Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ4054

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-12-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
SBR 06-3766 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak al geoordeeld dat de stacaravan moet worden verwijderd. Hetgeen verzoeker nu heeft aangevoerd verschilt niet wezenlijk van wat in de vorige beroepsprocedure aan de orde is geweest. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die de voorzieningenrechter aanleiding geven nu anders te oordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/3766 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2006 inzake

[verzoeker], wonende te Leusden,

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 12 september 2006, waarbij verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang is aangeschreven om binnen zes weken de stacaravan op het perceel [adres] te Leusden te (doen) verwijderen en verwijderd te houden.

1.2 Het verzoek is op 24 november 2006 ter zitting behandeld, waar verzoeker niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. in ’t Veld, werkzaam bij de gemeente Leusden.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Bij uitspraak van deze rechtbank van 8 maart 2006 is het beroep van verzoeker tegen de eerder opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot dezelfde overtreding ongegrond verklaard. Het door verzoeker tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

2.4 Onder verwijzing naar de eerdere uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de voorzieningenrechter thans met het volgende. Verzoeker drijft al meer dan 30 jaar op het perceel een handel in paarden en paardentraining. Verzoeker heeft steeds tezamen met zijn echtgenote, van wie hij in 1985 is gescheiden, gewoond in de bedrijfswoning op datzelfde perceel. Sinds de echtscheiding woonde verzoeker elders in een koopwoning te Krommenie, en na de verkoop van die woning sinds september 2004 in de gewraakte (en toen geplaatste) stacaravan, tezamen met zijn huidige partner en haar twee kinderen. Het plaatsen van die caravan gebeurde ondanks een negatieve beslissing van verweerder op een verzoek van verzoeker om een tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan.

Omwille van zowel de bedrijfsvoering als de gezinsomstandigheden meent verzoeker dat handhavend optreden in zijn geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien, althans voorlopig. Daartoe heeft verzoeker wederom betoogd dat het voorkomen van eventuele calamiteiten de continue aanwezigheid van een paardenverzorger in de nabijheid van zijn bedrijf noodzakelijk maakt, dat (thans) geen ander dan verzoeker zelf daarvoor beschikbaar is, en dat het tot dusverre niet is gelukt een woning in de directe omgeving te huren dan wel het bedrijf te verplaatsen.

Ter zake van de gezinsomstandigheden heeft verzoeker er nog op gewezen dat uitoefening van bestuursdwang de voortzetting van het bedrijf in gevaar brengt, en daarmee ook de financiële armslag van het gezin bij het vinden van alternatieve oplossingen.

2.5 De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden verlangd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6 De voorzieningenrechter merkt op dat hetgeen door de rechtbank eerder zonder voorbehoud is geoordeeld, in onderhavige procedure als vaststaand moet worden aangenomen. Vast staat dan ook dat de stacaravan is geplaatst in strijd met artikel 40 van de Woningwet en dat er geen zicht bestaat op legalisatie van de stacaravan. De voorzieningenrechter heeft voorts geconstateerd dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet wezenlijk verschilt van hetgeen reeds in de vorige beroepsprocedure aan de orde is geweest, en destijds niet zodanig bijzonder is geacht dat verweerder van handhaving had moeten afzien. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die de voorzieningenrechter aanleiding geven nu anders te oordelen. De voorzieningenrechter acht daarbij ook van belang dat verzoeker reeds geruime tijd weet dat hij de stacaravan moet verwijderen.

2.7 De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het besluit naar verwachting in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook, gelet op de betrokken belangen, afwijzen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

J.D. Koteris mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op: