Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ5222

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
08-01-2007
Zaaknummer
210846/HA ZA 06-960
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkrijgende + bevrijdende verjaring t.a.v. strook water. Verjaring m.b.t. recht van erfdienstbaarheid. Oud + nieuw recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 210846 / HA ZA 06-960

Vonnis van 20 december 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur: mr. P.C. Seghers,

tegen

1. de vennootschap onder firma

APPARTEMENTEN- EN LIGPLAATSVERHUUR DE VINKEVEENSE PLASSEN,

gevestigd te Vinkeveen,

en haar vennoten:

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur: mr. P.J. Soede.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 juli 2006, waarbij een comparitie van partijen werd gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 20 oktober 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Gedaagde] exploiteert een onderneming die zich bezig houdt met het verhuren van ligplaatsen voor vaartuigen.

2.2. [Gedaagde] is eigenaar van het perceel [adres 1], kadastraal bekend gemeente Vinkeveen, [sectie en nummer] (hierna: [perceel nr. 1]).

2.3. [Eiseres] is eigenaar van het perceel [adres 2], kadastraal bekend gemeente Vinkeveen, [sectie en nummer] (hierna: [perceel nr. 2]).

2.4. [Perceel nr. 1] bestaat voor een deel uit grond met opstallen en voor een deel uit water. In het watergedeelte zijn aanlegsteigers geplaatst.

2.5. [Perceel nr. 1] grenst via het water aan [perceel nr. 2].

2.6. [Eiseres] en haar rechtsvoorgangers maken gebruik van een strook water die kadastraal toebehoort aan [perceel nr. 1] (hierna: de strook water). In de strook water liggen vaartuigen afgemeerd die aan [eiseres] toebehoren.

2.7. In 1980 heeft [eiseres] een remmingwerk geplaatst in de strook water.

2.8. In mei 2005 heeft [gedaagde] een steiger met een lengte van 6 meter geplaatst in de strook water en het remmingswerk van [eiseres] verwijderd.

3. Het geschil

3.1. [Eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. te verklaren voor recht dat een strook water, althans de onderliggende grond, grenzend aan het perceel van [eiseres], ter grootte van drie meter breedte en twintig meter lengte, door verjaring eigendom is geworden van [eiseres] en [gedaagde] te veroordelen de medewerking te verlenen aan het kadastraal inschrijven van die eigendom;

subsidiair:

2. te verklaren voor recht dat ten gunste van [eiseres] en ten laste van [gedaagde] door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan tot het afmeren om niet van vaartuigen in een strook water grenzend aan het perceel van [eiseres], ter grootte van drie meter breedte en twintig meter lengte en [gedaagde] te veroordelen de medewerking te verlenen aan het kadastraal inschrijven van die erfdienstbaarheid;

en voorts:

3. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee maanden na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de door hen geplaatste steiger te verwijderen voor zover deze gelegen is binnen de strook water die door toewijzing van het onder 1. gevorderde eigendom is geworden van [eiseres], althans binnen de strook water waarop [eiseres] door toewijzing van het onder 2. gevorderde gebruiksrechten heeft verkregen;

4. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee maanden na betekening van het ten deze te wijzen vonnis het door hen onrechtmatig verwijderde remmingwerk te herplaatsen in dezelfde vorm en op dezelfde plaats als waarop het zich bevond voordat het werd verwijderd;

5. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een dwangsom van EUR 1.000,-- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke zal zijn aan het onder 3. en/of 4. gevorderde te voldoen;

6. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij de strook water gedurende meer dan tien jaar te goeder trouw als eigenaar/bezitter gebruikt, waardoor de onderhavige strook water door verjaring eigendom van [eiseres] is geworden. Verder stelt [eiseres] dat zij na verloop van een periode van twintig jaar eigenaar is geworden van de strook water. [eiseres] stelt zich in dit verband op het standpunt dat de vraag wie de eigendom van de strook water heeft, niet uitsluitend wordt bepaald aan de hand van de kadastrale inschrijving, maar dat de feitelijke situatie doorslaggevend is. Nu [gedaagde] het door [eiseres] aangebrachte remmingwerk heeft afgebroken, dan wel een steiger van 6 meter heeft geplaatst in de strook water heeft [gedaagde] een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiseres] en heeft [gedaagde] derhalve onrechtmatig gehandeld. Subsidiair stelt [eiseres] dat er door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, inhoudende de verplichting van [gedaagde] om te gedogen dat [eiseres] in de strook water om niet vaartuigen afmeert.

3.3. [Gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn het erover eens dat de strook water waarop de vorderingen van [eiseres] betrekking hebben, is gelegen op het perceel dat volgens de kadastrale opmeting behoort tot [perceel nr. 1] waarvan [gedaagde] rechthebbende is. Met deze vaststelling is echter niet de vraag beantwoord of de kadastrale grens gelijk is aan de juridische grens. Met andere woorden, de vraag die nu voorligt is of [eiseres] – zoals zij stelt en [gedaagde] betwist – door verjaring eigenaar is geworden van de strook water dan wel dat een erfdienstbaarheid is ontstaan.

4.2. [Eiseres] stelt zich primair op het standpunt eigenaar te zijn geworden door verkrijgende verjaring. Ten aanzien hiervan geldt het volgende. Voor verkrijging door verjaring is in het algemeen bezit te goeder trouw vereist (artikel 3:99 BW). Een bezitter is te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mag beschouwen. De rechtbank kan [eiseres] niet volgen in haar standpunt dat zij als bezitter te goeder trouw heeft te gelden. Door raadpleging van de bestemde openbare registers had [eiseres] immers kunnen weten dat het bezit betrekking had op een strook water dat volgens de kadastrale grenzen toebehoorde aan [gedaagde]. Hetgeen [eiseres] heeft gesteld kan niet tot een andere conclusie leiden. [eiseres] was dus niet te goeder trouw in de zin van artikel 3:99 BW op het ogenblik waarop het bezit – volgens [eiseres] – een aanvang nam. Op grond van het hiervoor overwogene faalt het beroep op verkrijgende verjaring.

4.3. Daarmee komt de rechtbank toe aan het subsidiaire standpunt van [eiseres] inhoudende dat de rechtsvordering van [gedaagde] tot beëindiging van het bezit is verjaard door verloop van twintig jaren te rekenen vanaf het moment waarop [eiseres], niet zijnde rechthebbende, het bezit daarvan heeft verkregen, ongeacht haar goede of kwade trouw, de duur van haar bezit en de vraag of het bezit al dan niet onafgebroken is geweest (artikel 3:306 juncto 3:314 lid 2 BW). [eiseres] stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bezit van de strook water en stelt daartoe het volgende. [eiseres] dan wel haar rechtsvoorgangers houden al gedurende vele decennia vaartuigen afgemeerd in de strook water. Een en ander blijkt uit de verklaringen van getuigen tijdens een tussen partijen met betrekking tot een stuk grond gevoerde procedure in 1969. Op dit moment liggen twee aan [eiseres] toebehorende vaartuigen voortdurend afgemeerd in de strook water. [eiseres] heeft zonder nadrukkelijk aan [gedaagde] toestemming te hebben gevraagd een remmingwerk in de strook water geplaatst. Evenmin heeft hij ooit toestemming gevraagd voor het afmeren van vaartuigen in de strook water.

4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW). Dit betekent dat bezit in juridische zin inhoudt, dat men de feitelijke macht over het goed uitoefent gecombineerd met de suggestie van een eigen recht. Om een goed in bezit te nemen – hetgeen [eiseres] stelt – is ingevolge artikel 3:113 BW vereist dat men zich over dat goed de feitelijke macht verschaft (lid 1). Wanneer een goed in bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (lid 2). Noodzakelijk is dat de bezitter zich gedraagt alsof hij eigenaar is, terwijl daarnaast duidelijk moet zijn dat de macht van de oorspronkelijke bezitter over dat goed is geëindigd.

4.5. Als onweersproken staat vast dat [eiseres] ter plaatse al (veel) langer dan twintig jaar vaartuigen afmeert in de litigieuze strook water. Bij de beoordeling zal de rechtbank uitgaan van de stelling van [eiseres] dat zij hiervoor, alsmede voor het plaatsen van het remmingwerk, geen toestemming aan [gedaagde] heeft gevraagd, hoewel [gedaagde] deze stelling gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank overweegt als volgt. Het afmeren van een vaartuig aan de eigen oever houdt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen eigendomspretenties in met betrekking tot de strook water. [eiseres] heeft naar eigen zeggen het remmingwerk geplaatst met als doel het beschermen van de vaartuigen tegen golfslag en het beschermen van de vaartuigen tegen onhandige bestuurders van (huur)vaartuigen. Het remmingwerk is weliswaar in de strook water geplaatst, maar niet gesteld of gebleken is dat het remmingwerk als erfafscheiding fungeerde. Het remmingwerk kan dan ook niet als omheining van de gepretendeerde eigendom worden aangemerkt. Voorts brengt het feit dat [eiseres] al decennia lang twee vaartuigen heeft afgemeerd in de strook water niet mee dat zij de strook water in haar macht heeft gehad alsof deze haar toebehoorde (HR 03-05-1996, NJ 1996, 501).

4.6. In het licht van voormelde omstandigheden – ook in onderling verband en samenhang bezien - kan de rechtbank niet tot de conclusie komen dat er sprake is van inbezitneming door [eiseres] van de strook water. [Eiseres] heeft de strook water niet als één geheel met [perceel nr. 2] als bezitter gebruikt en daarop met een zekere continuïteit bezitsdaden verricht alsof deze strook water haar toebehoorde. Verkrijging door middel van bevrijdende verjaring als door [eiseres] gesteld is dan ook niet aan de orde. De discussie tussen partijen over de vraag of [gedaagde] - door middel van baggeren – onderhoud aan de strook water verrichtte kan derhalve in het midden blijven.

4.7. Nu uit voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat [gedaagde] eigenaar is van de in geding zijnde strook water met de daarin geplaatste steiger, betekent dit dat [gedaagde] geen inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [eiseres], noch onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door het remmingwerk te verwijderen. Aan de stelling van [eiseres] dat de door [gedaagde] geplaatste steiger in de strook water een inbreuk op de privacy van [eiseres] oplevert gaat de rechtbank voorbij, nu zij deze stelling onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Het primair gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

4.8. [Eiseres] heeft voorts gesteld dat er door verjaring een erfdienstbaarheid tot het afmeren van vaartuigen in de strook water is ontstaan. De vraag of er een erfdienstbaarheid is ontstaan moet tot 1 januari 1992 beoordeeld worden naar de regels van het oud BW en na 1 januari 1992 worden beoordeeld naar de regels van het huidige BW. Onder het huidige BW kunnen erfdienstbaarheden ontstaan door verkrijgende en door bevrijdende verjaring (artikelen 3:99 en 3:105 BW). Onder het oude BW konden voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden eveneens via verkrijgende verjaring verkregen worden, maar niet via bevrijdende verjaring (artikel 744 Oud BW). Onder het oude BW leidde het tenietgaan van het recht om een rechtsvordering in te stellen tot beëindiging van het bezit (kortgezegd: bevrijdende verjaring) immers niet tot een verkrijging. Dit rechtsgevolg is eerst onder het huidig BW in de artikelen 3:105 juncto 3:306 BW tot stand gekomen.

4.9. Voor verjaring is de periode van bezit van de erfdienstbaarheid van belang.

In geval van verkrijgende verjaring gaat het om bezit te goeder trouw van de erfdienstbaarheid gedurende de voor verkrijging door verjaring benodigde termijn. Een bezitter is zowel onder het oude BW als onder het huidige BW te goeder trouw indien hij zich als rechthebbende beschouwde en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen (artikel 2000 oud BW en artikel 3:118 BW). In beginsel is alleen dan sprake van een dergelijk bezit te goeder trouw indien degene die er een beroep op doet ervan uit ging en mocht gaan dat er een erfdienstbaarheid gevestigd was volgens de wettelijke regels, maar dat door een achteraf gebleken en hem onbekend gebrek deze vestiging ongeldig blijkt te zijn. Dit is niet gesteld en evenmin gebleken. Tussen partijen staat immers vast dat de litigieuze erfdienstbaarheid nimmer vastgelegd is in een notariële akte en ook nimmer is ingeschreven in de registers. Voorts volgt uit de ingenomen stellingen dat [eiseres] daarvan ook op de hoogte was. Om deze redenen is er geen sprake van een bezit te goeder trouw van een erfdienstbaarheid.

4.10. Het door [eiseres] gedane beroep op een erfdienstbaarheid welke verkregen zou zijn door bevrijdende verjaring gaat evenmin op. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. In het geval van bezit niet te goeder trouw kan onder het huidige BW een erfdienstbaarheid na ommekomst van een periode van 20 jaar worden verkregen (artikel 3:105 BW). De feitelijke situatie die volgens [eiseres] de verjaring tot verkrijging van de erfdienstbaarheid heeft doen aanvangen, dateert van vóór 1 januari 1992, zodat het overgangsrecht een rol speelt. De bepaling van artikel 95 Overgangswet Nieuw BW (OW) is mede in het leven geroepen, omdat onder oud recht het bezit van een zodanige erfdienstbaarheid (niet te goeder trouw) niet mogelijk was. Op grond van deze in artikel 95 OW vastgelegde regel van overgangsrecht kan het bezit van een erfdienstbaarheid niet eerder dan op 1 januari 1992 zijn ontstaan. De verkrijging van die erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring kan in verband met de verjaringstermijn van twintig jaren (artikel 3:306 BW), daarom niet voor 1 januari 2012 plaatsvinden. Dit houdt in dat niet kan worden geoordeeld dat [eiseres] op de voet van artikel 3:105 lid 1 BW een recht van erfdienstbaarheid heeft. Derhalve is onder het huidige BW geen erfdienstbaarheid door verjaring ontstaan. Ook het door [eiseres] als subsidiair gevorderde zal worden afgewezen.

4.11. [Eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Peugeot worden begroot op:

- vast recht EUR 248,--

- salaris procureur EUR 904,-- (2 punt x tarief II, EUR 452,--)

Totaal EUR 1.152,--

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.152,--;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2006.

w.g. griffier w.g. rechter