Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ5897

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
SBR 06/1280 en 06/1342
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BB2475, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom om illegaal gebruik van schuur te staken. Voorheen agrarische schuur is verbouwd en geschikt gemaakt voor een kantoorfunctie en als zodanig verhuurd.

De rechtbank overweegt dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftenprocedure. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten geen toepassing gegeven aan artikel 7:3 van de Awb, terwijl ook anderszins niet is gebleken van een voldoende rechtvaardiging om het horen in deze zaken achterwege te laten. De door gemachtigde van verweerder ter zitting genoemde werkdruk levert in ieder geval niet een dergelijke rechtvaardiging op. Voorts hebben de door verweerder genoemde hoorzittingen niet plaatsgevonden in het kader van de behandeling van de betreffende bezwaarschriften van eisers, terwijl tevens sprake is van zodanige omstandigheden - zo heeft verweerder zijn standpunt gewijzigd door één van de aanschrijvingen te beperken zoals beschreven onder overweging 2.1 - dat ook daarom het houden van een hoorzitting was aangewezen.

Voorts had het op de weg van verweerder gelegen om (nader) te onderzoeken of de door eisers genoemde gevallen kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen, nu eisers duidelijk hebben aangegeven (met adressen) welke situaties zij vergelijkbaar achten en verweerder geacht mag worden over de relevante gegevens te beschikken om dit te beoordelen.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/1280 en SBR 06/1342

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2006

inzake

1. [eiser],

2. [eiseres]

te De Meern, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep van eiser onder 1 (zaaknummer SBR 06/1280) heeft betrekking op het besluit van verweerder van 27 februari 2006 waarbij eisers bezwaarschrift tegen een besluit van

12 mei 2005 gedeeltelijk gegrond is verklaard. Bij het laatstgenoemde besluit was eiser onder dreiging van een dwangsom aangeschreven om het illegale gebruik (als kantoor) van een schuur op het perceel Zandweg 72A te Utrecht voor 1 september 2005 te (laten) staken en gestaakt te (doen) houden en om de illegaal uitgevoerde verbouwing ongedaan te maken en de schuur in de oude staat te (laten) herstellen.

Het beroep van eiseres onder 2 (zaaknummer SBR 06/1342) heeft betrekking op het besluit van verweerder van 27 februari 2006 waarbij haar bezwaarschrift tegen een besluit van

12 mei 2005 ongegrond is verklaard. Bij het laatstgenoemde besluit van 12 mei 2005 was eiseres onder dreiging van een dwangsom aangeschreven om het illegale gebruik (als kantoor) van een schuur op het perceel Zandweg 72A te Utrecht voor 1 september 2005 te staken en gestaakt te houden.

1.2 De beroepen zijn behandeld ter zitting van 27 september 2006, waar eiser onder 1 in persoon is verschenen. Beide eisers zijn ter zitting vertegenwoordigd door mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal. Namens verweerder is verschenen mr. H.P. de Keijzer, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Overwegingen

2.1 In de periode van 2003 tot en met 2004 heeft eiser onder 1 een op het perceel staande schuur gerenoveerd en verbouwd. Bij de verbouwing zijn (met name) enkele (deur)openingen in de buitengevel aangepast, en er heeft een renovatie van metselwerk en dakbedekking plaatsgevonden. Van binnen is de schuur verbouwd en geschikt gemaakt voor een kantoorfunctie. De schuur is aan eiseres onder 2 verhuurd.

Gelet op de inhoud van de thans bestreden besluiten eist verweerder niet meer dat de verbouwingen ongedaan worden gemaakt, maar moet wel het kantoorgebruik worden beëindigd. Een verzoek om voorlopige voorziening van eisers in verband met de bestreden besluiten van 27 februari 2006 is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 31 juli 2006 afgewezen, omdat de dwangsommen reeds waren verbeurd.

2.2 Verweerder heeft bij (primair) besluit van 8 oktober 2004 aan eiser onder 1 medegedeeld geen medewerking te verlenen aan een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het vestigen van een zelfstandige kantoorfunctie in de agrarische opstal op het betreffende perceel. Bij (primair) besluit van

16 november 2004 heeft verweerder eiser voorts medegedeeld dat geen vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO wordt verleend.

Bij besluit (op bezwaar) van 20 april 2005, verzonden 27 april 2005, is eisers bezwaarschrift tegen de weigering om vrijstelling te verlenen, ongegrond verklaard voor zover het betreft verweerders weigering om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 15 van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) en niet-ontvankelijk is verklaard voor zover het betreft verweerders weigering om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 19 leden 1 en 3 van de WRO.

Vervolgens hebben deze rechtbank, op 29 augustus 2005, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, op 28 juni 2006, uitspraak gedaan in verband met de weigering van de vrijstellingen. In laatstgenoemde uitspraak is verweerder onder meer opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen voornoemd besluit van 8 oktober 2004. Wat betreft de weigering van de vrijstelling van 16 november 2004 is in hoger beroep geoordeeld dat verweerder het bezwaar daartegen terecht ongegrond heeft verklaard.

2.3 Allereerst overweegt de rechtbank dat zij de stelling van gemachtigde van eisers dat de bestreden besluiten onbevoegd zijn genomen, omdat de naam niet is vermeld van degene die de handtekening daaronder heeft geplaatst, niet juist acht. Onder de bestreden besluiten is aangegeven welke functie degene heeft die het besluit namens verweerder heeft ondertekend, terwijl die functionaris, zoals verweerder heeft bevestigd, gemandateerd is om dat te doen. Overigens kan de rechtbank de naam van de ondertekenaar wel opmaken uit de ondertekening en is het de rechtbank ambtshalve bekend dat die persoon inderdaad het hoofd van de Afdeling Juridische Zaken van de gemeente Utrecht is.

2.4 Voorts hebben eisers gesteld dat zij voorafgaand aan de bestreden besluiten ten onrechte niet zijn gehoord. Verweerder heeft dienaangaande opgemerkt dat er al tot twee keer toe een hoorzitting is geweest, waarbij de ter plaatse spelende belangen en omstandigheden aan de orde zijn gekomen.

De rechtbank overweegt dat uit de Awb en de jurisprudentie op dit punt naar voren komt dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftenprocedure. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten geen toepassing gegeven aan artikel 7:3 van de Awb, terwijl ook anderszins niet is gebleken van een voldoende rechtvaardiging om het horen in deze zaken achterwege te laten. De door gemachtigde van verweerder ter zitting genoemde werkdruk levert in ieder geval niet een dergelijke rechtvaardiging op. Voorts hebben de door verweerder genoemde hoorzittingen niet plaatsgevonden in het kader van de behandeling van de betreffende bezwaarschriften van eisers, terwijl tevens sprake is van zodanige omstandigheden – zo heeft verweerder zijn standpunt gewijzigd door één van de aanschrijvingen te beperken zoals beschreven onder overweging 2.1 – dat ook daarom het houden van een hoorzitting was aangewezen.

Reeds vanwege het voorgaande komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking.

2.5 Met betrekking tot de stelling van eisers dat de bestreden besluiten niet zijn genomen binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een zodanige lange duur dat schending van die bepaling aan de orde is. Verweerders primaire besluiten in deze zaken dateren van mei 2005, terwijl de bestreden besluiten ongeveer 9 maanden nadien zijn genomen.

2.6 Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1e partiële herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden".

Ingevolge artikel 3, onderdeel A, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor het agrarische bedrijf met daarbij behorende bedrijfsgebouwen en bedrijfsterreinen.

Ingevolge artikel 27 A, onderdeel B, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan de bijbehorende grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 27 A, onderdeel C, van de planvoorschriften verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde onder A, leden 1 en 2 en van het bepaalde onder B, indien strikte toepassing daarvan leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Mede gelet op hetgeen onder 2.2 is weergegeven is sprake van een ter plaatse niet toegestaan gebruik. Derhalve was verweerder bevoegd daartegen handhavend op te treden.

Ter zitting heeft gemachtigde van eisers gewezen op het bepaalde in artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de omstandigheid dat de laatste herziening van het hier geldende bestemmingplan al dateert van 1982. In verband daarmee heeft hij betoogd dat het bestemmingsplan geen rechtskracht meer heeft en dat eisers daaraan niet meer gebonden kunnen worden geacht. Mede gelet op de jurisprudentie ter zake - de rechtbank wijst bijvoorbeeld op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 januari 2005, met het nummer 200404831/1, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl - kan de omstandigheid dat het bestemmingsplan niet binnen de in artikel 33 van de WRO genoemde termijn is herzien niet de door eisers gestelde rol spelen. Het betreft hier een termijn van orde. Van belang is slechts het bestemmingsplan zoals dat geldt.

2.7 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.8 Mede gelet op de weigering van verweerder om vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een kantoor ter plaatse is van concreet zicht op legalisatie geen sprake.

2.9 Met betrekking tot de vraag of er andere bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhaving overweegt de rechtbank het volgende.

Eisers betogen met name dat verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat dit optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij wijzen eisers op een groot aantal kantoren in de nabijheid van het hier in geding zijnde perceel.

Verweerder heeft hier met name tegenin gebracht een verwijzing naar de overwegingen in de eerder genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter (met name overweging 2.7 in de zaken met de nummers SBR 05/1266 VV en SBR 05/1291 VV). Volgens verweerder is onvoldoende sprake van gelijke omstandigheden wat betreft inhoud bestemmingsplan, omvang en bestaansduur.

Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om (nader) te onderzoeken of de door eisers genoemde gevallen kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen, nu eisers duidelijk hebben aangegeven (met adressen) welke situaties zij vergelijkbaar achten en verweerder geacht mag worden over de relevante gegevens te beschikken om dit te beoordelen. Een enkele verwijzing naar de overwegingen in de uitspraak op eerdere verzoeken om voorlopige voorziening, welke procedure zich overigens naar zijn aard minder leent om een en ander tot in de details uit te zoeken, acht de rechtbank in dit geval ontoereikend. Daarbij speelt eveneens een rol de niet onaannemelijke stelling van eisers dat in de omgeving van het in geding zijnde perceel het agrarische karakter sterk is verminderd in verband met de ontwikkeling van de wijk Leidsche Rijn. Verweerders stelling dat eisers een gedeelte van de volgens hen vergelijkbare situaties te laat naar voren hebben gebracht, volgt de rechtbank evenmin, nu een en ander al is gesteld in de aanvullende gronden van beroep van 30 maart 2006.

2.10 Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond en komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, op de betreffende bezwaarschriften van eisers moeten beslissen. Daarbij zal verweerder zonodig tevens kunnen ingaan op de door eisers gestelde schadevergoeding.

2.11 Tevens is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 944,- als kosten van verleende rechtsbijstand (2 x 1 punt voor het indienen van een beroepschrift door de gemachtigde en 1 punt voor het verschijnen ter zitting door de gemachtigde x factor 1 x € 322,-). Voorts moet het door eisers betaalde griffierecht aan hen worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten van 27 februari 2006;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar te nemen;

3.4 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van (in totaal)

€ 282,- aan hen vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten van eisers in dit geding ten bedrage van € 966,-;

3.6 wijst de gemeente Utrecht aan als de rechtspersoon die de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen dient te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in 't Veld en in het openbaar uitgesproken

op 25 oktober 2006.

De griffier: De rechter:

mr. E.M. Tol mr. drs. R. in ’t Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.