mijnen kantore maken.”

2.9 Bij brief van 28 april 2003 heeft de deurwaarder [advocaat 1] herinnerd aan zijn brief van 19 december 2002 en te kennen gegeven dat hij op die brief nog steeds geen reactie van [advocaat 1] heeft gekregen.

2.10 In zijn brief van 8 oktober 2003 aan [gedaagde] heeft [advocaat 1] haar -voor zover hier relevant- het volgende bericht: “(…) U voert aan dat “wij na het voor u gunstige vonnis, afgesproken hadden dat mijn declaraties verrekend zouden worden met uw schadeclaim op De Plashoeve”. Die afspraak hebben wij niet in die zin zo gemaakt. De beurskoers van uw aandelen pakket KPN was destijds gedaald, waardoor volgens uw verklaring de betaling van mijn declaraties voor u bezwaarlijk was. Daarom hebben wij toen afgesproken om te trachten uw schadeclaim op De Plashoeve te incasseren. Uit de geïncasseerde gelden zouden dan mijn declaraties kunnen worden voldaan. Nu incassering niet eenvoudig en wellicht zelfs onmogelijk is, blijkt de beoogde regeling niet uitvoerbaar. Daarom moet ik aandringen op de gewone wijze van betaling van mijn declaratie, desgewenst door hervatting van de eertijds afgesproken termijnbetalingen. In het voorgaande ligt besloten dat uitdrukkelijk niet de afspraak is gemaakt dat slechts betaling van mijn declaraties zou plaatsvinden onder voorwaarde van incassering van uw schadeclaim.

(…)

Tenslotte herhaal ik mijn waarschuwing in mijn brief van 9 september 2003 dat vanwege de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar de oudste schadecomponenten met ingang van eind januari/begin februari 2004 successievelijk verjaren. Gaarne verzoek ik u telefonisch contact met mij op te nemen voor het plegen van overleg.”

2.11 Op 22 januari 2004 heeft [advocaat 1] een exploot uitgebracht ter stuiting van de verjaring van de schadeposten.

2.12 Bij brief van 23 januari 2004 heeft [advocaat 1] [gedaagde] onder meer het volgende bericht: “(…) Ieder bedrag dat in de procedure terzake van schadevergoeding wordt gevorderd, dient aannemelijk te worden gemaakt. Niet alleen moet aannemelijk worden gemaakt dat de schade is geleden (hierop heeft uw toelichting betrekking) maar tevens dient het bedrag van de gevorderde schade te worden aangetoond door middel van facturen of andere schriftelijke bewijsstukken. U zult zich herinneren dat de President in kort geding, in welke procedure slechts een voorlopige beoordeling plaatsvindt, een aantal schadeposten als onvoldoende onderbouwd heeft gepasseerd. Die onderbouwing kan in de bodemprocedure alsnog worden gegeven. Daarom heb ik u gevraagd gegevens / bewijsstukken / facturen / opdrachtbevestigingen of andere schriftelijke verklaringen te verstrekken aan de hand waarvan de schade kan worden aangetoond. Op die stukken wacht ik nu al circa anderhalf jaar. (…)”

2.13 Bij brief van 17 maart 2004 heeft [advocaat 1] -voor zover hier relevant- aan [gedaagde] geschreven: “Op 16 maart jl. wilde ik een bezoek aan u brengen in uw tjalk. Ik trof u toen niet aanwezig. In mijn laatste twee brieven heb ik u verzocht een afspraak met mij te maken voor een bespreking over eventuele verdere behandeling van de zaak. Hierin heb ik aangegeven dat ik anders niet verder voor u kan optreden. Omdat u niet op deze brieven heeft gereageerd en ik toevallig in de omgeving was, heb ik u willen bezoeken om één en ander bij u thuis te bespreken. (…) Als ik niet binnen vier weken van u verneem hetzij over voortzetting van de zaak, waarbij u mij dan wel in het bezit moet stellen van de benodigde bescheiden, hetzij ten aanzien van de mogelijkheid om met de wederpartij in overleg te treden, zie ik mij genoodzaakt mijn optreden ten behoeve van u te beëindigen.”

2.14 [Gedaagde] heeft [advocaat 1] geen nadere (bewijs)stukken verstrekt.

2.15 [Advocaat 1] heeft geen bodemprocedure ter verkrijging van schadevergoeding ingesteld.

3. Het geschil

in conventie

3.1 CMS Derks Star Busmann vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 19.718,53 (zijnde het bedrag van de onbetaald gelaten declaraties), vermeerderd met rente en kosten.

3.2 [Gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3 [Gedaagde] vordert - samengevat - veroordeling van CMS Derks Star Busmann tot betaling van EUR 25.000,00 terzake schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten.

3.4 CMS Derks Star Busmann voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1 Aanvankelijk is de burgerlijke maatschap CMS Derks Star Busmann als eisende partij opgetreden. In de processtukken vanaf de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie, heeft CMS Derks Star Busmann zichzelf telkens aangeduid als de naamloze vennootschap CMS Derks Star Busmann N.V. Nu [gedaagde] CMS Derks Star Busmann vervolgens ook als zodanig is gaan aanduiden en zij dus kennelijk met deze wijziging heeft ingestemd, zal de rechtbank de naamloze vennootschap CMS Derks Star Busmann N.V. eveneens aanmerken als eisende partij.

4.2 CMS Derks Star Busmann legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] juridische werkzaamheden heeft verricht, waarvan zij betaling verlangt.

4.3 [Gedaagde] voert verschillende verweren, die hierna stuk voor stuk aan de orde zullen komen.

hoogte declaraties

4.4 [Gedaagde] betwist allereerst de hoogte van het door CMS Derks Star Busmann gevorderde bedrag. In dit verband heeft zij aangevoerd dat een te hoog uurtarief in rekening is gebracht, dat zij met [advocaat 1] heeft afgesproken dat de werkzaamheden van [advocaat 2] niet in rekening zouden worden gebracht, dat de facturen sub f., g. en h. betrekking hebben op procedures waarvoor haar een toevoeging is verleend en dat de declaraties bovendien buitensporig hoog zijn.

4.5 De rechtbank stelt voorop dat geschillen over de hoogte van het door een advocaat aan zijn cliënt in rekening gebrachte salaris ingevolge artikel 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) worden beslecht door de Raad van Toezicht, zodat de rechtbank niet bevoegd is om daarover te oordelen.

4.6 Voor wat betreft het geschil over de aan [gedaagde] in rekening gebrachte werkzaamheden van [advocaat 2] alsmede voor wat betreft de vraag of de werkzaamheden waarop de facturen f., g. en h. betrekking hebben al dan niet onder de aan [gedaagde] verleende toevoeging vallen, acht de rechtbank zich wel bevoegd om daarover te oordelen. Deze verweren zien immers niet op de hoogte van het in rekening gebrachte salaris, maar op de daaraan voorafgaande vraag of [gedaagde] voor deze werkzaamheden überhaupt iets verschuldigd is. De rechtbank beoordeelt deze geschilpunten als volgt.

4.7 Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een toevoeging is verleend voor het gevoerde kort geding ter verkrijging van schadevergoeding (en voor de niet gevoerde bodemprocedure) en dat zij de kosten van de beide andere procedures zelf dient te betalen. CMS Derks Star Busmann heeft onbetwist gesteld dat [advocaat 1] omstreeks 19 februari 2001 is aangevangen met werkzaamheden die betrekking hebben op het vorderen van schadevergoeding. De facturen f., g. en h. hebben (evenals de overige facturen waarvan thans betaling wordt gevorderd) betrekking op de periode vóór 19 februari 2001 en derhalve op de procedures die voor eigen rekening van [gedaagde] komen, zodat het betoog van [gedaagde] geen doel treft.

4.8 [Gedaagde] stelt dat zij met [advocaat 1] heeft afgesproken dat de werkzaamheden van zijn stagiaire, [advocaat 2], bij zijn declaraties inbegrepen zouden zijn. CMS Derks Star Busmann heeft het bestaan van een dergelijke afspraak betwist. Zij heeft aangevoerd dat er helemaal geen stagiaire voor [advocaat 1] werkte en dat [advocaat 2] een op het gebied van het bestuursrecht gespecialiseerde collega van [advocaat 1] is, die [gedaagde] in een ander, bestuursrechtelijk geschil met De Plashoeve heeft bijgestaan. De aan [gedaagde] in rekening gebrachte werkzaamheden van [advocaat 2] hebben betrekking op die procedure, aldus CMS Derks Star Busmann. [gedaagde] heeft vervolgens erkend dat er tussen haar en [advocaat 2] een overeenkomst van opdracht heeft bestaan en dat [advocaat 2] haar heeft geadviseerd in het kader van bestuursrechtelijke procedures. Gelet hierop acht de rechtbank zonder nadere toelichting niet aannemelijk dat de afspraak zou zijn gemaakt dat [gedaagde] de werkzaamheden van [advocaat 2] niet zou hoeven te betalen. [advocaat 2] heeft [gedaagde] immers bijgestaan bij andere procedures dan de procedures waarbij [advocaat 1] haar heeft bijgestaan. [gedaagde] heeft bij dupliek (in conventie) herhaald dat haar is meegedeeld dat [advocaat 2] een stagiaire van [advocaat 1] was en zij heeft hieraan toegevoegd dat er een bespreking heeft plaatsgevonden waarbij beide advocaten aanwezig waren en die door hen beiden is gedeclareerd. [gedaagde] is echter niet nader ingegaan op de door haar gestelde afspraak dat zij niets verschuldigd zou zijn voor de werkzaamheden van [advocaat 2]. Zij heeft verzuimd nader toe te lichten hoe en wanneer deze afspraak tot stand zou zijn gekomen en hoe die (gestelde) afspraak zich verhoudt met het feit dat tussen haar en [advocaat 2] een overeenkomst van opdracht heeft bestaan betreffende werkzaamheden in het kader van andere, bestuursrechtelijke procedures. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] het bestaan van de door haar gestelde afspraak onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank haar verweer op dit punt passeert. Het feit dat er een bespreking heeft plaatsgevonden waarbij zowel [advocaat 1] als [advocaat 2] aanwezig was en die door hen beiden is gedeclareerd, leidt niet tot een ander oordeel. CMS Derks Star Busmann heeft onbetwist gesteld dat (één van) de bestuursrechtelijke procedure(s), waarbij [advocaat 2] [gedaagde] heeft bijgestaan, eveneens betrekking had op de relatie tussen [gedaagde] en De Plashoeve, zodat goed denkbaar is dat er een bespreking heeft plaatsgevonden waarbij noodzakelijk was dat beide advocaten aanwezig waren.

[gedaagde] heeft bij dupliek in conventie voorts nog aangevoerd dat zij de overeenkomst met [advocaat 2] bij brief van 21 mei 2000 heeft beëindigd, terwijl haar ook werkzaamheden van [advocaat 2] van ná die datum in rekening zijn gebracht. Ook hieraan gaat de rechtbank voorbij, nu CMS Derks Star Busmann betwist dat [gedaagde] de overeenkomst met [advocaat 2] heeft opgezegd en nu [gedaagde] geen afschrift van de opzeggingsbrief heeft overgelegd en evenmin anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat zij de overeenkomst met [advocaat 2] heeft opgezegd.

[gedaagde] is CMS Derks Star Busmann derhalve een vergoeding verschuldigd voor de werkzaamheden van [advocaat 2].

4.9 De overige verweren van [gedaagde] (dat een onjuist uurtarief zou zijn gehanteerd en dat de declaraties buitensporig hoog zijn) betreffen de hoogte van het in rekening gebrachte honorarium en dienen derhalve aan de Raad van Toezicht te worden voorgelegd. De rechtbank verklaart zich op deze punten onbevoegd om daarover te oordelen.

wanprestatie [advocaat 1]?

4.10 Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of [advocaat 1] al dan niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [gedaagde] uit hoofde van de tussen hen bestaande overeenkomst.

[gedaagde] verwijt [advocaat 1] dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om het haar toegekende voorschot op de schadevergoeding van EUR 11.000,00 te incasseren, dat het voorschot bovendien EUR 7.000,00 lager is uitgevallen omdat [advocaat 1] de kosten van het kort geding tot schorsing niet heeft onderbouwd, en dat hij geen bodemprocedure heeft ingesteld.

CMS Derks Star Busmann betwist dat sprake is van wanprestatie zijdens [advocaat 1]. Volgens haar is het achterwege blijven van de incassering van het voorschot en het feit dat geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt, uitsluitend te wijten aan de niet-coöperatieve opstelling van [gedaagde] en aan haar weigering om met [advocaat 1] in overleg te treden.

4.11 De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat [advocaat 1] zich onvoldoende heeft ingespannen om het aan [gedaagde] toegekende voorschot van EUR 11.000,00 te incasseren en neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Op 19 december 2002 heeft de deurwaarder [advocaat 1] bericht dat het niet mogelijk was om beslag te leggen op het jachthaventerrein (omdat De Plashoeve daarvan geen eigenaresse was), dat derdenbeslag onder de andere huurders van De Plashoeve wel tot de mogelijkheden behoorde, maar dat hij de namen van die huurders nodig had om dat beslag te kunnen leggen. [advocaat 1] heeft [gedaagde], zoals zij onbetwist heeft gesteld, niet volledig geïnformeerd over de brief van de deurwaarder, zodat zij niet wist dat de deurwaarder de namen van de overige huurders nodig had om derdenbeslag te kunnen leggen. Hij heeft haar bij brief van 21 maart 2003, dus pas geruime tijd na ontvangst van de brief van de deurwaarder, éénmaal verzocht om overleg over de incassomogelijkheden. Daarmee heeft hij volstaan. [advocaat 1] heeft geen verdere actie ondernomen, ook niet nadat hij op 28 april 2003 een herinneringsbrief van de deurwaarder ontving. Niet gesteld of gebleken is dat [advocaat 1] naar aanleiding hiervan alsnog bij [gedaagde] heeft geïnformeerd naar de namen van de huurders of dat hij nogmaals heeft aangedrongen om overleg over (andere) incassomogelijkheden, noch is gesteld of gebleken dat hij zich anderszins heeft ingespannen om te trachten het voorschot te incasseren. Hij heeft weliswaar meerdere brieven aan [gedaagde] gestuurd waarin hij heeft aangedrongen op overleg over de nog in te stellen bodemprocedure en op het overleggen van stukken ten behoeve van die procedure, maar in geen van die brieven wordt nog gerept over het incasseren van het voorschot of het leggen van derdenbeslag.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat CMS Derks Star Busmann zich in de onderhavige procedure op het standpunt stelt dat het leggen van derdenbeslag nog steeds mogelijk is. In dat licht is de niet nader toegelichte mededeling van [advocaat 1] aan [gedaagde] in zijn brief van 8 oktober 2003, dat incassering van het voorschot niet eenvoudig en wellicht zelfs onmogelijk is, onbegrijpelijk en sterkt dit de rechtbank in haar oordeel dat [advocaat 1] zich onvoldoende heeft ingespannen om het voorschot te incasseren en aldus toerekenbaar tekort is geschoten jegens [gedaagde].

4.12 Voor wat betreft het verwijt van [gedaagde] aan [advocaat 1] betreffende de hoogte van het door de voorzieningenrechter toegekende voorschot, overweegt de rechtbank het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat in het kader van het door [advocaat 1] namens [gedaagde] gevoerde kort geding ter verkrijging van schadevergoeding onder meer een bedrag van EUR 7.000,00 werd gevorderd terzake de juridische bijstand die [advocaat 1] [gedaagde] in het kader van het kort geding tot schorsing heeft verleend. Voorts staat vast dat de voorzieningenrechter in haar vonnis van 8 oktober 2002 heeft overwogen dat deze kosten in principe voor vergoeding in aanmerking komen, maar niet worden toegewezen omdat ze niet zijn onderbouwd.

CMS Derks Star Busmann heeft aangevoerd dat het gevorderde bedrag van EUR 7.000,00 een gedeelte betrof van de in totaal aan [gedaagde] in rekening gebrachte kosten van rechtskundige bijstand voor zowel de kort gedingprocedure als de hoger beroepsprocedure tegen het ontruimingsvonnis. Dit bedrag werd op deze wijze gevorderd, omdat zij geen gescheiden administratie voerde voor wat betreft de werkzaamheden in het kader van de kort gedingprocedure en de hoger beroepsprocedure tegen het ontruimingsvonnis, aldus CMS Derks Star Busmann. Zij betoogt dat het voeren van een gescheiden administratie ondoenlijk was vanwege het feit dat vele werkzaamheden (zoals het bestuderen van stukken en het voeren van correspondentie) betrekking hadden op beide dossiers. Volgens CMS Derks Star Busmann heeft de voorzieningenrechter het gevorderde bedrag om deze reden afgewezen, hetgeen naar haar mening onterecht is.

Dit betoog treft geen doel. Uit het vonnis van 8 oktober 2002 blijkt niet dat de reden dat het bedrag van EUR 7.000,00 werd afgewezen, was gelegen in de wijze van administreren. In het vonnis staat dat het bedrag is afgewezen omdat terzake geen onderbouwing was overgelegd, hetgeen aansluit bij de stelling van [gedaagde] dat [advocaat 1] de onderliggende facturen niet in het geding had gebracht omdat hij dat niet nodig vond. Nu CMS Derks Star Busmann die stelling niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan en houdt zij het ervoor dat de reden van de afwijzing daarin is gelegen. Op grond daarvan komt de rechtbank tot de slotsom dat ook op dit punt sprake is van een tekortkoming van [advocaat 1]. Het betrof immers facturen van [advocaat 1] zelf, zodat hij deze eenvoudig in het geding had kunnen brengen.

4.13 Het betoog van [gedaagde] dat [advocaat 1] (voorts) toerekenbaar tekort is geschoten door geen bodemprocedure aanhangig te maken wordt verworpen. [advocaat 1] heeft [gedaagde] herhaaldelijk om nadere gegevens en bewijsstukken gevraagd en er bij haar op aangedrongen om een afspraak te maken voor het voeren van overleg over de bodemprocedure, te weten (in elk geval) bij brieven van 19 maart 2003, 21 maart 2003, 9 september 2003, 8 oktober 2003, 23 januari 2004 en 17 maart 2004. Voorts heeft hij op 16 maart 2004 (tevergeefs) een bezoek aan de tjalk van [gedaagde] gebracht in de hoop contact met haar te krijgen. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de verzoeken van [advocaat 1] en heeft de gevraagde gegevens niet aan hem verstrekt. Aldus is voor [advocaat 1] een onwerkbare situatie ontstaan en was hij gerechtigd zijn werkzaamheden neer te leggen.

Het betoog van [gedaagde] dat [advocaat 1] reeds over voldoende gegevens beschikte, maar daar onvoldoende gebruik van heeft gemaakt, wordt verworpen. Het is in beginsel aan de advocaat, die over bijzondere kennis en ervaring beschikt op het terrein van procederen, om te bepalen welke gegevens hij nodig heeft voor het (succesvol) instellen van een procedure, en niet aan de cliënt zelf. Het lag derhalve op de weg van [gedaagde] om [advocaat 1] in voldoende mate te informeren en om hem de gevraagde stukken te verschaffen. [gedaagde] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de nadere stukken waar [advocaat 1] haar om heeft verzocht niet relevant waren, of dat het verzoek van [advocaat 1] anderszins onredelijk was. Het feit dat in het kort gedingvonnis van 8 oktober 2002 een aantal van de gestelde schadeposten is afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, wijst er juist op dat in de te voeren bodemprocedure wel degelijk nadere bewijsstukken dienden te worden overgelegd.

Ook de stelling van [gedaagde] dat zij door haar gezondheidstoestand werd bemoeilijkt in de informatievoorziening aan [advocaat 1], treft geen doel. [gedaagde] heeft haar stelling dat zij aan de ziekte van Parkinson leidt en dat ze enige tijd overspannen is geweest door het geschil met de Plashoeve, op geen enkele wijze onderbouwd, laat staan dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat haar gezondheidstoestand zodanig was dat zij daardoor gedurende anderhalf jaar op geen enkel moment aan het herhaalde verzoek van [advocaat 1] gehoor kon geven.

verrekeningsafspraak

4.14 Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het geschil over het bestaan en de strekking van de verrekeningsafspraak waarop [gedaagde] zich beroept.

[gedaagde] stelt dat zij met [advocaat 1] heeft afgesproken dat [advocaat 1] de schadevergoeding zou incasseren en dat de openstaande declaraties daarmee zouden worden verrekend. [gedaagde] verbindt hieraan de gevolgtrekking dat zij niet gehouden is de declaraties te voldoen zolang er geen incasso heeft plaatsgevonden.

Voor zover CMS Derks Star Busmann heeft bedoeld te betogen dat in het geheel geen verrekeningsafspraak tussen [advocaat 1] en [gedaagde] is gemaakt, wordt dit betoog verworpen. Uit de brief van [advocaat 1] aan [gedaagde] van 8 oktober 2003 blijkt immers dat wel degelijk een (verrekenings)afspraak tussen [advocaat 1] en [gedaagde] is gemaakt.

De vraag is echter wat de inhoud en strekking van die afspraak is. Volgens [gedaagde] is [advocaat 1] ingevolge deze afspraak verplicht om de schadeclaim te incasseren en is die verplichting aan te merken als een resultaatsverbintenis, zodat het tekortschieten van [advocaat 1] bij de incassering tot gevolg heeft dat zij de declaraties niet meer hoeft te voldoen. Dit betoog wordt verworpen. De rechtbank neemt allereerst in aanmerking dat [gedaagde] niet heeft gesteld dat bij het maken van de verrekeningsafspraak door [advocaat 1] te kennen is gegeven dat zij de declaraties niet zou hoeven te voldoen indien de toegekende schadevergoeding niet zou worden geïncasseerd; het lijkt er veeleer op dat zij deze consequentie achteraf aan de gemaakte afspraak verbindt. Een verrekeningsafspraak met een dergelijke vergaande strekking, waarbij [advocaat 1] het incassorisico zou dragen, is echter hoogst ongebruikelijk. [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat dit de bedoeling van de tussen haar en [advocaat 1] gemaakte afspraak was. Zowel uit de brief van 8 oktober 2003 als uit de eigen stellingen van [gedaagde] blijkt dat de reden voor het maken van een verrekeningsafspraak was gelegen in de moeilijke financiële situatie van [gedaagde]. Tegen die achtergrond is moeilijk voorstelbaar dat het de bedoeling was dat [advocaat 1] het incassorisico zou overnemen; hij kwam haar immers reeds tegemoet door akkoord te gaan met betaling op een later tijdstip, te weten na incasso. Bovendien heeft [gedaagde] niet gesteld dat er voor [advocaat 1] iets tegenover het overnemen van het risico zou staan, terwijl een dergelijke tegenprestatie in geval van het aangaan van een resultaatsverplichting wel in de lijn der verwachting ligt. Zonder nadere toelichting is niet goed denkbaar waarom [advocaat 1] onverplicht het incassorisico op zich zou nemen zonder dat daar iets voor hem tegenover zou staan.

hoofdsom en rente

4.15 Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de op [advocaat 1] rustende verplichting om de schadevergoeding te incasseren is aan te merken als een inspanningsverbintenis, zodat [gedaagde] gehouden is de openstaande declaraties (althans het bedrag dat zal worden begroot door de Raad van Toezicht) te voldoen. De wanprestatie van [advocaat 1] doet hieraan niet af. De rechtbank is echter van oordeel dat die wanprestatie wel tot gevolg heeft dat CMS Derks Star Busmann geen aanspraak kan maken op rente over het openstaande declaratiebedrag. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het ervoor te worden gehouden dat De Plashoeve zou zijn veroordeeld om bij wijze van voorschot een bedrag van EUR 18.000,00 aan [gedaagde] te betalen en dat dit bedrag ook zou zijn geïncasseerd indien [advocaat 1] niet tekort zou zijn geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [gedaagde]. Ingevolge de verrekeningsafspraak zou het overgrote deel van het openstaande declaratiebedrag daarmee zijn voldaan, zonder dat [gedaagde] rente had hoeven te betalen. Ingevolge die afspraak is [advocaat 1] immers akkoord gegaan met uitstel van betaling tot na incasso.

Voor zover het door [gedaagde] verschuldigde (door de Raad van Toezicht te begroten) bedrag het bedrag van 18.000 te boven zou gaan, is het verschil tussen die bedragen zodanig beperkt dat de rechtbank het ervoor houdt dat [gedaagde] het (eventuele) na de verrekening resterende bedrag tijdig zou hebben voldaan, zodat zij daarover evenmin rente verschuldigd is.

incassokosten

4.16 CMS Derks Star Busmann vordert een bedrag van EUR 1.693,87 terzake buitengerechtelijke incassokosten, primair op grond van haar algemene voorwaarden, subsidiair op grond van artikel 6:96 lid 2 BW.

4.17 Voor wat betreft de primaire grondslag van de gevorderde incassokosten overweegt de rechtbank het volgende. [gedaagde] betoogt dat [advocaat 1] haar bij het aangaan van de overeenkomst niet op de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden heeft gewezen en dat deze haar ook niet ter hand zijn gesteld, zodat de algemene voorwaarden niet van toepassing dan wel vernietigbaar zijn. CMS Derks Star Busmann heeft hier onvoldoende tegen ingebracht. Zij heeft gesteld dat de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden op al haar briefpapier vermeld staat en dat [gedaagde] tientallen brieven heeft ontvangen. Uit deze stelling volgt echter nog niet dat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden reeds bij of voor het aangaan van de overeenkomst voor [gedaagde] kenbaar was, nu niet gesteld of gebleken is dat zij reeds voordien brieven van CMS Derks Star Busmann heeft ontvangen. Bovendien heeft CMS Derks Star Busmann haar stelling dat de algemene voorwaarden aan [gedaagde] ter hand zijn gesteld onvoldoende gemotiveerd. CMS Derks Star Busmann stelt dat de voorwaarden ‘zeker voor juli 1999 aan [gedaagde] ter hand zijn gesteld’. Wanneer dat dan precies is gebeurd en op welke wijze, licht CMS Derks Star Busmann echter niet toe. De rechtbank acht dit onvoldoende, te meer nu CMS Derks Star Busmann voorts stelt dat [gedaagde] de voorwaarden ‘kennelijk heeft ontvangen’, hetgeen haar stelling betreffende het ter hand stellen van de voorwaarden bepaald niet sterker of geloofwaardiger maakt. Nu CMS Derks Star Busmann bovendien geen bewijs heeft aangeboden op dit punt, houdt de rechtbank het ervoor dat de algemene voorwaarden niet aan [gedaagde] zijn verstrekt, zodat ze (voor zover al toepasselijk) vernietigbaar zijn. [gedaagde] is derhalve geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd op grond van de tussen haar en [advocaat 1] (dan wel CMS Derks Star Busmann) gesloten overeenkomst.

4.18 Vervolgens is de vraag aan de orde of [gedaagde] op grond van artikel 6:96 lid 2 BW gehouden is de gevorderde buitengerechtelijke kosten aan CMS Derks Star Busmann te voldoen De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. CMS Derks Star Busmann heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet daarom worden afgewezen.

vordering in reconventie; schade voor [gedaagde]?

4.19 De vordering van [gedaagde] in reconventie zal worden afgewezen, nu [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van [advocaat 1]. Niet gesteld of gebleken is dat het leggen van derdenbeslag onder de overige huurders thans niet meer mogelijk is of niet zal leiden tot incassering. Voorts valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom het instellen van een bodemprocedure, waarin de kosten van het schorsingskort geding alsnog kunnen worden onderbouwd, thans niet meer mogelijk zou zijn. [advocaat 1] heeft op 22 januari 2004 immers een exploot ter stuiting van de verjaring van de schadeposten uitgebracht. [gedaagde] heeft haar vordering derhalve onvoldoende onderbouwd, zodat deze reeds daarom dient te worden afgewezen.

proceskosten

4.20 De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten zowel in conventie als in reconventie te compenseren, nu de beide geschillen sterk verwant zijn en beide partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de geschilpunten betreffende de hoogte van het door CMS Derks Star Busmann aan [gedaagde] in rekening gebrachte honorarium;

veroordeelt [gedaagde] om aan CMS Derks Star Busmann de vergoeding te betalen voor de door [advocaat 1] in de periode van 6 juli 1999 tot en met 19 januari 2001 verrichte werkzaamheden en de door [advocaat 2] in de periode van 5 augustus 1999 t/m 30 juni 2000 verrichte werkzaamheden, zoals die door de Raad van Toezicht zal worden vastgesteld;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2007.