Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:AZ6188

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
199115/ HA ZA 05-1627
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sprintplan. Schending zorgplicht Aegon. Bewijsopdracht ihkv eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 199115 / HA ZA 05-1627

Vonnis van 10 januari 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M. Lanen,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht, tevens gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het AEGON Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting AEGON BeleggingsGiro gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. [Eiseres] heeft op 7 december 2000 een inschrijfformulier ondertekend, dat aan Spaarbeleg is toegestuurd. [Eiseres] heeft vervolgens een exemplaar van de Algemene Voorwaarden (hierna: “de Algemene Voorwaarden”) en een brochure (hierna: “de Brochure”) ontvangen. Voorts heeft zij een namens Spaarbeleg ondertekend certificaat (hierna: “het certificaat”) ontvangen. Aldus is tussen [eiseres] en Spaarbeleg per 2 januari 2001 een SprintPlan-overeenkomst (hierna : “de overeenkomst”) totstandgekomen.

2.3. De tekst van de Algemene Voorwaarden luidt voor zover relevant als volgt:

“5.1 Op de aanvangsdatum van een Spaarbeleg SprintPlan-contract worden voor rekening en risico van de Cliënt een aantal (…) Participaties van de desbetreffende serie aangekocht. De Aankoopsom wordt gefinancierd door AEGON Bank, die ervoor zorgt dat de Aankoopsom tijdig aan het AEGON GarantieFonds wordt betaald. De desbetreffende (…) Participaties worden op naam van Stichting AEGON BeleggingsGiro gesteld, die deze voor rekening en risico van de Cliënt gaat houden. Vanaf het moment waarop deze transactie is verricht, is de Cliënt Deelnemer in de desbetreffende Portefeuille.

5.2 Het door de Deelnemer op zijn inschrijfformulier vermelde maandbedrag is rente over de Aankoopsom van de voor hem aangekochte (…) Participaties. (...)

7.1 Bij afloop van het Spaarbeleg SprintPlan-contract van een Deelnemer op een einddatum van de desbetreffende Portefeuille, maken AEGON Bank en Stichting AEGON BeleggingsGiro voor die Deelnemer een eindafrekening op, die binnen twee weken na de einddatum aan de Deelnemer wordt toegezonden. Op de eindafrekening wordt vermeld:

(a) het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de (…) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor Deelnemer houdt, (b) de voor het desbetreffende Spaarbeleg SprintPlan-contract geldende (restant-) Aankoopsom en (c) al hetgeen de Deelnemer alsdan verder nog uit hoofde van zijn Spaarbeleg SprintPlan-contract aan AEGON Bank verschuldigd mocht zijn. Het saldo van de eindafrekening is het bedrag van de onder (a) bedoelde post, verminderd met het gezamenlijke bedrag van de onder (b) en (c) bedoelde posten. (...)

7.3 Indien het in artikel 7.1 bedoelde saldo van de eindafrekening negatief mocht zijn, is de Deelnemer verplicht tot bijbetaling van dit saldo aan AEGON Bank. (...)

8.4 In geval van vervroegde opzegging of beëindiging vindt vervroegde eindafrekening plaats. Het bepaalde (...) in artikel 7, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat (i) de in artikel 7.1 onder (a) bedoelde post van de eindafrekening wordt vervangen door een bedrag dat gelijk is aan de Dagwaarde van de (…) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor de Deelnemer houdt; (...)

9.3 Alle voor- en nadelen verbonden aan de Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro voor een Deelnemer houdt, zijn voor rekening en risico van de desbetreffende Deelnemer."

2.4. In de Brochure is onder andere de volgende tekst opgenomen:

“(...) Op basis van het gekozen maandbedrag, schiet Spaarbeleg direct een groot bedrag voor. (...) Makkelijk en aantrekkelijk is bovendien, dat u geen kennis van beleggen hoeft te hebben. De beleggingsexperts van AEGON beheren het AEGON GarantieFonds. (...)

Het werkt heel eenvoudig. Uw maandbedrag is een vergoeding (rente) voor het bedrag dat Spaarbeleg u voorschiet. Hoe lager die rente is, hoe groter het bedrag dat we u kunnen voorschieten. Door de lage rente van dit moment (8%) gaat er direct een groot bedrag voor u aan de slag! En daar profiteert u optimaal van omdat het rendement op dit voorgeschoten bedrag volledig voor u is. Het bedrag wordt belegd in het AEGON GarantieFonds. Na 5 jaar wordt de waarde van deze belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag.(...)

Maar misschien nog interessanter: het GarantieFonds biedt u de garantie dat het voorgeschoten bedrag na 5 jaar nooit in waarde kan dalen. U loopt dus alleen risico over uw rentebetalingen. (…)

Stel u doet mee voor f 250,- per maand. Op basis van een rente van 8 % wordt direct f 37.500,- voor u belegd in het AEGON GarantieFonds. Het bedrag gaat vanaf dag één volledig voor u renderen. Als de Samengestelde Index 12% per jaar stijgt, is de waarde van de belegging na 5 jaar f 66.088-. Na aftrek van het voorgeschoten bedrag ontvangt u f 28.588,-. (...)

De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. (...) Als de beurs onverwacht tegenvalt, loopt u risico over uw rentebetalingen. (...)

Eerder stoppen kan ook. U krijgt dan de waarde van uw SprintPlan, na aftrek van het voorgeschoten bedrag en 5% boeterente, uitgekeerd. Bij tussentijdse beëindiging komt de garantie op het voorgeschoten bedrag te vervallen.(…)”

2.5. De tekst van het certificaat luidt als volgt:

“ (...)

Maandbedrag : f 150,00

Belegd bedrag : f 22.500,00

Belegd in : Spaarbeleg GarantieFonds januari 01/05

Rente : 8,00% (...)

Garantiewaarde: f 22.500,00

(...)”

2.6. [Eiseres] heeft zich verbonden om ter uitvoering van de overeenkomst maandelijks een bedrag van EUR 68,07 (NLG 150,00) aan Spaarbeleg te betalen. Het maandbedrag is vanaf maart 2005 verlaagd tot EUR 22,69 (NLG 50,00). [Eiseres] heeft de overeenkomst bij brief van 9 mei 2005 buitengerechtelijk ontbonden. Zij heeft vanaf mei 2005 geen betalingen meer verricht.

2.7. [Eiseres] heeft voor of bij het sluiten van de overeenkomst geen tussenpersoon geraadpleegd.

3. Het geschil

3.1 [Eiseres] vordert, samengevat:

primair: een verklaring voor recht dat de overeenkomst per 11 mei 2005 buitengerechtelijk is ontbonden, met veroordeling van Spaarbeleg tot betaling van EUR 4.038,82, vermeerderd met rente alsmede een bedrag van EUR 1.222,73 ter zake buitengerechtelijke kosten;

subsidiair: ontbinding van de overeenkomst, met veroordeling van Spaarbeleg tot betaling van EUR 4.038,82, vermeerderd met rente alsmede een bedrag van EUR 1.222,73 ter zake buitengerechtelijke kosten;

één en ander te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

3.2 Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 [Eiseres] baseert haar vordering op diverse, niet altijd nauwkeurig te onderscheiden grondslagen. Zij heeft aangevoerd dat Spaarbeleg haar onvoldoende heeft gewezen op het feit dat zij het risico liep alle door haar verrichte maandelijkse betalingen kwijt te raken en dat alleen bij een waardestijging van de aandelen die hoger zou zijn dan de betaalde rente winst zou worden gemaakt. Indien zij dit had geweten, was zij de overeenkomst met Spaarbeleg niet aangegaan, aldus [eiseres]. Voor zover deze stelling als een beroep op dwaling zou moeten worden opgevat, geldt dat dit beroep niet opgaat nu [eiseres] geen vernietiging van de overeenkomst heeft gevorderd, maar een verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en subsidiair ontbinding van de overeenkomst.

Misleiding

4.2. [Eiseres] heeft aangevoerd dat de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie misleidend is. Zo wordt volgens haar het rendement gunstiger voorgespiegeld dan het in werkelijkheid is. Doordat Spaarbeleg in de schriftelijke informatie de term “garantie” gebruikt, verkeerde [eiseres] in de veronderstelling dat zij de maandelijks verrichte betalingen zou terugkrijgen. Zoals in eerdere vonnissen reeds is overwogen (zie voor een recent vonnis rechtbank Utrecht 29 november 2006, LJN AZ3654) is de rechtbank van oordeel dat, uitgaande van een gemiddelde, omzichtige en oplettende gewone consument, de verstrekte schriftelijke informatie wellicht verwarring wekte, doch niet misleidend is in de zin van artikel 6:194 BW. Het beroep op misleiding gaat dan ook niet op.

Schending zorgplicht

4.3. [Eiseres] heeft, kort gezegd, aangevoerd dat Spaarbeleg tekort is geschoten in haar zorgplicht, nu zij [Eiseres] onvoldoende heeft gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan het SprintPlan-product. Zij heeft voor het sluiten van de overeenkomst nadere informatie opgevraagd bij Spaarbeleg. De betreffende medewerker heeft toen aangegeven dat zij de inleg gegarandeerd terug zou krijgen aan het einde van de looptijd van de overeenkomst. Zij is uitgegaan van de juistheid van deze mededeling. Zij heeft in de dagvaarding aangevoerd dat Spaarbeleg gelet op de schending van de zorgplicht onrechtmatig heeft gehandeld.

4.4. Voor wat betreft haar persoonlijke omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft [eiseres] het volgende aangevoerd.

[Eiseres] was 27 jaar toen zij de overeenkomst afsloot. Zij heeft de PABO-opleiding gevolgd (Hbo). Zij was werkzaam als leerkracht op een basisschool. Haar bruto jaarsalaris bedroeg in 2000 NLG 53.350,00 en in 2001 NLG 61.672,00. In 2004 verdiende zij EUR 29.141,00 bruto per jaar. [Eiseres] woont alleen. Haar vaste lasten bedragen per maand EUR 750,00 (te weten EUR 514,14 aan huur, EUR 71,00 aan voorschot energiekosten, EUR 9,00 aan waterschapslasten, EUR 151,00 aan ziektekosten en EUR 10,00 aan telefoonkosten, welke kosten zij noodzakelijk maakt in verband met contacten met collega’s). Haar doel bij het sluiten van de overeenkomst was een behoorlijk bedrag te sparen. Haar lasten waren aldus EUR 750,00 per maand, terwijl zij een netto inkomen had van EUR 1.692,25 (inclusief vakantiegeld) per maand. Hierdoor kwam zij niet aan sparen toe. Zij beoogde aan het einde van de looptijd te beschikken over in ieder geval een behoorlijk spaarbedrag.

4.5. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2003, JOR 2003, 199 heeft overwogen dat op een bank een bijzondere zorgplicht rust om niet-professionele beleggers te informeren over de risico's van het product, en in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285 heeft overwogen "dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt." Deze zorgplicht – die naar zijn aard strekt tot bescherming van de (potentiële) cliënt tegen het gevaar van zijn eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht – vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de contractuele verhouding tussen financiële instellingen en haar particuliere cliënten, meebrengen.

4.6. De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 december 2004 (NJ 2005,60), onder meer herhaald in haar vonnis van 4 januari 2006 (NJ 2006,152) aangegeven dat de omvang van de zorgplicht wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer.

De rechtbank heeft in het vonnis van 22 december 2004 in dit verband onder meer overwogen:

Anders dan Spaarbeleg, is de rechtbank van oordeel, dat Spaarbeleg er niet zonder meer vanuit heeft kunnen gaan dat zij bij de verkoop van het product SprintPlan kon volstaan met alleen het verstrekken van informatie. De rechtbank constateert, dat nu Spaarbeleg op voorhand reeds had besloten dat een dergelijk onderzoek achterwege kon blijven, zij zichzelf de mogelijkheid heeft ontnomen om erachter te komen of de informatie die zij over een deelnemer kon verkrijgen, haar zou doen besluiten om het product SprintPlan niet aan die deelnemer te verkopen. Door haar besluit heeft Spaarbeleg geen inzicht kunnen verkrijgen in het doel van de belegging en de financiële positie en ervaring van de deelnemer. Indien na deze verificatie gebleken zou zijn dat het doel van de belegging sparen was, hetgeen door GeSp is gesteld, dan zou, zo neemt de rechtbank aan, Spaarbeleg deze mensen niet hebben geadviseerd om aan het SprintPlan deel te nemen, nu Spaarbeleg het SprintPlan als een beleggingsproduct beschouwt, waaraan risico's inherent zijn.

4.7. De rechtbank heeft in het vonnis van 4 januari 2006 in dit verband onder meer overwogen:

(…) dat de rechtbank van oordeel is dat mede gelet op de risico's van het SprintPlan Spaarbeleg niet kon volstaan met het alleen verstrekken van informatie. Door Spaarbeleg is naar aanleiding hiervan betoogd dat het SprintPlan een veilig product is met zeer beperkt risico's. Tot deze stelling komt Spaarbeleg onder meer omdat, anders dan bij andere aandelenlease-producten, de deelnemer aan het SprintPlan niet met een restschuld kan worden geconfronteerd. Zelfs bij tussentijdse verlaging of beëindiging van een SprintPlan blijft, volgens Spaarbeleg, de omvang van de risico's beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank lijkt Spaarbeleg hiermee te miskennen, dat een en ander onverlet laat dat (bij) het SprintPlan ook in het geval er geen tussentijdse verlaging of beëindiging plaatsvindt, het verlies van de betaalde rente ook als risico valt aan te merken. Hierbij geldt dat tussentijdse verlaging of beëindiging als zodanig het risico niet beperkt, nu de mogelijkheid blijft bestaan dat niettemin de rente over de oorspronkelijk resterende looptijd verschuldigd blijft.

De noodzaak om informatie in te winnen wordt, volgens de rechtbank, nog onderstreept doordat Spaarbeleg zich niet heeft gericht op een gesegmenteerd publiek. Door het product aan te bieden aan een niet gesegmenteerd publiek kan moeilijk worden volgehouden dat het voor Spaarbeleg op voorhand duidelijk kon zijn dat de aan het product verbonden risico's voor alle potentiële deelnemers beperkt waren en het product beantwoordde aan de beleggingsdoelstellingen van alle individuele deelnemers.

En voorts:

(…) dat om de aan het product verbonden risico's geheel te kunnen doorgronden de potentiële deelnemer wel de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden dient te combineren en enkele denkstappen dient te maken. Dit betekent dat de professionele aanbieder van het product, die als geen ander de risico's en de omvang daarvan kent, dient te verifiëren of de potentiële deelnemer inderdaad deze denkstappen heeft gemaakt mede in het licht van zijn beleggingsdoelstelling.

4.8. Vaststaat dat Spaarbeleg de beleggingsdoelstelling van [eiseres] niet heeft onderzocht, noch heeft geverifieerd of zij alle denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen. Aldus heeft Spaarbeleg niet voldaan aan haar zorgplicht, zodat zij onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld.

Ontbinding

4.9. [Eiseres] heeft aangevoerd dat zij gelet op het onrechtmatig handelen zijdens Spaarbeleg gerechtigd was de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Spaarbeleg heeft betwist dat [eiseres] gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden. Zij legt hieraan onder meer ten grondslag dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen op grond van de overeenkomst. [Eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar eerdere uitspraken van deze rechtbank, waarin is beslist dat een schending van de zorgplicht naast een onrechtmatige daad tevens een toerekenbare tekortkoming oplevert die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. De rechtbank is op dit oordeel teruggekomen in haar vonnis van 18 oktober 2006 (LJN AZ0660). In die zaak is geoordeeld dat een schending van de zorgplicht enkel kan worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad. Onder verwijzing naar de motivering in voornoemd vonnis concludeert de rechtbank dat ook in deze zaak geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming, maar van een onrechtmatige daad, zodat [eiseres] niet gerechtigd was en is de overeenkomst te ontbinden. De gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde ontbinding liggen dan ook voor afwijzing gereed.

Schade en causaal verband

4.10. [Eiseres] vordert betaling van een bedrag van EUR 4.038,82, zijnde volgens haar het totaal van de door haar verrichte maandelijkse betalingen. Zij heeft hieraan enerzijds ten grondslag gelegd dat dit bedrag de door haar geleden schade betreft en anderzijds dat dit bedrag onverschuldigd is betaald. Hoewel de primair gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en de subsidiair gevorderde ontbinding zullen worden afgewezen, zal de primair en subsidiair eveneens gevorderde betaling van een bedrag van EUR 4.038,82 in de beoordeling worden betrokken. Nu Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld, is zij immers aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade.

4.11. Volgens Spaarbeleg is niet gebleken dat [eiseres] de overeenkomst daadwerkelijk niet zou hebben gesloten indien Spaarbeleg meer specifieke informatie had verstrekt en onderzoek had gedaan naar de persoonlijke omstandigheden van [Eiseres]. Haars inziens is immers niet gebleken dat [eiseres] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in een zodanige financiële positie was dat zij de verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst niet zou kunnen nakomen. Daarbij gaat Spaarbeleg ervan uit dat [eiseres] op grond van de door haar verstrekte informatie bekend mocht worden verondersteld met het beleggingskarakter en de risico’s van het SprintPlan.

4.12. Uit hetgeen terzake het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg is overwogen volgt dat Spaarbeleg juist niet uit mocht gaan van de veronderstelling dat de risico’s van het SprintPlan [eiseres] voldoende duidelijk waren, noch zonder meer ervan uit mocht gaan dat het SprintPlan aansloot bij de beleggingsdoelstellingen van [eiseres]. Het enkele feit dat [eiseres] op zichzelf bereid en in staat was de maandelijkse rentebetalingen te doen is derhalve voor de beoordeling van het causaal verband niet van doorslaggevend belang.

Beoordeeld dient te worden of (aannemelijk is dat) de overeenkomst ook zou zijn gesloten indien [eiseres] afdoende bekend was geweest met de aard en omvang van het risico dat de maandelijks door haar te betalen termijnen verloren zouden gaan en/of Spaarbeleg had geïnformeerd naar haar beleggingsdoelstelling.

4.13. [Eiseres] heeft gemotiveerd (zie rechtsoverweging 4.3 en 4.4) aangevoerd dat zij beoogde met de overeenkomst te gaan sparen en aan het einde van de looptijd in ieder geval over het totaal van de maandelijks te betalen bedragen wenste te beschikken. Spaarbeleg heeft dit niet weersproken, maar heeft gesteld dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat zij geen beleggingservaring had. Voor de beoordeling van het causaal verband kan de aanwezigheid van beleggingservaring in die zin relevant zijn dat in geval een deelnemer kennis heeft van soortgelijke producten, die mogelijkerwijs ook al eens eerder door hem of haar zijn aangeschaft, het causaal verband tussen gestelde schade en het onrechtmatig handelen heel specifiek en concreet moet worden toegelicht. In zo’n geval is immers, zonder nadere toelichting, niet aannemelijk dat de deelnemer niet voor het SprintPlan-product zou hebben gekozen als Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten (zie het vonnis van deze rechtbank d.d. 23 augustus 2006 LJN AY 7074). De verplichting van een deelnemer aan het SprintPlan om het causaal verband te onderbouwen en inzichtelijk te maken, voert echter niet zo ver dat de deelnemer, indien er geen objectieve aanwijzingen bestaan dat zijn of haar beleggingservaringen het causaal verband zonder nadere toelichting niet aannemelijk maken, dient aan te tonen dat hij/zij geen beleggingservaring heeft. Nu Spaarbeleg terzake haar betwisting van het causaal verband geen concreet en zakelijk relevant bewijs van haar stellingen heeft aangeboden, gaat de rechtbank dan ook aan deze stellingen voorbij.

4.14. Op basis van hetgeen [eiseres] ter onderbouwing van het causaal verband heeft aangevoerd en gezien het gegeven dat aan de onderhavige overeenkomst inherent is dat niet kan worden gegarandeerd dat de deelnemer aan het einde van de looptijd zal beschikken over in ieder geval het totaal van de maandelijks verrichte betalingen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten. De rechtbank passeert derhalve het verweer van Spaarbeleg op dit punt.

4.15. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, nu de maandelijkse betalingen contractueel zijn verschuldigd en volgens haar geen gevolg zijn van schending van de zorgplicht. Uit het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende aannemelijk is dat de onderhavige overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten, vloeit echter voort dat de door [eiseres] maandelijks aan Spaarbeleg betaalde bedragen, anders dan Spaarbeleg meent, kunnen worden aangemerkt als schade geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg. Het verweer van Spaarbeleg gaat dan ook niet op.

Eigen schuld

4.16. Spaarbeleg stelt zich op het standpunt dat [eiseres] zich voldoende rekenschap had moeten geven van de risico’s van het product, door zich te verdiepen in het informatiemateriaal. Zij had bij onduidelijkheden nadere informatie moeten inwinnen. Door een en ander niet te doen dient naar de mening van Spaarbeleg de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van [eiseres] te komen.

4.17. Ten aanzien van haar besluitvorming betreffende de overeenkomst heeft [eiseres] aangevoerd dat zij voor het sluiten van de overeenkomst aan Spaarbeleg telefonisch inlichtingen heeft gevraagd over het SprintPlan. Zij heeft geen tussenpersoon geraadpleegd.

4.18. Gelijk de rechtbank in eerdere uitspraken heeft overwogen had de deelnemer, aldus ook [Eiseres], bij oplettende bestudering van de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat de deelnemer maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van de deelnemer participaties zou kopen in het AEGON Garantiefonds. Het lag dan ook op de weg van [eiseres] zich nader te informeren over de risico’s van het product en de vraag of het product wel aansloot bij haar wensen. [Eiseres] heeft aangevoerd dat zij telefonisch informatie heeft opgevraagd bij Spaarbeleg. De medewerker die zij aan de lijn kreeg heeft volgens haar gegarandeerd dat zij de maandelijks betaalde bedragen aan het einde van de looptijd zou terugkrijgen. Spaarbeleg heeft hieromtrent aangevoerd dat uit haar administratie niet blijkt dat [eiseres] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met haar contact heeft opgenomen, terwijl dergelijke gesprekken altijd worden geregistreerd. Zij heeft voorts aangevoerd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat één van haar medewerkers een dergelijke uitlating heeft gedaan. Alle medewerkers ontvangen een uitgebreide instructie over de producten van Spaarbeleg en de informatievoorziening aan de klanten. Het beantwoorden van vragen verloopt altijd conform die instructie. Er is voor Spaarbeleg geen aanleiding om te veronderstellen dat medewerkers in strijd met deze instructie hebben gehandeld, aldus Spaarbeleg. De rechtbank is van oordeel dat Spaarbeleg de stelling van [eiseres] dat haar is meegedeeld dat zij de maandelijks verrichte betalingen gegarandeerd terug zou krijgen gemotiveerd heeft betwist. Of Spaarbeleg, althans één van haar medewerkers, een dergelijke uitlating heeft gedaan, is van belang voor de beoordeling van de mate van eigen schuld aan de zijde van [eiseres]. Indien mocht komen vast te staan dat voormelde mededeling of een mededeling van gelijke strekking is gedaan, zal dit tot het oordeel leiden dat [eiseres] geen eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade. [Eiseres] heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat Spaarbeleg voormelde mededeling heeft gedaan door zichzelf als getuige te laten horen. Hoewel zij aldus waarschijnlijk alleen zichzelf als partij-getuige zal laten horen, zodat aan de af te leggen getuigenverklaring beperkte bewijskracht zal toekomen, ziet de rechtbank aanleiding om gelet op vaste jurisprudentie waaruit volgt dat de rechter de beslissing om bewijslevering al dan niet toe te staan niet mag baseren op een prognose omtrent het resultaat van die bewijslevering, [eiseres] tot bewijs van haar stelling toe te laten. De rechtbank overweegt voorts dat Spaarbeleg, anders dan [eiseres] heeft betoogd, niet is gehouden op voorhand aan te tonen dat [eiseres] geen contact met haar heeft opgenomen door middel van het overleggen van haar administratie.

4.19. Voor zover de door [eiseres] gestelde mededeling niet in rechte mocht komen vast te staan, overweegt de rechtbank thans reeds als volgt. Zoals door de rechtbank reeds is overwogen in haar vonnis van 18 oktober 2006 (LJN AZ0660) wordt bij de beoordeling van de eigen schuld vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige – die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten – beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de als gevolg van een schending van de zorgplicht geleden schade in beginsel voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, zodat de deelnemer in beginsel alleen risico loopt ter zake de maandelijkse betalingen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit gegeven er niet toe leidt dat Spaarbeleg er, anders dan bij andere aandelenleaseproducten, op mocht vertrouwen dat de cliënt bereid zou zijn de risico’s van het SprintPlan-product te nemen, juist omdat de informatie met betrekking tot wat dit product nu in de kern inhoudt zo verspreid over de verschillende contractstukken is opgenomen, dat de doorgronding van het product en de risico’s, zoals de rechtbank al meermalen heeft overwogen, de nodige denkstappen vergt, terwijl de stapsgewijze aanbieding van de informatie het gevaar in zich draagt dat relevante informatie niet (meer) zorgvuldig wordt bestudeerd.

4.20. In ieder individueel geval zullen evenwel de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld die van belang zijn voor de verdeling van de vergoedingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 BW. Voor de verdeling van de vergoedingsplicht kunnen, zoals in eerdergenoemd vonnis overwogen, de volgende omstandigheden van belang zijn:

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

4.21. Vaststaat dat [eiseres] werkzaam is als leerkracht in het basisonderwijs en de PABO heeft gevolgd, zijnde een Hbo-opleiding. Zij kan derhalve als hoog opgeleid worden beschouwd. Gezien haar leeftijd moet zij geacht worden de nodige levenservaring te hebben opgedaan. Van haar mocht om die reden worden verwacht dat zij, ook al had zij geen beleggingservaring, bij zorgvuldige lezing van alle door haar ontvangen informatie over het SprintPlan, eerder dan gemiddeld, kanttekeningen zou plaatsen bij haar indruk dat het hier handelde om een spaarproduct dat een zeker rendement op zou leveren. De rechtbank ziet hierin aanleiding de eigen verantwoordelijkheid die op iedere deelnemer van het SprintPlan rust om navraag te doen naar de aard en strekking van het product en meer in het bijzonder het rendement ervan, bij [Eiseres] enigszins zwaarder te wegen dan gemiddeld. De rechtbank acht om die reden - zulks enkel voor het geval [Eiseres] niet mocht slagen in het aan haar op te dragen bewijs - een verdeling van de schade, zodanig dat [eiseres] 50% en Spaarbeleg 50% dient te dragen, op zijn plaats.

4.22. Zoals in rechtsoverweging 4.18 is overwogen zal de rechtbank [eiseres] na te melden bewijsopdracht geven. Bij het oproepen van de getuige(n) moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.23. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

4.24. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 draagt [eiseres] op te bewijzen dat Spaarbeleg, althans één van haar medewerkers, in een telefoongesprek heeft gegarandeerd dat [eiseres] aan het einde van de looptijd van de overeenkomst het totaal van de door haar maandelijks verrichte betalingen zou terugkrijgen,

5.2 bepaalt dat, indien [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. L.M.G. de Weerd in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op vrijdag 20 april 2007 te 9:00 uur,

5.3 bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.4 bepaalt dat [eiseres], indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.5 bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2007.

w.g. griffier, w.g. rechter,

JJ