Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ5227

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
01-03-2007
Zaaknummer
218918/HA ZA 06-2190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Exceptie van onbevoegdheid verworpen. Rechtbank Utrecht bevoegd o.g.v. art. 5 aanhef en onder lid 1 sub A Eex-Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 218918 / HA ZA 06-2190

Vonnis in incident van 20 december 2006

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

5. [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

6. [eiser sub 6]

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

procureur mr. B.F. Keulen,

tegen

[gedaagde],

wonende te (SW 35LS) [woonplaats], Groot-Brittanië,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

procureur mr. P.J. Soede.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid

- conclusie van antwoord.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1 [Eisers] zijn allen erfpachter van een perceel grond (met opstallen) rondom het Kasteel De Haar te Haarzuilens. Deze percelen maken deel uit van landgoed Haarzuilens.

2.2 In 2000 heeft [gedaagde], als eigenaar van het landgoed Haarzuilens, samenwerkingsafspraken gemaakt met de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, verder te noemen: Natuurmonumenten, voor de herstructurering van Kasteel De Haar en landgoed Haarzuilens. Doel van de samenwerking tussen [gedaagde] en Natuurmonumenten is om een financiële basis te verschaffen voor het voortbestaan van Kasteel De Haar met bijbehorende gebouwen en gronden als cultuurhistorisch monument en het in stand houden van het landgoed als een gebied met grote landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden.

2.3 De samenwerking tussen [gedaagde] en Natuurmonumenten houdt in dat landgoed Haarzuilens wordt overgedragen aan Natuurmonumenten, behoudens voor zover rechten van derden daaraan in de weg staan. Natuurmonumenten heeft de verplichting tot het beheer van het gehele landgoed Haarzuilens op zich genomen. Kasteel De Haar inclusief de bijbehorende tuinen en het park is eigendom van Stichting Kasteel De Haar, waarin Natuurmonumenten voor vijftig procent participeert.

2.4 Bij de overdracht van de gronden is een voorbehoud gemaakt ten aanzien van percelen waarop voorkeursrechten van derden zijn gevestigd. Dit zijn voorkeursrechten van pachters, erfpachters en voorkeursrechten op basis van de Wet Voorkeursrecht Gemeenten. Voor zover derden van dat voorkeursrecht afstand hebben gedaan, onder wie alle pachters verenigd in de Pachtvereniging Haarzuilens, zijn de desbetreffende percelen meegenomen in de overdracht. Waar derden niet van hun voorkeursrecht hebben afgezien, is de eigendom van de desbetreffende percelen in handen van [gedaagde] gebleven. [Gedaagde] heeft zich jegens Natuurmonumenten verbonden die percelen alsnog over te dragen zodra rechten van derden daaraan niet meer in de weg staan.

2.5 De erfpachtvoorwaarden, zoals die voor [eisers] gelden, bevatten een voorkeursrecht van koop. Dit voorkeursrecht houdt in dat indien de grondeigenaar tijdens de duur van het erfpachtrecht tot vervreemding van de in erfpacht uitgegeven grond wil overgaan, hij verplicht is de grond allereerst te koop aan te bieden aan de erfpachter.

2.6 [Eisers] maken onderdeel uit van de groep erfpachters die niet, althans niet dan tegen een tegemoetkoming, van hun voorkeursrecht hebben willen afzien

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1 [Eisers] vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat [gedaagde], door met Natuurmonumenten de in het lichaam van de dagvaarding nader omschreven transactie aan te gaan met betrekking tot de aan hen in erfpacht uitgegeven percelen, toerekenbaar jegens hen tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van het voorkeursrecht;

2. [Gedaagde] te bevelen om, uiterlijk 15 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, (de eigendom van) de aan hen in erfpacht uitgegeven percelen aan hen, [eisers], schriftelijk te koop aan te bieden in overeenstemming met het daaromtrent bepaalde in de erfpachtvoorwaarden, zulks op verbeurte van een dwangsom;

3. [Gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hen van de aan hun zijde gemaakte buitengerechtelijke kosten, te begroten op een bedrag van EUR 9.500,--;

4. [Gedaagde] te verwijzen in de kosten van deze procedure.

3.2 [Eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van het voorkeursrecht, zoals is opgenomen in de erfpachtakten met betrekking tot de aan hen in erfpacht uitgegeven percelen. [Eisers] voeren aan dat zij aanspraak kunnen maken op nakoming van een contractueel voorkeursrecht op grond van schending van dat voorkeursrecht door [gedaagde].

4. De beoordeling in het incident

4.1 [Gedaagde] vordert in de eerste plaats dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Hij voert daartoe aan dat de exclusieve bevoegdheid van artikel 22 sub 1 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder te noemen: EEX-Vo), beperkt is tot zakelijke rechten op en rechten van huur en pacht van onroerende goederen. In het onderhavige geval is van een zakelijk recht dan wel een recht van huur of pacht volgens [gedaagde] geen sprake. Hij stelt dat [eisers] zich baseren op een voorkeursrecht van koop dat onderdeel uitmaakt van een erfpachtsrecht. Dit recht is volgens [gedaagde] een persoonlijk recht waarvoor het bepaalde in artikel 22 sub 1 EEX-Vo niet geldt. Voor zover [eisers] zich, wat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter betreft, baseren op het bepaalde in artikel 6 onder e Rv. stelt [gedaagde] dat genoemd artikel niet van toepassing kan zijn, aangezien de nationale regeling van de rechtsmacht, zoals opgenomen in artikel 1 e.v. Rv. alleen dan van toepassing is indien geen verdrag en ook niet de EEX-Vo van toepassing is. [gedaagde] stelt dat de EEX-Vo, ook volgens [eisers], wel van toepassing is.

4.2 [Eisers] concluderen om, bij vonnis, de door [gedaagde] opgeworpen exceptie van onbevoegdheid af te wijzen casu quo om zich bevoegd te verklaren kennis te nemen van hun vordering(en), alsmede de zaak verder in behandeling te nemen in de staat waarin deze zich ten tijde van het opwerpen van de bevoegdheids-exceptie bevond, kosten rechtens.

4.3 Nu [gedaagde] woonachtig is op het grondgebied van een andere staat dan Nederland en de vorderingen uit dien hoofde een internationaal karakter dragen, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vorderingen kennis te nemen. Aangezien de EEX-Vo verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten van de Europese Unie en Nederland en Groot Brittanië beide lidstaat zijn van de Europese Unie, dient de rechterlijke bevoegdheid beoordeeld te worden op basis van deze verordening.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. Al aangenomen dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 22 sub 1 EEX-Vo, zoals door [gedaagde] is gesteld en door [eisers] gemotiveerd is betwist, dan is de Nederlandse rechter bevoegd om op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 1 sub a EEX-Vo kennis te nemen van de geschillen die partijen verdeeld houden. Krachtens deze bepaling is ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, het gerecht bevoegd van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5 lid 1 sub a EEX-Vo, nu het voorkeursrecht is opgenomen in een (notariële) erfpachtakte, die op haar beurt de neerslag vormt van een tussen de erfpachter en de erfverpachter gesloten obligatoire overeenkomst betreffende de uitgifte in erfpacht. De omstandigheid dat deze rechten en verplichtingen uit hoofde van de erfpacht in sommige gevallen naderhand zijn overgegaan op een opvolgend erfpachter, doet aan het vorenstaande niet af, nu de verbintenis uit hoofde van het voorkeursrecht een verbintenis uit overeenkomst blijft. Hieruit vloeit voort dat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, in Nederland en wel in dit arrondissement moet worden uitgevoerd, zodat de Nederlandse rechter op grond van art. 5 aanhef en onder lid 1 sub a EEX-Vo bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.5 Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt.

Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De rechtbank begrijpt uit de op het Nederlands recht gebaseerde stellingen van partijen en de omstandigheid dat de onroerende goederen, waarop de erfpachtrechten zijn gevestigd in Nederland zijn gelegen, dat partijen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht hebben gekozen. Derhalve is op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing.

4.6 [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [eisers] in het incident gevallen proceskosten.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1 De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen.

5.2 De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.3 De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

5.4 In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

5.5 Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook aan de orde komen of een schikking (al dan niet op onderdelen) mogelijk is. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1 wijst het gevorderde af,

6.2 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op EUR 452,00 voor salaris van haar procureur en op nihil voor verschotten,

6.3 verklaart de onder 5.2 vermelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in de hoofdzaak

6.4 beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.P. Killian in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op donderdag 22 maart 2007 te 14.00 uur,

6.5 bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.6 bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - ter attentie van de secretaresse (mevrouw H. Alberts kamer A.2.16) - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2006.

w.g. griffier w.g. rechter