Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ2702

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-10-2006
Datum publicatie
28-11-2006
Zaaknummer
217252/JE RK 06-1232
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing, verschil van inzicht tussen gezinsvoogd en BJZ, doorplaatsing naar persectiefbiedend pleeggezin of terugplaatsing naar huis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

zaaknummer: 217252 / JE RK 06-1232

beschikking van 13 oktober 2006 van de kinderrechter met betrekking tot de minderjarigen:

[naam minderjarige 1], geboren te [woonplaats], op 20 februari 2002,

[naam minderjarige 2], geboren te [woonplaats], op 26 mei 2003,

kinderen van

[de vader],

en

[de moeder], beiden wonende te [woonplaats],

procureur: mr. P.M.A.C van de Wouw;

de moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag.

1. Verloop van de procedure

Bureau Jeugdzorg Utrecht heeft op 8 augustus 2006 een verzoek tot verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend.

Nadien is op 6 september 2006 het hulpverleningsplan en verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling overgelegd. Op 13 september 2006 heeft Bureau Jeugdzorg Utrecht een aanvulling op het verzoekschrift en op het hulpverleningsplan in het geding gebracht.

Tevens is verwezen naar het rechtbankdossier met betrekking tot deze ondertoezichtstelling.

Bij beschikking van 12 september 2006 van de kinderrechter te Utrecht is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd met ingang van 13 september 2006 voor de duur van één maand. De beslissing is voor het overige aangehouden.

Op 10 oktober 2006 heeft de rechtbank het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

2. Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van 12 september 2006 van de kinderrechter te Utrecht is de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen met ingang van 13 september 2006 verlengd voor de duur van een jaar.

Uit de verklaringen van de gehoorde personen en uit de overgelegde stukken blijkt dat verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in de hierna te noemen voorziening noodzakelijk is. De rechtbank is op grond van de hierna volgende overwegingen tot dit oordeel gekomen.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat bij zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1], naast een algehele ontwikkelingsachterstand, sprake is van ernstige gedragsproblemen. De oorzaken en achtergronden van die problemen lijken, blijkens de psychodiagnostische onderzoeken gelegen in verwaarlozing van hun emotionele en fysieke basisbehoeften in de periode voorafgaande aan hun uithuisplaatsing.

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven thans ongeveer een jaar elk in een verschillend pleeggezin en doen het daar naar omstandigheden goed. Hun hechting aan de pleegouder(s) is in ontwikkeling maar nog zeer broos. Het is echter niet mogelijk om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] langdurig in de huidige pleeggezinnen te plaatsen. Derhalve ligt thans de vraag voor wat het meest in het belang van de kinderen is, doorplaatsing naar een perspectief biedend pleeggezin, zoals Bureau Jeugdzorg, mede op grond van de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek beoogt of terugplaatsing van de kinderen naar hun ouders. Dit laatste is wat de ouders wensen, die daarbij worden gesteund door gezinsvoogd en het medisch kinderdagverblijf, mits de ouders intensief, bij voorkeur vanuit een woonvoorziening voor licht verstandelijk gehandicapten, worden begeleid in hun taak als ouders.

In navolging van het advies van de Raad voor de kinderbescherming acht de rechtbank het het meest in het belang van de kinderen als zij worden doorgeplaatst naar een perspectief biedend pleeggezin. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de ernstige problemen van de kinderen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vragen vanuit hun problematiek en gedrag om bovengemiddelde opvoeders en bovendien om een tegengestelde pedagogische aanpak. De ouders kunnen daar naar de inschatting van de Raad voor de kinderbescherming niet aan voldoen. Zij hebben beperkte opvoedingscapaciteiten en lijken met name het vermogen zich in te leven in de werkelijke emotionele behoeften van de kinderen te ontberen. De rechtbank deelt de twijfel van de Raad of met name die laatste vaardigheid leerbaar is, dan wel kan worden ondervangen door begeleiding, hoe intensief ook. Gelet op die twijfel kleven aan een terugplaatsing van de kinderen bij de ouders veel risico’s, ook indien er voor hen binnen afzienbare tijd een woonplek zou kunnen worden gevonden binnen een begeleide woonvoorziening voor licht verstandelijk gehandicapten, hetgeen allerminst vaststaat.

Daar staat tegenover dat doorplaatsing naar perspectiefbiedende pleeggezinnen zou betekenen dat de kinderen van elkaar blijven gescheiden, terwijl duidelijk is geworden dat de kinderen een band met elkaar hebben en belangrijk voor elkaar zijn. Bureau Jeugdzorg heeft bovendien te kennen gegeven dat het niet makkelijk zal zijn geschikte pleeggezinnen te vinden die specifiek in kunnen gaan op de opvoedingsvragen van de kinderen. Volgens Bureau Jeugdzorg zal dit zeker niet binnen een termijn van weken gaan lukken. Dit brengt het gevaar met zich mee dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2], niet rechtstreeks vanuit hun huidige pleeggezinnen kunnen worden doorgeplaatst, maar eerst nog ter overbrugging enige tijd in andere pleeggezinnen moeten verblijven. Mede gezien de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek, acht de rechtbank dit zeer schadelijk voor de kinderen. Die schade zou dan wel eens zo groot kunnen zijn dat de optie van terugplaatsing van de beide kinderen bij hun ouders, mits met zeer intensieve begeleiding en vanuit een beschermde woonvorm, toch de voorkeur zou hebben.

Er echter van uitgaande dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vanuit de huidige pleeggezinnen rechtstreeks kunnen worden doorgeplaatst naar voor hen geschikte perspectiefbiedende pleeggezinnen, zal de rechtbank de machtiging uithuisplaatsing verlengen als na te melden.

Aangezien de indicatiebesluiten een gelding hebben tot 1 juli 2007 zal de rechtbank de machtiging tot die datum verlengen en afwijzen voor het overige.

3. Beslissing

De rechtbank verlengt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [naam minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg als bedoeld in het indicatiebesluit d.d. 25 april 2006, kenmerk X1238466, met ingang van 13 oktober 2006 tot 1 juli 2007.

De rechtbank verlengt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [naam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg als bedoeld in het herindicatiebesluit d.d. 25 april 2006, kenmerk X1238398, met ingang van 13 oktober 2006 tot 1 juli 2007.

Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van

13 oktober 2006 door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en mr. M.A.A.T. Engbers, leden, van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, rechters, in bijzijn van S. Doets als griffier.