Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ6208

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-12-2006
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
SBR 06-2751
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BB8413, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. Eiser heeft belang bij oordeel na beëindiging van overtreding. Karakter van garage/berging als bijgebouw vloeit voort uit onherroepelijke bouwvergunning. Geen gerechtvaardigd beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/2751

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 december 2006

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 27 juni 2006, waarbij verweerder het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder eiser aangeschreven voor 16 januari 2006 de zonder bouwvergunning gerealiseerde schuur nabij zijn woning te verwijderen, onder oplegging van een dwangsom van € 3.000,- per week, tot een maximum van € 75.000,-.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 1 december 2006, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.H. Raadgever, advocaat te Vleuten. Namens verweerder zijn verschenen A. Swanink en A.H. Chaudron, beiden werkzaam bij de gemeente Woerden.

Overwegingen

2.1 Vaststaat dat eiser de schuur inmiddels nagenoeg geheel heeft afgebroken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 december 2003, AB 2004/117, is de rechtbank van oordeel dat eiser desondanks belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de aan hem opgelegde last onder dwangsom, te meer nu hij in dit verband heeft gewezen op de door hem geleden schade.

2.2 In het bestemmingsplan “Buitengebied [woonplaats] 2001” heeft het perceelsgedeelte waarop het onderhavige bouwwerk is gerealiseerd de bestemmingen “Wonen” en “Agrarisch gebied”. Op het gedeelte met de bestemming “Agrarisch gebied” mag niet worden gebouwd.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften, mogen op de gronden bestemd voor “Wonen” uitsluitend worden gebouwd:

a. woningen;

b. bijgebouwen, waaronder begrepen hobbykassen, dierenverblijven en soortgelijke gebouwen;

c. (..)

Ingevolge artikel 12, derde lid, aanhef en onder h, van de planvoorschriften, geldt voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 2, dat de gezamenlijke oppervlakte van bij een zelfde woning behorende bijgebouwen niet meer dan 50 m² mag bedragen, mits de bij een woning behorende gronden als bedoeld in lid 1, voor ten minste 50% onbebouwd blijven, de oorspronkelijke woning en de gronden daaronder niet meegerekend.

Ingevolge artikel 12, derde lid, aanhef en onder j, van de planvoorschriften mag de hoogte van een bouwwerk niet meer bedragen dan 5,75 m en de goothoogte niet meer dan 3 m.

Ingevolge artikel 12, vierde lid, van de planvoorschriften, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3, onder h, ten behoeve van het bouwen van bijgebouwen tot een gezamenlijke oppervlakte van 50% van de oppervlakte van de voormalige bedrijfsbebouwing, die voorkomt op de bij de betreffende woning behorende gronden, met een maximum van 200 m², mits vaststaat dat die voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt.

2.3 Tussen partijen is niet in geschil dat de zonder bouwvergunning gerealiseerde schuur door de situering (deels buiten het bouwvlak) reeds in strijd is met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan.

2.4 Nu gebouwd is in strijd met het bestemmingsplan is verweerder bevoegd om handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5 Eiser heeft aangevoerd dat hij overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de planvoorschriften een schuur van 50 m² mag realiseren dan wel vergunningvrij een schuur van 30 m² mag oprichten. Eiser heeft in dit verband, onder verwijzing naar uitspraken van de ABRvS aangevoerd dat de eerder vergunde inpandige garage niet als (vrijstaand) bijgebouw kan worden aangemerkt maar een onlosmakelijk onderdeel van het hoofdgebouw is.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat de schuur kan worden gelegaliseerd omdat hij vanaf het begin op het perceel agrarische werkzaamheden (heeft) verricht, zoals het onderhouden van een hoogstamboomgaard en het houden van meerdere fokschapen, zodat op basis van de voorheen geldende agrarische bestemming aan het realiseren van de schuur medewerking kon worden verleend. Deze medewerking zou volgens eiser kunnen bestaan uit het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een vrijstelling als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de planvoorschriften. Met betrekking tot het laatste heeft eiser gewezen op de bouwvergunning verleend aan zijn achterbuurman [derde] (hierna: [derde]) die, evenals eiser, op zijn perceel ook hobbymatig agrarische activiteiten verricht en die ook, net als eiser, oude bebouwing van het perceel heeft verwijderd. In ruil daarvoor heeft [derde] een bijgebouw van 200 m² mogen oprichten. Een juiste toepassing van het gelijkheidsbeginsel brengt volgens eiser met zich dat ook in zijn geval een bouwvergunning wordt verleend.

2.6 De rechtbank stelt voorop dat aan eiser in 1997 overeenkomstig zijn aanvraag een bouwvergunning is verleend voor het geheel vernieuwen van een woning met een garage en een berging. De aanvraag had betrekking op een hoofdgebouw van 536 m³ en daaraan verbonden een bijkeuken en een berging, die tesamen een oppervlakte hebben van 50 m². Zowel de bijkeuken als de berging zijn in de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekening aangemerkt als een bijgebouw. De op basis van deze bouwtekening verleende bouwvergunning heeft formele rechtskracht verkregen, zodat de met de woning verbonden garage en bijkeuken naar het oordeel van de rechtbank als bijgebouw moeten worden aangemerkt. Of er sprake is van een aangebouwd of vrijstaand bijgebouw doet dan niet ter zake. Gelet op de onherroepelijke bouwvergunning komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de garage en de bijkeuken architectonisch en functioneel aan het hoofdgebouw ondergeschikt zijn. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat op het perceel reeds een bijgebouw aanwezig is en de in het bestemmingsplan vervatte mogelijkheid voor bijgebouwen inmiddels is benut.

2.7 Met betrekking tot eisers stelling dat hij zonder bouwvergunning in ieder geval een bijgebouw van 30 m² mag realiseren overweegt de rechtbank dat, hoewel verweerder ter zitting heeft erkend dat op het perceel een bijgebouw van dergelijke omvang mag worden opgericht mits aan de voorwaarden van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wordt voldaan, deze stelling niet tot de conclusie kan leiden dat de last te verstrekkend is. Alhoewel door verweerder ter zitting is erkend dat de schuur waarschijnlijk geen 7 m hoog is, zoals eerder werd aangenomen, is niet in geschil dat de maximale hoogte voor een bouwvergunningvrij bouwwerk ruimschoots wordt overschreden, waardoor een beperking van de aanschrijving tot het deel van de schuur dat de toegestane oppervlakte maten voor een bouwvergunningvrij bouwwerk overtreft niet realistisch. Verweerder heeft de last derhalve terecht gericht op de afbraak van de hele schuur.

2.8 De rechtbank is voorts van oordeel dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen nu vaststaat dat [derde], anders dan eiser, gebouwd heeft met inmiddels onherroepelijke bouwvergunningen, nog daargelaten of de situaties van eiser en van [derde] met elkaar vergelijkbaar zijn door een andere bestemming en het feit dat [derde] grootschalige bebouwing heeft verwijderd. In dit verband heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser voor het verkrijgen van de bouwvergunning voor de woning met een garage en een berging voormalige bedrijfsbebouwing heeft gesloopt zodat geen toepassing kan worden gegeven aan de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 12, vierde lid, van de planvoorschriften.

2.9 De door eiser aangevoerde bezwaren kunnen gelet op het voorgaande niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in ’t Veld en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2006.

De griffier: De rechter:

mr. drs. H. Maaijen mr. drs. R. in ’t Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.