Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ5067

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
16-604304-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeverdachte in LJN5054. Veroordeling ter zake van bedreigingen en mishandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604304-06

Datum uitspraak: 22 december 2006

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

Raadsman: mr. H.W. Kompagne, advocaat te Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

27 oktober 2006 en 11 december 2006.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat op vordering van de officier van justitie wijziging - die hierna cursief is weergegeven - van het onder 5 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van

27 oktober 2006 is toegestaan, ten laste gelegd, dat

1.

zij (op meerdere tijdstippen) op of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans

in het arrondissement Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] langdurig

en/of met (grote) kracht aan het haar heeft getrokken en/of haar haren heeft

uitgetrokken,

waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in het arrondissement

Utrecht, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) dreigend de

woorden toegevoegd:

- "je komt er nog wel achter" en/of

- "je bent de mijne en ik maak je kapot, we krijgen je nog wel",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

[Medeverdachte] op of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachte

rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten twee, althans

één, (op meerdere plaatsen) gebroken wervel(s) in de onderrug) heeft

toegebracht door tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk:

- (met (grote) kracht) [vanaf een hoger gelegen gedeelte en/of met gestrekt(e)

be(e)n(en)] op de rug van die [slachtoffer 1] te springen en/of

- (met (grote) kracht) tegen de rug van die [slachtoffer 1] te trappen en/of te

schoppen en/of

- die [slachtoffer 1] in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het

lichaam, te slaan en/of te stompen en/of

- [terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag] (nogmaals) tegen de zij en/of de

rug van die [slachtoffer 1] te trappen en/of te schoppen;

welk feit zij, verdachte, in of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in

het arrondissement Utrecht, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of

beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen door:

- haar echtgenoot, voornoemde [medeverdachte], te bellen en/of hem mede te delen dat

zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) met een paar mensen ter plaatste

en/of

- die [medeverdachte] (telefonisch) te verzoeken om (om die reden) (direct) naar haar

toe te komen en/of

- die [medeverdachte] mede te delen waar zij en/of degene(n) met wie zij onenigheid

heeft (gehad) zich bevond(en) en/of bevind(en) en/of

- (toen deze [medeverdachte] ter plaatse (in Vianen) gearriveerd was) met die [medeverdachte] naar de perso(o)n(en) met wie zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) toe te lopen en/of

- de perso(o)n(en) met wie zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) aan die

[medeverdachte] aan te wijzen en/of

- (daarbij) te zeggen en/of roepen: "o, daar zitten ze!" en/of "hier is het"

en/of "dat zijn ze" en/of "ja. Die! Slaan!";

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

[Medeverdachte] op of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in het

arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, althans opzettelijk, als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, vernoemde [medeverdachte], en/of (één of meer van) zijn

mededader(s):

- (met (grote) kracht) [vanaf een hoger gelegen gedeelte en/of met gestrekt(e)

be(e)n(en)] op de rug van die [slachtoffer 1] gesprongen en/of

- (met (grote) kracht) tegen de rug van die [slachtoffer 1] getrapt en/of geschopt

en/of

- die [slachtoffer 1] in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het

lichaam, geslagen en/of gestompt en/of

- [terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag] (nogmaals) tegen de zij en/of de

rug van die [slachtoffer 1] getrapt en/of geschopt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

welk feit zij, verdachte, in of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in

het arrondissement Utrecht, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of

beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen door:

- haar echtgenoot, voornoemde [medeverdachte], te bellen en/of hem mede te delen dat

zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) met een paar mensen ter plaatste

en/of

- die [medeverdachte] (telefonisch) te verzoeken om (om die reden) (direct) naar haar

toe te komen en/of

- die [medeverdachte] mede te delen waar zij en/of degene(n) met wie zij onenigheid

heeft (gehad) zich bevond(en) en/of bevind(en) en/of

- (toen deze [medeverdachte] ter plaatse (in Vianen) gearriveerd was) met die [medeverdachte] naar de perso(o)n(en) met wie zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) toe te lopen en/of

- de perso(o)n(en) met wie zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) aan die

[medeverdachte] aan te wijzen en/of

- (daarbij) te zeggen en/of roepen: "o, daar zitten ze!" en/of "hier is het"

en/of "dat zijn ze" en/of "ja. Die! Slaan!";

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

[Medeverdachte] op of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1]:

- (met (grote) kracht) [vanaf een hoger gelegen gedeelte en/of met gestrekt(e)

be(e)n(en)] op de rug van die [slachtoffer 1] is gesprongen en/of

- (met (grote) kracht) tegen de rug van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of

geschopt en/of

- die [slachtoffer 1] in het gezicht en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het

lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of

- [terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag] (nogmaals) tegen de zij en/of de

rug van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (op

meerdere plaatsen) gebroken wervel(s) in de onderrug), althans enig

lichamelijk letsel, heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

welk feit zij, verdachte, in of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in

het arrondissement Utrecht, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of

beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen door:

- haar echtgenoot, voornoemde [medeverdachte], te bellen en/of hem mede te delen dat

zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) met een paar mensen ter plaatste

en/of

- die [medeverdachte] (telefonisch) te verzoeken om (om die reden) (direct) naar haar

toe te komen en/of

- die [medeverdachte] mede te delen waar zij en/of degene(n) met wie zij onenigheid

heeft (gehad) zich bevond(en) en/of bevind(en) en/of

- (toen deze [medeverdachte] ter plaatse (in Vianen) gearriveerd was) met die [medeverdachte]

naar de perso(o)n(en) met wie zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) toe

te lopen en/of

- de perso(o)n(en) met wie zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) aan die

[medeverdachte] aan te wijzen en/of

- (daarbij) te zeggen en/of roepen: "o, daar zitten ze!" en/of "hier is het"

en/of "dat zijn ze" en/of "ja. Die! Slaan!";

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

4.

[Medeverdachte] op of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in het

arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk

mishandelend, [slachtoffer 2] tegen een oog en/of het gezicht, althans het hoofd,

heeft gestompt en/of geslagen en/of tegen de ribben, althans het lichaam, heeft

getrapt en/of geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

welk feit zij, verdachte, in of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in

het arrondissement Utrecht, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of

beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen door:

- haar echtgenoot, voornoemde [medeverdachte], te bellen en/of hem mede te delen dat

zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) met een paar mensen ter plaatste

en/of

- die [medeverdachte] (telefonisch) te verzoeken om (om die reden) (direct) naar haar

toe te komen en/of

- die [medeverdachte] mede te delen waar zij en/of degene(n) met wie zij onenigheid

heeft (gehad) zich bevond(en) en/of bevind(en) en/of

- (toen deze [medeverdachte] ter plaatse (in Vianen) gearriveerd was) met die [medeverdachte]

naar de perso(o)n(en) met wie zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) toe

te lopen en/of

- de perso(o)n(en) met wie zij, verdachte, onenigheid heeft (gehad) aan die

[medeverdachte] aan te wijzen en/of

- (daarbij) te zeggen en/of roepen: "o, daar zitten ze!" en/of "hier is het"

en/of "dat zijn ze" en/of "ja. Die! Slaan!";

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

zij op of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] tegen het achterhoofd heeft

geslagen en/of (hard) aan de haren heeft getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 primair, subsidiair, meer subsidiair en onder 4 is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken, omdat de rechtbank van oordeel is dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van uitlokking in de zin van het bepaalde in artikel 47, tweede lid onder 2, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt daartoe, dat de handelingen van verdachte niet voldoen aan alle voorwaarden voor uitlokking die door de wet worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is immers niet gebleken dat de echtgenoot van verdachte door haar is aangezet tot de door hem verrichte handeling, in die zin dat zij bij hem het wilsbesluit heeft gewekt om het delict waarvan hij verdacht wordt te begaan. Verdachte heeft haar echtgenoot weliswaar telefonisch op de hoogte gesteld van wat zich had voorgedaan, doch niet gebleken is dat zijzelf hem in dat telefoongesprek expliciet op het idee heeft gebracht het latere slachtoffer te mishandelen. Nu uit de ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat de echtgenoot van verdachte reeds in geagiteerde toestand verkeerde toen hij op de plaats van het latere delict arriveerde, terwijl hij verdachte op dat moment nog niet had gezien, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij toen al van plan was de mensen waarover verdachte kennelijk tegen hem had gesproken, op enigerlei wijze te benadelen als vergelding voor het treffen met zijn echtgenote. De omstandigheid dat beide verdachten met elkaar hebben gesproken voordat de echtgenoot van verdachte tot de mishandeling is overgegaan -uit zowel de getuigenverklaring van [getuige 1], als die van [getuige 2] blijkt dat dit moment slechts van korte duur was- maakt het voorgaande niet anders. Iemand die reeds een voornemen heeft, kan immers niet meer worden uitgelokt.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hierna is vermeld.

1.

zij op of omstreeks 19 juli 2006 te Vianen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3]

langdurig en met grote kracht aan het haar heeft getrokken en haar haren heeft

uitgetrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden;

2.

zij op 19 juli 2006 te Vianen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde personen dreigend de woorden toegevoegd:

- "je komt er nog wel achter" en

- "je bent de mijne en ik maak je kapot, we krijgen je nog wel";

5.

zij op 19 juli 2006 te Vianen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] tegen het achterhoofd heeft geslagen en hard aan de haren heeft getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging:

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte, zoals die in de tenlastelegging zijn neergelegd en die op zichzelf niet door hem worden betwist, niet kunnen worden gekwalificeerd als bedreiging tegen het leven gericht in de zin van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. In zijn visie kunnen deze bewoordingen als normaal spraakgebruik worden aangemerkt, zodat niet gekomen kan worden tot een bewezenverklaring van voornoemd strafbaar feit. Hij verzoekt derhalve vrijspraak van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank is met de raadsman van verdachte van oordeel dat de uitlatingen “je komt er nog wel achter” en “je bent de mijne” onder omstandigheden geen bedreiging hoeven te vormen in de zin van het Wetboek van Strafrecht. In de context van de gebeurtenis, zoals die zich op 19 juli 2006 op het recreatieterrein aan de Lek te Vianen heeft voorgedaan en gevoegd bij de andere uitlatingen van verdachte (“ik maak je kapot, we krijgen je nog wel”), hebben deze bewoordingen naar het oordeel van de rechtbank echter wel een bedreigend karakter, zodat de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen acht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 en 5 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 en 5 bewezenverklaarde:

Mishandeling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting een beroep gedaan op noodweer subsidiair noodweerexces. Ten aanzien van beide feiten verzoekt hij derhalve ontslag van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft daartoe ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd, dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond, omdat sprake was van een aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, dan wel dat bij verdachte de gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond.

De volgende situatie deed zich volgens de raadsman voor. Verdachte bevond zich op een recreatieterrein aan de Lek te Vianen, alwaar het is toegestaan honden los te laten lopen. Nadat een aantal mensen, in wier omgeving de hond rondliep, dreigende woorden in de richting van de hond had geuit, werd door één van hen een trap tegen de hond gegeven. Verdachte is als reactie hierop naar degene die de hond een trap had gegeven afgestapt, waarna zij haar hond heeft verdedigd door de desbetreffende persoon, [slachtoffer 3], bij de haren te pakken. In de visie van de raadsman van verdachte bestond daartoe alle aanleiding. Het op die wijze benaderen van andermans hond kan immers grote consequenties hebben, zodat het voor verdachte, als zijnde de baas van de hond, noodzakelijk was daartegen op te treden.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer subsidiair noodweerexces en overweegt daartoe als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet sprake zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, die gericht is tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij het doel van de verdediging noodzakelijk en het verdedigingsmiddel geboden moet zijn.

Indien een hevige gemoedsbeweging, door de wederrechtelijke aanranding opgewekt, nog voortduurt nadat het onmiddellijke gevaar is geweken, sluit die gemoedsbeweging de strafbaarheid uit, al zijn door het gepleegde feit de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. In een dergelijke situatie is er sprake van noodweerexces.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de hond van verdachte zodanig door [slachtoffer 3] werd benaderd dat van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding als voornoemd sprake was. Niet gebleken is immers dat de benadering van de hond een zodanig karakter had dat hierdoor voor die hond een gevaarlijke situatie ontstond, noch dat verdachte daarvoor in redelijkheid vrees had mogen hebben. Alleen verdachte verklaart immers dat de hond door [slachtoffer 3] getrapt werd, maar dat deze (grote) hond daardoor mogelijk kon zijn gekwetst, blijkt nergens uit. Van enige noodzaak daartegen op te treden door voornoemde [slachtoffer 3] bij de haren te pakken was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake, zodat voor de door verdachte toegepaste verdediging geen enkele aanleiding bestond. De rechtbank is veeleer van oordeel dat verdachte zich, als baas van twee grote honden, had kunnen en moeten voorbereiden op enige irritatie van mensen die niet van te dichte toenadering van deze dieren gediend waren. Zij was met haar honden weliswaar bewust naar een plek gegaan waar honden los mogen lopen, doch zulks betekent niet dat het de honden ook is toegestaan andere recreanten op het desbetreffende terrein op enigerlei wijze te hinderen.

Ter onderbouwing van zijn beroep op noodweer subsidiair noodweerexces heeft de raadsman ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte, [slachtoffer 4] bij de haren heeft gepakt, aangezien haar echtgenoot op dat moment werd belaagd door de aanwezige mensen. Zij verdedigde daarmee andermans lijf in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, omdat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank overweegt dat uit de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte blijkt dat zij haar echtgenoot niet verdedigde door voornoemde [slachtoffer 4] bij de haren te pakken, maar dat zij hem daarmee juist hielp zijn handelingen ongehinderd voort te zetten. Immers, verdachte verklaart uitdrukkelijk dat zij, nadat zij haar echtgenoot had aangewezen waar de mensen zaten en nadat zij zag dat de vrouw in de zwarte bikini haar man kennelijk wilde tegenhouden, deze vrouw bij de haren heeft gepakt en tegen haar heeft gezegd: “Ik dacht het niet”, of woorden van gelijke strekking.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ook in de onderhavige situatie geen sprake was van een zodanige ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding dat het noodzakelijk was daartegen op te treden, zodat de rechtbank ten aanzien van dit feit eveneens aan het beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces voorbij zal gaan.

Er is de rechtbank ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de persoon van de verdachte, de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte, nu haar echtgenoot is gedetineerd, alleen de zorg voor hun twee kinderen heeft en dat zij hard moet werken om in het levensonderhoud van haar gezin te voldoen. Voorts is gebleken dat het gezin thans in financiële problemen verkeert door het wegvallen van het salaris van verdachtes echtgenoot. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het niet wenselijk aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een geldboete op te leggen.

De rechtbank is echter van oordeel, dat de bewezenverklaarde feiten van zodanige ernst zijn dat niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke straf. De gedragingen zoals door verdachte zijn verricht vormen immers een grote inbreuk op het gevoel van veiligheid van de medemens. Dit geldt in het bijzonder wanneer deze plaatsvinden op een rustige plek in de natuur waar men komt om te recreëren. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij, toen zij werd aangesproken op het gedrag van haar hond, daar niet op een redelijke wijze op heeft gereageerd, maar direct de confrontatie heeft gezocht. Vervolgens heeft verdachte haar echtgenoot gevraagd ter plaatse te komen en toen deze in geagiteerde toestand arriveerde, de betrokken personen aangewezen. Daardoor is een verdere escalatie opgetreden. Deze onbezonnen handelwijze heeft het leven van de familie [van slachtoffer 1] naar het zich laat aanzien voorgoed veranderd. Ook voor het andere gezin is het een schokkende ervaring geweest. De rechtbank acht dit des te schrijnender nu de aanleiding voor het gebeurde in feite van gering belang was. De rechtbank zal derhalve overgaan tot de oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf en zal daarnaast als waarschuwing eveneens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 juli 2006, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder met justitie in aanraking is geweest, alsmede op een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 17 oktober 2006, opgemaakt door S. Dijkslag, reclasseringswerker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot - kort gezegd - een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu verdachte van het onder 3 en 4 ten laste gelegde is vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de tot op heden door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 1.500,00 wegens immateriële schade.

Een deel van de vordering van de benadeelde is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 2 en 5 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 250,00. De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 400,00 wegens immateriële schade.

Een deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 250,00. De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair en onder 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 en 5 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 60 (ZESTIG) uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 (DERTIG) dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te […], niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te […], ten dele toe tot een bedrag van € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het hiervoor omschreven gedeelte en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te […], ten dele toe tot een bedrag van € 250,00 (zegge tweehonderdenvijftig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het hiervoor omschreven gedeelte en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 250,00 (zegge tweehonderdenvijftig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Heft het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Ch. van Linschoten, V.M.M. van Amstel en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. J.A. van Wageningen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2006.

Mr. Koster is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.