Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:AZ6964

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
SBR 06-4129
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Gebrek aan ruimtelijke onderbouwing onvoldoende voor toewijzing verzoek. Gebrek kan in bezwaar worden hersteld. Motivering. Bedrijven en milieuzonering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/4129

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2007

inzake

[verzoekster],

wonende te Bilthoven,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 7 november 2006 waarbij verweerder aan [vergunninghouder], [adres] te Leersum (hierna: vergunninghouder) vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning heeft verleend voor het oprichten van een woonhuis met bedrijfsruimte op zijn perceel.

1.2 Het verzoek is op 17 januari 2006 ter zitting behandeld, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.P. Berg, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S.E. Lagendijk en M.G.P. Derks, beiden werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Het perceel [adres] heeft in het geldende bestemmingsplan “Rijksstraatweggebied - west” de bestemmingen “verkoopruimte II” en “winkelerf”.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (hierna: de planvoorschriften) zijn de op de kaart voor verkoopruimte aangewezen gronden bestemd voor detailhandel, alsmede voor tenminste één woning per bebouwingsoppervlakte, zulks met inachtneming van wat in de navolgende leden van dit artikel, alsmede in de artikelen 23 en 24 is bepaald.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming, met dien verstande dat:

a. de goothoogte van de gebouwen categorie II niet meer mag zijn dan 6 m;

(…)

e. de inhoud van een woning niet minder dan 200 m³ mag zijn.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor winkelerf aangewezen gronden bestemd voor een erf ten behoeve van de aangrenzende winkel met woning.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de planvoorschriften, mogen op de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming, met dien verstande dat:

a. de goothoogte van aan- en bijgebouwen niet meer dan 3,50 m mag zijn, (…);

b. de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 2,50 m mag zijn, (…)

c. een winkelerf tot ten hoogste 60% van de van de oppervlakte met gebouwen bebouwd mag worden.

2.4 Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de planvoorschriften. De strijdigheid met het bestemmingsplan is gelegen in de omvang van de woning (440 m³ in plaats van 200 m³) en in een overschrijding van het bouwvlak aan de zijde van verzoekster en op het bouwen tussen de berging/wasplaats en de huidige bebouwing. Voorts overschrijdt het bouwwerk gedeeltelijk de toegestane goothoogte, en wel op het perceelsgedeelte waarop de bestemming “winkelerf” rust. Teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend.

2.5 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, aanhef en onder b, van de WRO, wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de formele vereisten voor het verlenen van de vrijstelling is voldaan.

2.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bouwplan wat de hoogte, omvang en situering betreft, geen ingrijpende inbreuk op het bestemmingsplan met zich brengt, hetgeen tot gevolg heeft dat de ruimtelijke onderbouwing aan minder hoge eisen dient te voldoen. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de ruimtelijke effecten van het bouwplan op de omgeving beperkt zijn. Op deze ruimtelijke effecten is in de ruimtelijke onderbouwing bovendien voldoende ingegaan, zodat niet gesteld kan worden dat het plan op de genoemde punten een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Zoals volgt uit hetgeen onder 2.4 is overwogen, wijkt het bouwplan slechts in beperkte mate af van de volgens het bestemmingsplan geldende bouwmogelijkheden. De muur aan de zijde van verzoekster bevindt zich bijvoorbeeld vrijwel geheel binnen het bebouwingsvlak. In het bouwplan wordt zelfs meer ruimte tussen het bouwplan en de woning van verzoekster aangehouden dan op basis van het bestemmingsplan zou hoeven. Dat het bouwplan op de eerste verdieping dichter bij de woning van eiseres komt te liggen dan thans het geval is, is niet van doorslaggevend belang bij onderhavige beoordeling.

2.7 Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder met de vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO, heeft bedoeld, naast vrijstelling voor het bouwen van de bedrijfsruimte en de daarbij behorende woning, vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het perceel voor de slachterij dat met de planvoorschriften in strijd is. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing, afgezien van de zinsnede dat het bouwplan niet past in de doeleindenomschrijving van de bestemming, niet is ingegaan op de vraag in hoeverre het gebruik past binnen de geldende planvoorschriften. In die zin is de ruimtelijke onderbouwing onvolledig te noemen. Desondanks is er geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat in bezwaar alsnog ingegaan kan worden op de vraag in hoeverre het gebruik past binnen de geldende planvoorschriften en alsnog kan worden voorzien in een – ook op dit punt – goede ruimtelijke onderbouwing.

2.8 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de slachterij op de geplande locatie in ruimtelijk opzicht namelijk niet onevenredig belastend. Daarbij is van belang dat het huidige bestemmingplan detailhandel toestaat. Voorts heeft verweerder in dit verband terecht opgemerkt dat in het gebied verschillende planologische functies met bedrijvigheid aanwezig zijn. Onvoldoende is komen vast te staan dat deze bedrijvigheid wordt verplaatst en dat het bouwplan in strijd is met die ontwikkeling.

Mede gelet op het feit dat geen sprake is van intensivering of uitbreiding van de slachtactiviteiten heeft verweerder daarbij het standpunt kunnen innemen dat de afstanden zoals vermeld in de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de VNG in het onderhavige geval niet van doorslaggevend belang zijn. Anders dan verzoekster heeft aangevoerd, is de voorzieningenrechter niet gebleken van een intensivering van de bedrijfsactiviteiten door vergunninghouder. Uit de door verzoekster overgelegde personeelsadvertentie kan een intensivering van de activiteiten niet worden afgeleid. Het slachten van dieren en het verwerken van vlees blijft in vergelijkbare omvang plaatsvinden. Verweerder heeft bovendien niet ten onrechte in zijn beoordeling betrokken dat voor de inrichting van vergunninghouder een vergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend.

2.9 Voor zover verzoekster heeft gewezen op de aantasting van haar privacy doordat er meer ramen zijn in de gevel die aan haar perceel grenst, overweegt de voorzieningenrechter dat de gevel aan de zijde van verzoekster nagenoeg geheel blijft binnen de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Voorts wordt vastgesteld dat de gevel is gesitueerd op een grotere afstand van meer dan 2m vanaf de perceelsgrens, zodat niet gehandeld wordt in strijd met Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. Voor het overige zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen evidente privaatrechtelijke belemmeringen op basis waarvan verweerder zijn medewerking aan het bouwplan diende te onthouden. Ter zitting heeft vergunninghouder bevestigd dat rond de bouwput een damwand zal worden geplaatst zodat er geen aanleiding is voor de vrees van het verschuiven van de ondergrondse olietank op het perceel van verzoekster. Dat de burenverhouding tussen verzoekster en vergunninghouder voor verbetering vatbaar is, heeft geen aanleiding hoeven vormen voor verweerder om zijn medewerking aan het bouwplan te onthouden.

2.10 Het verzoek dient gelet op het voorgaande te worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. drs. H. Maaijen mr. H.J.H. van Meegen

Afschrift verzonden op: