Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:AZ6210

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
SBR 06-4407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing van het besluit waarbij vergunning is verleend tot het slopen van de beddentoren van het voormalige WKZ tot twee weken na beslissing op bezwaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster terecht naar voren gebracht dat een sloopveiligheidsplan reeds bij de aanvraag had moeten worden overgelegd. Uit de gestelde voorwaarde dat een sloopveiligheidsplan voor aanvang van de sloop moet worden overgelegd, is af te leiden dat verweerder in dit geval een sloopveiligheidsplan noodzakelijk acht. Uit Bouwverordening en toelichting volgt dat in het geval een sloopveiligheidsplan noodzakelijk wordt geacht, dat dit bij de aanvraag dient te worden overgelegd. Eerdere gebeurtenissen bij sloop van andere delen van het WKZ hebben begrijpelijkerwijs tot verontrusting geleid. Tussen partijen ook niet in geschil dat van groot belang is dat de asbestsanering in het gebouw op een veilige wijze geschiedt. Gelet daarop, alsmede gelet op de omstandigheid dat verweerder heeft aangegeven reeds op 23 januari 2007 een beslissing op bezwaar te kunnen nemen en de voorbereidende werkzaamheden thans kunnen worden voortgezet, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te schorsen tot twee weken nadat verweerder beslissing op bezwaar heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/4407 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2007

inzake

Stichting Bewoners Belangen Museumkwartier,

gevestigd te Utrecht,

verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 23 augustus 2006, waarbij verweerder aan Centrum Maliebaan te Utrecht (hierna: vergunninghouder) een vergunning heeft verleend voor het slopen van de beddentoren van het voormalige Wilhelmina KinderZiekenhuis (hierna: WKZ), A.B.C.-straat, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie B, nr. 5163 (hierna: het gebouw).

1.2 Het verzoek is op 5 januari 2007 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen drs. C. van Oosten, werkzaam bij het Bureau Rechtsbescherming te Utrecht, vergezeld door P.Y. Sondaar, voorzitter van verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Oeveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Namens vergunninghouder is verschenen mr. A.A. Geelhoed, advocaat te Utrecht, vergezeld door

P.V. van der Linden, voorzitter van de Raad van Bestuur van vergunninghouder, en

M.J.H. Miltenburg, werkzaam bij Koole B.V.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Verzoekster wenst met haar verzoek te bewerkstelligen dat de sloop vooralsnog geen

doorgang vindt en dat verweerder, alvorens met alle werkzaamheden wordt aangevangen, een aantal garanties en verduidelijkingen geeft, gelet op de grote risico’s die zijn verbonden aan de sloop en gelet op de ervaringen met de sloop van een ander deel van het WKZ zes jaar geleden. Verzoekster acht het niet terecht dat de sloopvergunning is verleend, omdat sprake is van onzorgvuldigheid, onvolledigheid, onduidelijkheid en onjuistheid. Verzoekster wijst er daarbij onder meer op dat vergunninghouder bij zijn aanvraag voor de sloopvergunning geen sloopveiligheidsplan had bijgevoegd. Voorts stelt verzoekster dat tussen de aanvraag en de vergunningverlening bijna vier jaar heeft gelegen, waardoor de eerder gedane (asbest)onderzoeken niet meer voldoen aan de huidige eisen. In die periode heeft het gebouw leeggestaan en is het gekraakt geweest, waarbij volgens verzoekster door vernielingen asbest is vrijgekomen, waardoor een nieuwe asbestinventarisatie noodzakelijk is. Verder maakt verzoekster zich zorgen over de transformatoren en leidingen die door de sloop beschadigd kunnen raken en kortsluiting en brand kunnen veroorzaken. Verzoekster wijst er tevens op dat bij de vergunningaanvraag geen afvalstoffenlijst was gevoegd, terwijl er gezien het historische gebruik van het object chemisch afval vrij kan komen. Ook is volgens verzoekster nog geen inzicht gegeven in de wijze waarop de omliggende woningen worden beschermd en de onbelemmerde ontsluiting van de woningen wordt gegarandeerd.

2.4 Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat bezwaarmakers tot 16 januari 2007 de gelegenheid hebben om op het sloopveiligheidsplan van 17 november 2006 te reageren. Voorts heeft verweerder aangegeven dat uiterlijk 23 januari 2007 het besluit op bezwaar zal worden genomen. Vergunninghouder heeft aangegeven dat inmiddels voorbereidende werkzaamheden worden verricht op het terrein en dat vanaf komende week een aanvang kan worden gemaakt met de daadwerkelijke asbestsanering. Na de asbestsanering, die ongeveer drie maanden in beslag zal nemen, zal medio maart of begin april 2007 worden gestart met de daadwerkelijke sloop van het gebouw. Gelet op het geschetste tijdspad is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit, voor zover dat besluit ziet op de daadwerkelijke sloop van het gebouw. De voorzieningenrechter beperkt zich derhalve tot de werkzaamheden die samenhangen met de asbestsanering.

2.5 Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Utrecht (hierna: de Bouwverordening) is het verboden is bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge het derde lid van voormeld artikel, voor zover hier van belang, verbinden burgemeester en wethouders aan de sloopvergunning slechts voorschriften over:

(a) de veiligheid tijdens het slopen;

(b) de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;

(c) het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, tenminste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval.

Ingevolge artikel 8.1.2, tweede lid, aanhef en onder h, van de Bouwverordening moet de aanvraag inhouden een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder j, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder i, van voormeld artikel moet, indien van toepassing, de aanvraag inhouden het sloopveiligheidsplan.

Ingevolge artikel 8.1.6 van de Bouwverordening, voor zover hier van belang, moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

De toelichting bij dit artikel vermeldt dat deze weigeringsgronden limitatief bedoeld zijn.

De weigeringsgronden a en b strekken ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te kunnen tegenhouden.

2.6 De voorzieningenrechter leidt uit de overgelegde stukken en de nadere toelichting ter zitting af dat een asbestinventarisatie is verricht en dat er in het afgelopen jaar nog metingen in het gebouw zijn verricht en aanvullende onderzoeksrapportages zijn opgesteld. Dit neemt echter niet weg dat verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht naar voren heeft gebracht dat een sloopveiligheidsplan reeds bij de aanvraag had moeten worden overgelegd.

Daartoe wordt overwogen dat uit de toelichting op de Bouwverordening blijkt dat een sloopveiligheidsplan niet in alle gevallen noodzakelijk is, maar slechts in enkele risicovolle sloopprojecten. Uit de stukken en de in het besluit van 23 augustus 2006 opgenomen voorwaarde, inhoudende dat vergunninghouder minimaal één week voor aanvang van de sloopwerkzaamheden een sloopveiligheidsplan dient te overleggen, leidt de voorzieningenrechter af dat verweerder in dit geval een sloopveiligheidsplan noodzakelijk acht. In het geval een sloopveiligheidsplan noodzakelijk wordt geacht, volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit artikel 8.1.2 van de Bouwverordening - mede gelet op hetgeen in de toelichting bij de Bouwverordening onder meer op pagina 165 staat vermeld - dat dit bij de aanvraag dient te worden overgelegd.

2.7 Vergunninghouder heeft op 24 november 2006 een sloopveiligheidsplan gedateerd 17 november 2006 overgelegd. Gelet op het verhandelde ter zitting sluit de voorzieningenrechter niet uit dat de door verzoekster daartegen geuite bezwaren en de bij haar levende onduidelijkheden wat betreft de asbestsanering bij het besluit op bezwaar kunnen worden weggenomen. Verzoekster heeft van het plan evenwel eerst op 18 december 2006 kennis kunnen nemen, terwijl dit reeds bij de aanvraag van 23 december 2002 had moeten worden overgelegd. Daarbij komt dat de gebeurtenissen bij de sloop van andere delen van het WKZ begrijpelijkerwijs tot verontrusting bij omwonenden hebben geleid en tussen partijen niet in geschil is dat het van groot belang is dat de asbestsanering in het gebouw op een veilige wijze geschiedt. Gelet hierop, alsmede gelet op de omstandigheid dat verweerder heeft aangegeven reeds op 23 januari 2007 een beslissing op bezwaar te kunnen nemen en dat de voorbereidende werkzaamheden, die enige tijd in beslag nemen, thans kunnen worden voortgezet, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het besluit van verweerder van 23 augustus 2006 te schorsen tot twee weken nadat verweerder heeft beslist op verzoeksters bezwaar tegen dat besluit.

2.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de voorzieningenrechter tevens aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 wijst het verzoek toe;

3.2 schorst het besluit van verweerder van 23 augustus 2006 tot twee weken nadat verweerder heeft beslist op het bezwaar van verzoekster;

3.3 bepaalt dat het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage € 281,- aan haar wordt vergoed;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster in dit geding ten bedrage van € 644,-;

3.5 wijst de gemeente Utrecht aan als de rechtspersoon die de onder 3.3 en 3.4 genoemde bedragen dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2007.

De griffier De voorzieningenrechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op: