Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ0660

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
200607/HA ZA 05-1856
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease Sprint Plan. Geen toerekenbare tekortkoming onrechtmatige daad, eigen schuld eiser. Verdeling vergoedingsplicht ex. art. 6:101 BW, 50% - 50%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 200607 / HA ZA 05-1856

Vonnis van 18 oktober 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. M. Lanen,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. B.F. Keulen.

Partijen zullen hierna [eiser] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft de zaak daartoe verwezen naar de meervoudige kamer.

2. De feiten

2.1 Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan.

2.2 [Eiser] heeft op enig moment van Spaarbeleg een informatiepakket ontvangen, dat onder andere een inschrijfformulier voor het SprintPlan bevatte. [Eiser] heeft aan Spaarbeleg een ingevuld inschrijfformulier geretourneerd, dat Spaarbeleg op 20 september 2000 heeft ontvangen. Spaarbeleg heeft vervolgens diezelfde dag aan [eiser] een welkomstpakket gestuurd achtereenvolgens bestaande uit een namens Spaarbeleg ondertekend certificaat (hierna: “het certificaat”), een exemplaar van de door Spaarbeleg gehanteerde Algemene Voorwaarden (hierna: “de Algemene Voorwaarden), de Specifieke Bepalingen van het Spaarbeleg GarantieFonds en een brochure over het SprintPlan (hierna: “de Brochure”).

Aldus is tussen partijen een overeenkomst (hierna: “de overeenkomst”) totstandgekomen.

2.3 De tekst van de Algemene Voorwaarden luidt voor zover relevant als volgt:

“5.1 Op de aanvangsdatum van een Spaarbeleg SprintPlan-contract worden voor rekening en risico van de Cliënt een aantal (…) Participaties van de desbetreffende serie aangekocht. De Aankoopsom wordt gefinancierd door AEGON Bank, die ervoor zorgt dat de Aankoopsom tijdig aan het AEGON GarantieFonds wordt betaald. De desbetreffende (…) Participaties worden op naam van Stichting AEGON BeleggingsGiro gesteld, die deze voor rekening en risico van de Cliënt gaat houden. Vanaf het moment waarop deze transactie is verricht, is de Cliënt Deelnemer in de desbetreffende Portefeuille.

5.2 Het door de Deelnemer op zijn inschrijfformulier vermelde maandbedrag is rente over de Aankoopsom van de voor hem aangekochte (…) Participaties. (...)

7.1 Bij afloop van het Spaarbeleg SprintPlan-contract van een Deelnemer op een einddatum van de desbetreffende Portefeuille, maken AEGON Bank en Stichting AEGON BeleggingsGiro voor die Deelnemer een eindafrekening op, die binnen twee weken na de einddatum aan de Deelnemer wordt toegezonden. Op de eindafrekening wordt vermeld:

(a) het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de (…) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor Deelnemer houdt, (b) de voor het desbetreffende Spaarbeleg SprintPlan-contract geldende (restant-) Aankoopsom en (c) al hetgeen de Deelnemer alsdan verder nog uit hoofde van zijn Spaarbeleg SprintPlan-contract aan AEGON Bank verschuldigd mocht zijn. Het saldo van de eindafrekening is het bedrag van de onder (a) bedoelde post, verminderd met het gezamenlijke bedrag van de onder (b) en (c) bedoelde posten. (...)

7.3 Indien het in artikel 7.1 bedoelde saldo van de eindafrekening negatief mocht zijn, is de Deelnemer verplicht tot bijbetaling van dit saldo aan AEGON Bank. (...)

8.4 In geval van vervroegde opzegging of beëindiging vindt vervroegde eindafrekening plaats. Het bepaalde (...) in artikel 7, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat (i) de in artikel 7.1 onder (a) bedoelde post van de eindafrekening wordt vervangen door een bedrag dat gelijk is aan de Dagwaarde van de (…) Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro alsdan voor de Deelnemer houdt; (...)

9.3 Alle voor- en nadelen verbonden aan de Participaties die Stichting AEGON BeleggingsGiro voor een Deelnemer houdt, zijn voor rekening en risico van de desbetreffende Deelnemer."

2.4 De tekst van het certificaat luidt als volgt:

“ (...)

Maandbedrag : f 250,00

Belegd bedrag : f 37.500,00

Belegd in : Spaarbeleg GarantieFonds juni 99/04

Rente : 8,00% (...)

Garantiewaarde : f 37.500,00

(...)”

2.5 In de brochure is onder andere de volgende tekst opgenomen:

(...) Op basis van het gekozen maandbedrag, schiet Spaarbeleg direct een groot bedrag voor. (...) Makkelijk en aantrekkelijk is bovendien, dat u geen kennis van beleggen hoeft te hebben. De beleggingsexperts van AEGON beheren het AEGON GarantieFonds. (...)

Het werkt heel eenvoudig. Uw maandbedrag is een vergoeding (rente) voor het bedrag dat Spaarbeleg u voorschiet. Hoe lager die rente is, hoe groter het bedrag dat we u kunnen voorschieten. Door de lage rente van dit moment (8%) gaat er direct groot bedrag voor u aan de slag! En daar profiteert u optimaal van omdat het rendement op dit voorgeschoten bedrag voor u is. Het bedrag wordt belegd in het AEGON GarantieFonds. Na 5 jaar wordt de waarde van deze belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag.(...)

Maar misschien nog interessanter: het GarantieFonds biedt u de garantie dat het voorgeschoten bedrag na 5 jaar nooit in waarde kan dalen. U loopt dus alleen risico over uw rentebetalingen. (…)

Stel u doet mee voor f 150,- per maand. Spaarbeleg belegt dan direct f 22.500,- voor u. Als de Samengestelde Index 12% per jaar stijgt, is de waarde van de belegging na 5 jaar f 39.653,-. Na aftrek van het voorgeschoten bedrag ontvangt u dan f 17.153,-. (...)

De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. (...) Als de beurs onverwacht tegenvalt, loopt u risico over uw rentebetalingen. (...)

Eerder stoppen kan ook. U krijgt dan de waarde van uw SprintPlan, na aftrek van het voorgeschoten bedrag en 5% boeterente, uitgekeerd. Bij tussentijdse beëindiging komt de garantie op het voorgeschoten bedrag te vervallen.(…)

2.6 [Eiser] heeft op basis van de overeenkomst 56 maandtermijnen van € 113,45 (NLG 250,00) aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van € 6.353,20.

2.7 Bij brief van 27 juni 2005 heeft de advocaat van [eiser] de overeenkomst namens [eiser] buitengerechtelijk ontbonden op grond van het feit dat door rechtbanken en gerechtshoven is vastgesteld dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens haar contractanten met het Sprintplanproduct heeft geschonden door onvoldoende te wijzen op de grote risico’s welke het financiële product Sprintplan met zich meebracht.

3. Het geschil

3.1 [Eiser] heeft bij dagvaarding - samengevat – gevorderd dat de rechtbank

a. voor recht verklaart dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, althans dat de rechtbank de overeenkomst ontbindt;

b. Spaarbeleg veroordeelt tot betaling van € 6.353,20 vermeerderd met rente en kosten.

3.2 Bij conclusie van repliek heeft [eiser] gesteld dat er sprake is van onrechtmatig handelen van Spaarbeleg, maar zijn eis dienaangaande niet nader ingericht. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [eiser] evenwel nader toegelicht dat hij zich subsidiair op het standpunt stelt dat Spaarbeleg onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat hij aanspraak maakt op de door hem gevorderde bedragen als schadevergoeding wegens dit onrechtmatig handelen. Aldus heeft [eiser] de grondslag van zijn vordering gewijzigd.

3.3 Spaarbeleg heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis, die haars inziens pas voor het eerst ter gelegenheid van het pleidooi onder haar aandacht en dat van de rechtbank is gebracht. Desgevraagd heeft zij in dit verband evenwel aangegeven dat uit de conclusies van antwoord en dupliek voldoende duidelijk het standpunt van Spaarbeleg ter zake mogelijk onrechtmatig handelen volgt en dat zij geen behoefte heeft aan een nadere toelichting op dit punt.

3.4 Het bezwaar tegen de wijziging van eis wordt ongegrond verklaard, omdat die wijziging niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Spaarbeleg is in de processtukken uitvoerig ingegaan op het gestelde onrechtmatig handelen en wordt door de eiswijziging in haar verweer tegen de vordering niet geschaad. De rechtbank zal derhalve de vordering zowel op de primaire als subsidiaire grondslag beoordelen.

3.5 Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Schending zorgplicht

4.1 [Eiser] legt aan zijn vordering, kort samengevat, ten grondslag dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hem niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s (meer het bijzonder het risico dat hij na ommekomst van de overeenkomst zijn volledige inleg kwijt zou zijn) die hij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt hij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door niet te onderzoeken of hetgeen hij met de overeenkomst beoogde aansloot bij doel en strekking van het product. Zou Spaarbeleg dat wel hebben gedaan, dan zou Spaarbeleg hem de overeenkomst hebben moeten ontraden aangezien hij beoogde te sparen.

4.2 Voor wat betreft zijn persoonlijke omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft [eiser] het volgende aangevoerd.

[Eiser] was in 2000 62 jaar oud en had een bruto jaarinkomen van NLG 73.679,00 bruto als buitenlandmedewerker van een internationaal transportbedrijf. Zijn opleiding is HBS-A. Hij bewoonde een goede doch eenvoudige middenstandswoning die zijn eigendom is en beschikte niet over overig vermogen. Zijn doel was met de overeenkomst gedurende 5 jaar een vermogen(tje) te vergaren van tenminste NLG 15.000,00. Het SprintPlanproduct is hem via een huis aan huis mailing aangeboden. Hij had nooit eerder belegd en had dienaangaande ook geen kennis.

4.3 Spaarbeleg heeft de gestelde (persoonlijke) omstandigheden waaronder de overeenkomst tot stand is gekomen niet weersproken, maar stelt, kort samengevat, dat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden omdat de door haar verstrekte informatie over het product (zie rechtsoverweging 2.2) voldoende duidelijk was.

Door Spaarbeleg is als zodanig niet ontkend dat zij geen informatie bij [eiser] heeft ingewonnen omtrent zijn beleggingservaringen en financiële positie. Spaarbeleg heeft in dit verband echter betoogd dat zij niet gehouden is tot het inwinnen van dergelijke informatie bij een product als het SprintPlan.

4.4 De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2003, JOR 2003, 199, heeft overwogen dat op een bank een bijzondere zorgplicht rust om niet-professionele beleggers te informeren over de risico's van het product, en in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285 heeft overwogen "dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt." Deze zorgplicht – die naar zijn aard strekt tot bescherming van de (potentiële) cliënt tegen het gevaar van zijn eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht – vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de contractuele verhouding tussen financiële instellingen en haar particuliere cliënten, meebrengen.

4.5 De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 december 2004 (NJ 2005, 60), onder meer herhaald in haar vonnis van 4 januari 2006 (NJ 2006, 152) aangegeven dat de omvang van de zorgplicht wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten, het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer.

De rechtbank heeft in het laatstgenoemde vonnis in dit verband onder meer overwogen:

(…) dat de rechtbank van oordeel is dat mede gelet op de risico's van het SprintPlan Spaarbeleg niet kon volstaan met het alleen verstrekken van informatie. Door Spaarbeleg is naar aanleiding hiervan betoogd dat het SprintPlan een veilig product is met zeer beperkt risico's. Tot deze stelling komt Spaarbeleg onder meer omdat, anders dan bij andere aandelenlease-producten, de deelnemer aan het SprintPlan niet met een restschuld kan worden geconfronteerd. Zelfs bij tussentijdse verlaging of beëindiging van een SprintPlan blijft, volgens Spaarbeleg, de omvang van de risico's beperkt.

Naar het oordeel van de rechtbank lijkt Spaarbeleg hiermee te miskennen, dat een en ander onverlet laat dat het SprintPlan ook in het geval er geen tussentijdse verlaging of beëindiging plaatsvindt, het verlies van de betaalde rente ook als risico valt aan te merken. Hierbij geldt dat tussentijdse verlaging of beëindiging als zodanig het risico niet beperkt, nu de mogelijkheid blijft bestaan dat niettemin de rente over de oorspronkelijk resterende looptijd verschuldigd blijft.

De noodzaak om informatie in te winnen wordt, volgens de rechtbank, nog onderstreept doordat Spaarbeleg zich niet heeft gericht op een gesegmenteerd publiek. Door het product aan te bieden aan een niet gesegmenteerd publiek kan moeilijk worden volgehouden dat het voor Spaarbeleg op voorhand duidelijk kon zijn dat de aan het product verbonden risico's voor alle potentiële deelnemers beperkt waren en het product beantwoordde aan de beleggingsdoelstellingen van alle individuele deelnemers.

En voorts:

(…) dat om de aan het product verbonden risico's geheel te kunnen doorgronden de potentiële deelnemer wel de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden dient te combineren en enkele denkstappen dient te maken. Dit betekent dat de professionele aanbieder van het product, die als geen ander de risico's en de omvang daarvan kent, dient te verifiëren of de potentiële deelnemer inderdaad deze denkstappen heeft gemaakt mede in het licht van zijn beleggingsdoelstelling.

4.6 Vaststaat dat Spaarbeleg de beleggingsdoelstelling van [eiser] niet heeft onderzocht, noch heeft geverifieerd of [eiser] alle denkstappen had gemaakt om het SprintPlanproduct op haar merites te kunnen beoordelen. Aldus heeft Spaarbeleg niet voldaan heeft aan haar zorgplicht hetgeen betekent dat Spaarbeleg onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

Onrechtmatig handelen en toerekenbare tekortkoming

4.7 [Eiser] heeft primair gesteld dat dit onrechtmatig handelen ingevolge het vonnis van deze rechtbank van 26 april 2005 (bedoeld is 20 april 2005, JOR 2005, 152) tevens een toerekenbare tekortkoming oplevert die de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. De rechtbank Utrecht heeft in die zaak (later bevestigd in het vonnis van 6 juli 2005 (LJN AT 8955)) dienaangaande overwogen dat de zorgplicht die Spaarbeleg jegens haar cliënten heeft, onderdeel uitmaakt van de SprintPlanovereenkomsten, in die zin dat een bank/beleggingsinstelling door een aanbod te doen tot het sluiten van een SprintPlanovereenkomst en dit aanbod gestand te doen, de verplichting op zich neemt om de deelnemer volledig, juist en op een voor hem begrijpelijke wijze te informeren over de omvang van de aan het SprintPlan verbonden financiële risico’s. Indien deze verplichting niet in acht wordt genomen schiet Spaarbeleg tekort in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, welke tekortkoming haar kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft daarbij, benevens de grondslag van de in die zaak ingestelde vordering, meegewogen dat over deze problematiek in de literatuur verschillend wordt gedacht (verwezen zij naar de conclusie van advocaat-generaal Huydecoper bij het arrest van de Hoge Raad d.d. 23 januari 2004 (LJN AL7051)) en de SprintPlanovereenkomst op een heel eigen wijze tot stand komt. Deze komt immers niet tot stand doordat beide partijen een zelfde stuk ondertekenen, maar op basis van door Spaarbeleg in delen toegezonden informatie, waarbij de wil van de potentiële belegger om de SprintPlanovereenkomst tot stand te brengen wordt afgeleid uit een inschrijfformulier en het uitblijven van enige nadere reactie van de potentiële belegger gedurende de door Spaarbeleg in het traject van totstandkomen van de overeenkomst ingebouwde bedenktijd. De rechtbank is ervan uitgegaan dat Spaarbeleg haar zorgplicht in ieder geval heeft geschonden gedurende de bedenktijd die aan de potentiële belegger wordt gegeven. De rechtbank heeft in haar vonnis d.d. 22 december 2004 ( JOR 2005,152) geoordeeld dat de SprintPlanovereenkomst heeft te gelden als een overeenkomst onder opschortende voorwaarde, waardoor het schenden van de zorgplicht gedurende de bedenktijd die de potentiële belegger wordt gegeven formeel dient te worden beschouwd als het schenden van de zorgplicht in de precontractuele fase. Gezien de bijzondere aard van de overeenkomst en de wijze waarop Spaarbeleg heeft gemeend deze tot stand te moeten brengen heeft de rechtbank echter aanknopingspunten gezien om de schending van de zorgplicht te beschouwen als een tekortkoming in de hiervoor beschreven zin.

4.8 Spaarbeleg heeft in deze zaak uitdrukkelijk verwezen naar de uitspraak van Hof Den Bosch d.d. 5 april 2005 (LJN AT 2375) die specifiek handelt over schending van de zorgplicht door een bank/beleggingsinstelling bij het in de markt zetten van een aandelenleaseproduct. In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat het schenden van de zorgplicht in de precontractuele fase niet kwalificeert als een tekortkoming, maar (enkel) als onrechtmatig handelen. Hoewel de zaak niet handelde over het SprintPlanproduct van Spaarbeleg ziet de rechtbank in deze uitspraak, gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding terug te komen op haar hiervoor weergegeven eerder oordeel dat het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg kwalificeert als een tekortkoming. Dit betekent dat de primaire vordering zal worden afgewezen.

Causaal verband

4.9 Spaarbeleg heeft gesteld dat [eiser] heeft nagelaten het causale verband tussen het hiervoor besproken onrechtmatig handelen en de gestelde schade (de betaalde rentetermijnen) aan te tonen. Zij licht dit beroep op het ontbreken van enig causaal verband toe door te stellen dat niet is gebleken dat [eiser] de overeenkomst daadwerkelijk niet zou hebben gesloten als Spaarbeleg meer specifieke informatie had verstrekt en onderzoek had gedaan naar de persoonlijke omstandigheden van [eiser]. Haars inziens is immers niet gebleken dat Spaarbeleg ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in een zodanige financiële positie was dat hij de verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Daarbij gaat Spaarbeleg ervan uit dat [eiser] op grond van de door haar verstrekte informatie bekend mocht worden verondersteld met het beleggingskarakter en de risico’s van het SprintPlan.

4.10 Uit hetgeen terzake het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg is overwogen volgt dat Spaarbeleg juist niet uit mocht gaan van de veronderstelling dat de risico’s van het SprintPlan [eiser] voldoende duidelijk waren, noch zonder meer ervan uit mocht gaan dat het SprintPlan aansloot bij de beleggingsdoelstellingen van [eiser]. Het enkele feit dat [eiser] op zichzelf bereid en in staat was de maandelijkse rentebetalingen te doen is derhalve voor de beoordeling van het causaal verband niet van doorslaggevend belang.

Beoordeeld dient te worden of (aannemelijk is dat) de overeenkomst ook zou zijn gesloten indien [eiser] afdoende bekend was geweest met de aard en omvang van het risico dat de maandelijks door hem te betalen termijnen verloren zouden gaan en/of Spaarbeleg had geïnformeerd naar zijn beleggingsdoelstelling.

4.11 [Eiser] heeft gemotiveerd (zie rechtsoverweging 4.2.) aangevoerd dat hij beoogde met de overeenkomst te gaan sparen en een zeker rendement wenste te behalen. Spaarbeleg heeft dit niet weersproken, maar heeft gesteld dat [eiser] niet heeft aangetoond dat hij geen beleggingservaring had. Voor de beoordeling van het causaal verband kan de aanwezigheid van beleggingservaring in die zin relevant zijn dat in geval een deelnemer kennis heeft van soortgelijke producten, die mogelijkerwijs ook al eens eerder door hem zijn aangeschaft, het causaal verband tussen gestelde schade en het onrechtmatig handelen heel specifiek en concreet moet worden toegelicht. In zo’n geval is immers, zonder nadere toelichting, niet aannemelijk dat hij niet voor het SprintPlanproduct zou hebben gekozen als Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten (zie het vonnis van deze rechtbank d.d. 23 augustus 2006 LJN AY 7074). De verplichting van een deelnemer aan het SprintPlan om het causaal verband te onderbouwen en inzichtelijk te maken, voert echter niet zo ver dat hij, indien er geen objectieve aanwijzingen bestaan dat zijn beleggingservaringen het causaal verband zonder nadere toelichting niet aannemelijk maken, dient aan te tonen dat hij geen beleggingservaring heeft. Nu Spaarbeleg terzake haar betwisting van het causaal verband geen concreet en zakelijk relevant bewijs van haar stellingen heeft aangeboden, gaat de rechtbank dan ook aan deze stellingen voorbij.

4.12 Op basis van hetgeen [eiser] ter onderbouwing van het causaal verband heeft aangevoerd en gezien het gegeven dat aan de onderhavige overeenkomst inherent is dat geen zekerheid omtrent het rendement kan worden geboden, acht de rechtbank het aannemelijk dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen indien Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten. De rechtbank passeert derhalve het verweer van Spaarbeleg op dit punt.

Eigen schuld

4.13 Spaarbeleg stelt zich op het standpunt dat [eiser] zich voldoende rekenschap had moeten geven van de risico’s van het product, door zich te verdiepen in het informatiemateriaal en bij onduidelijkheden nadere informatie had moeten inwinnen. Door een en ander niet te doen dient naar de mening van Spaarbeleg de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van [eiser] te komen.

4.14 Dit verweer van Spaarbeleg treft doel. Ten aanzien van zijn besluitvorming betreffende de overeenkomst heeft [eiser] slechts aangegeven dat het SprintPlan product onder zijn aandacht is gebracht via een huis aan huis mailing. Uit de informatie die hij dienaangaande schriftelijk ontving moet [eiser] op hebben kunnen maken dat het product niet zonder meer als een spaarproduct kon worden gezien. Gelijk de rechtbank ook in de hiervoor genoemde uitspraken betreffende het SprintPlan heeft overwogen had [eiser] bij oplettende bestudering van de informatie kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat de deelnemer maandelijks een bedrag aan rente zou betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening, en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van de deelnemer participaties zou kopen in het Aegon Garantiefonds.

Dientengevolge had het op de weg van [eiser] gelegen zich nader te informeren over de risico’s van het product en of het product wel aansloot bij zijn wensen, bijvoorbeeld door te rade te gaan bij een tussenpersoon.

4.15 De eigen schuld die [eiser] heeft aan het ontstaan van zijn schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten dient te worden geplaatst in het kader van de wijze van totstandkomen van de overeenkomst en te worden afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. De rechtbank stelt voorop dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige – die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten – beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de als gevolg van een schending van de zorgplicht geleden schade in beginsel voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenleaseproducten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, zodat de deelnemer in beginsel alleen risico loopt ter zake de maandelijkse betalingen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit gegeven er niet toe leidt dat Spaarbeleg er, anders dan bij andere aandelenleaseproducten, op mocht vertrouwen dat de cliënt bereid zou zijn de risico’s van het SprintPlan product te nemen, juist omdat de informatie met betrekking tot wat het product nu in de kern inhoudt zo verspreid over de verschillende contractstukken is opgenomen, dat de doorgronding van het product en de risico’s, zoals de rechtbank al meermalen heeft overwogen, de nodige denkstappen vergt, terwijl de stapsgewijze aanbieding van de informatie het gevaar in zich draagt dat relevante informatie niet (meer) zorgvuldig wordt bestudeerd.

4.16 In ieder individueel geval zullen evenwel de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld die van belang zijn voor de verdeling van de vergoedingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 BW. De rechtbank is van oordeel dat voor de verdeling van de vergoedingsplicht de volgende omstandigheden van belang kunnen zijn:

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

4.17 Een en ander brengt de rechtbank bij de beoordeling van de eigen schuldvraag in de onderhavige zaak. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat [eiser] als goed opgeleid dient te worden beschouwd en, gezien zijn leeftijd, de nodige levenservaring moet worden geacht te hebben opgedaan. Van hem mocht om die reden worden verwacht dat hij, bij zorgvuldige lezing van de door hem ontvangen informatie over het SprintPlan, eerder dan gemiddeld, kanttekeningen zou plaatsen bij zijn indruk dat het hier handelde om een spaarproduct dat een zeker rendement op zou leveren. De rechtbank ziet hierin aanleiding de eigen verantwoordelijkheid die op iedere deelnemer van het SprintPlan rust om navraag te doen naar de aard en strekking van het product en meer in het bijzonder het rendement ervan, bij [eiser] enigszins zwaarder te wegen dan gemiddeld. De rechtbank acht om die reden een verdeling van de schade, zodanig dan [eiser] 50% en Spaarbeleg 50% dient te dragen, op zijn plaats.

De schade

4.18 Uit hetgeen met betrekking tot het onrechtmatig handelen is overwogen vloeit voort dat de door [eiser] maandelijks aan Spaarbeleg betaalde bedragen, anders dan Spaarbeleg meent, kunnen worden aangemerkt als schade geleden tengevolge van het onrechtmatig handelen van Spaarbeleg. Spaarbeleg heeft nog aangevoerd dat de schade van [eiser] niet inzichtelijk is geworden omdat pas aan de hand van de waarde van de participaties bij het einde van de looptijd van de overeenkomst kan worden vastgesteld of schade is geleden en zo ja, tot welk bedrag. Voor zover Spaarbeleg hiermee wenst te betogen dat de waarde van de participaties na ommekomst van de looptijd van de onderhavige overeenkomst zodanig zou kunnen zijn dat de door [eiser] gestelde schade niet gelijk gesteld kan worden aan de door hem betaalde maandbedragen, had het op haar weg gelegen een en ander nader te onderbouwen. Vaststaat immers dat de overeenkomst op 1 november 2005 zou zijn geëindigd indien en voor zover de overeenkomst niet rechtsgeldig tussentijds zou zijn ontbonden (hetgeen [eiser] stelt dat het geval is). Over de waarde van de participaties per 1 november 2005 had Spaarbeleg zich bij conclusie van dupliek of bij pleidooi kunnen uitlaten. Nu Spaarbeleg dit niet heeft gedaan passeert de rechtbank dit verweer als onvoldoende onderbouwd.

Conclusie

4.19 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiser] in hoofdsom tot een bedrag van € 3.176,60 kan worden toegewezen. De wettelijke rente kan worden toegewezen over de helft van de door [eiser] betaalde maandelijkse termijnen, vanaf het moment dat die betalingen zijn verricht omdat de schade moet worden geacht per dat moment te zijn ingetreden.

Buitengerechtelijke kosten

4.20 De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. [Eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.21 Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op:

- dagvaarding EUR 85,60

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 291,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.536,00 (4,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.912,60

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 3.176,00 (drieduizend honderd zesenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over de helft van de maandelijks door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling, tot de dag van volledige betaling,

5.2 veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.912,60,

5.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D.C.P.M. Straver, mr. L.M.G. de Weerd en Ch.E. Bethlem en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2006.