Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ0362

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-10-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
218429 / KG ZA 06-887
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4852, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres is in 1956 toegetreden tot de congregatie van de zusters van de H. Jozef. Zij is in 1970 wegens haar gedrag ontslagen van het lidmaatschap van de congregatie. Zij is tevens weggezonden van de communiteit. Eiseres vordert in kort geding dat zij weer als lid in het huis van de congregatie mag verblijven. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 218429 / KG ZA 06-887

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2006

in de zaak van

[eiseres]

procureur mr. A.R.J. Mulder,

advocaat mr. L.H. Haarsma te Paterswolde,

tegen

1. Aartsbisschop van het Aartsbisdom Utrecht,

wonende te Utrecht,

2. DE OVERSTE VAN DE CONGREGATIE VAN DE ZUSTERS VAN

DEN HEILIGEN JOZEF,

wonende te Amersfoort,

3. HET ROOMS-KATHOLIEKE AARTSBISDOM UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. N.L.H.M. Laane te Enschede.

Partijen zullen hierna [eiseres] en respectievelijk, de Kardinaal, de Overste van de Congregatie en het Aartsbisdom Utrecht genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van gedaagden.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1. De feiten

1.1. [eiseres] is op 1 februari 1956 toegetreden tot de Congregatie van de zusters van den H. Jozef (hierna: de congregatie). Op 4 augustus 1958 heeft zij haar kleine gelofte afgelegd en op 4 februari 1962 heeft zij haar eeuwige gelofte afgelegd.

2.2. De (toenmalig) algemeen overste van de congregatie (hierna: de overste), heeft zich door aantal voorvallen in de communiteit waarbij [eiseres] was betrokken, genoodzaakt gevoeld om vanaf 2 januari 1970 een soort dagboek bij te houden. In de door haar opgetekende verslagen van die periode staat onder meer vermeld dat zij [eiseres] meermalen heeft aangesproken op haar gedrag en haar op 12 januari 1970 onder meer het volgende heeft voorgehouden: “Dit is nu de derde keer dat we u waarschuwen. Als u door blijft gaan met handelingen of woorden of het bestuur tegen te werken en weigert bepaalde werkzaamheden door de directrice […] opgedragen niet te volbrengen, als u spanningen blijft veroorzaken door allerlei bedreigingen tegen de zusters te uiten en niet verbetert, moeten we u buiten de congregatie zetten.”

Uit de verslagen blijkt tevens dat de overste vanaf 2 januari 1970 regelmatig telefonisch contact over het gedrag van [eiseres] met vicaris generaal mgr. [naam betrokkene] van het Aarts-bisdom Utrecht heeft gehad.

2.3. De vicaris generaal heeft bij gelegenheid van een met de overste van de congregatie gevoerd gesprek op 13 januari 1970, het verslag van de door de overste opgetekende gebeurtenissen doorgelezen. Bij die gelegenheid is onder meer gesproken over de mogelijkheid van een ontslag van [eiseres] en alsmede de omvang van het bedrag dat aan [eiseres], bij eventueel ontslag, zou worden uitbetaald.

2.4. Op 15 januari 1970 heeft een vergadering plaatsgevonden van de adviesraad van de congregatie. Aldaar zijn ook de gebeurtenissen rond [eiseres] besproken. De raad heeft geadviseerd de zaak spoedig af te ronden omdat de aanwezige zusters te kennen hadden gegeven dat deze gespannen toestand niet langer houdbaar was.

De overste heeft [eiseres] nog diezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek om 16.00 uur. Tijdens dat gesprek is aan [eiseres] kenbaar gemaakt dat zij haar gedrag vanaf diezelfde dag diende te verbeteren, de richtlijnen van de congregatie diende na te leven en weer gehoorzaam moest zijn aan het bestuur. Ook is aangegeven dat [eiseres] bij een ongewij-zigde opstelling, door de bisschop zou worden weggezonden. [eiseres] heeft daarop niet gereageerd.

Vervolgens heeft de overste, na een telefoongesprek met vicaris generaal mgr. [naam betrokkene], aan [eiseres] een verklaring ter hand gesteld die zij diende te ondertekenen. Deze verklaring behelsde kort weergegeven een toezegging en belofte om zich volgens de regels van de congregatie te gedragen en om gehoorzaamheid te betrachten. Aan [eiseres] is medegedeeld dat zij tot 18.00 uur bedenktijd kreeg om de verklaring te ondertekenen. [eiseres] heeft de betreffende verklaring niet willen ondertekenen.

Toen [eiseres] zich om 19.00 uur bij de overste meldde om aan te geven dat zij had nagedacht, heeft de overste haar meegedeeld dat haar tijd was verstreken.

2.5. De overste van de congregatie heeft bij brief van 15 januari 1970 aan de toenmalige Aartsbisschop van het Aartsbisdom Utrecht namens het bestuur van de congregatie het volgende verzoek gedaan.

“In overeenstemming met artikel 28 van de Constitutiën van de Congregatie der Zusters

van de Heilige Jozef te Amersfoort, verzoekt het bestuur van de Congregatie der Zusters

van de Heilige Jozef de onverwijlde wegzending goed te keuren van [eiseres]; niet alleen vanwege

de grote openbare ergernis die deze zuster heeft gegeven, maar tevens en vooral omdat

zij het gemeenschapsleven radicaal verstoort, het gezag niet erkent en niet bereid is te

gehoorzamen.

Ondanks herhaalde pogingen om haar tot verandering van gedrag te brengen, heeft zij in

haar houding volhard. (…)

De concrete motivering moge U lezen uit het dagboek, zoals dat door de algemeen

overste is bijgehouden. Wij hebben gevraagd aan de zusters (….) die voortdurend in deze

procedure betrokken zijn geweest, om dit dagboek te willen tekenen, waarmede ze tot

uitdrukking brengen dat dit dagboek de waarheid weergeeft voor zover zij de gebeurte-

nissen hebben meegemaakt. (…)

Wij hebben steeds gehandeld in overleg en opdracht van Mgr. [naam betrokkene], aan wie wij dan

ook een copie van dit schrijven en bijlage doen toekomen.”

2.6. Artikel 28 van de “Constitutiën van de Congregatie van de Zusters van den H. Jozef te Amersfoort” – zoals gewijzigd in 1935 – bepaalt onder meer:

“Indien een Zuster – wat God verhoede – zware uiterlijke fouten begaan heeft en

zich op den duur onverbeterlijk zou tonen, zodat gegrond hoop op beterschap

verdwijnt, en de herhaalde fouten der onverbeterlijke Zuster nadelig dreigen te

worden voor de Congregatie, dan kan de Overste met haar Raadzusters bij

geheime stemming tot het wegzenden der Zuster besluiten. De goedkeuring der

wegzending zal gevraagd worden aan den Bisschop, in wiens diocees het huis ligt,

waar de Zuster woont. Heeft een Zuster een grote openbare ergernis gegeven, dan

kan zij met goedkeuring van de betreffende Bisschop onverwijld worden

weggezonden. Men zende haar naar een ander huis, totdat zij de dispensatie van

haar geloften, tenminste van armoede en gehoorzaamheid, heeft verkregen.

De slechte gezondheidstoestand ener Zuster, die de eeuwige Geloften gedaan

heeft, kan nooit een reden tot wegzending zijn (…)”

2.7. Op 16 januari 1970 heeft de Aartsbisschop van Utrecht een aan [eiseres] gerichte brief opgesteld met de volgende inhoud:

“Op verzoek van het Bestuur van de Congregatie der Zusters van de H. Joseph te

Amersfoort en gezien de motieven die aan dit verzoek ten grondslag liggen, verleen ik

u bij deze met ingang van heden ontslag van uw geloften, afgelegd in genoemde

Congregatie zodat u van alle verplichtingen bent ontslagen en niet langer lid bent van

de Congregatie.”

2.8. Op 17 januari 1970 heeft vicaris generaal mgr. [naam betrokkene] een uur met [eiseres] gesproken en haar na afloop van het gesprek de ontslagbrief genoemd onder 2.7 ter hand gesteld. [eiseres] is onder protest vertrokken naar het huis van haar moeder. Het aan haar overhandigde bedrag ad fl. 2000,-- heeft zij toen niet willen aannemen.

2.9. Op 19 januari 1970 heeft [eiseres] een brief aan het bestuur van de congregatie gezonden waarin zij haar spijt over de gang van zaken betuigt, haar excuses aanbiedt en om medelijden vraagt. Ook geeft zij aan dat haar gezondheid niet best is.

2.10. In de loop van 1970 heeft [eiseres] meerdere malen schriftelijk haar spijt betuigd en om hulp gevraagd. Nadien, in de periode 1971 - 1982 hebben ook derden zich namens en ten behoeve van [eiseres], tot de congregatie en diverse functionarissen van het Aartsbis-dom gewend. Vanaf 1998 tot heden heeft [eiseres], al dan niet met tussenkomst van derden, met een onderbreking van vijf jaren, weer contact met de congregatie en het Aartsbisdom gezocht teneinde in de congregatie te mogen terugkeren.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - gedaagden te veroordelen om mee te werken aan herziening van het besluit houdende de wegzending van [eiseres] uit de congregatie in die zin dat besloten wordt dat zij altijd lid is gebleven. Voorts vordert zij dat gedaagden de rehabilitatie van [eiseres] in woord en geschrift zullen bevestigen en dat gedaagden worden veroordeeld te bewerkstelligen dat zij in het huis van de congregatie te Amersfoort zal mogen verblijven en zal worden verzorgd. Een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure. [eiseres] heeft haar vordering strekkende tot de afgifte van het dossier dat op haar wegzending betrekking heeft, ter zitting ingetrokken.

3.2. Namens de Kardinaal, de Overste van de Congregatie en het Aartsbisdom is verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Gedaagden hebben in de eerste plaats doen betogen dat [eiseres] in haar vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat de vordering van [eiseres] er toe strekt om haar weer in de congregatie op te nemen terwijl alle gedaagden de bevoegdheid tot het nemen van een dergelijk besluit missen.

4.2. Dit verweer treft slechts ten dele doel. Vast staat dat er sprake is van een conflict tussen [eiseres] enerzijds en de rechtspersoonlijkheid bezittende Congregatie van de Zusters van de H. Jozef te Amersfoort anderzijds, welke partij echter niet in rechte is betrokken. Niet is betwist dat de Overste van de Congregatie en het Aartsbisdom de bevoegdheid missen om aan het gevorderde te voldoen. Mitsdien zullen de vorderingen van [eiseres] voorzover tegen deze gedaagden gericht, worden afgewezen.

Nu echter een deel van de vorderingen ook betrekking heeft op de herziening van een besluit dat de Aartsbisschop van Utrecht op 16 januari 1970 heeft genomen, kan [eiseres] in haar vordering jegens de Kardinaal, in diens hoedanigheid van Aartsbisschop van Utrecht, worden ontvangen.

4.3. Gedaagden hebben voorts aannemelijk gemaakt dat de vorderingen van [eiseres] zijn verjaard. Onder het oude burgerlijk recht bedroeg de verjaringstermijn 30 jaar en onder het huidig recht is deze op 20 jaar gesteld. Stuiting van die verjaring had krachtens artikel 3: 317 lid 2 BW jo 3:316 BW alleen kunnen worden bewerkstelligd door een schriftelijke aanmaning die binnen zes maanden zou zijn gevolgd door een daad van rechtsvervolging.

[eiseres] heeft weliswaar aangevoerd dat de brieven die gedurende de periode van 1970 tot heden heeft geschreven als stuitingshandelingen moeten worden aangemerkt, doch aangenomen wordt dat deze brieven niet als aanzeggingen of daden van rechtsvervolging kunnen worden beschouwd.

De vorderingen van [eiseres] jegens de Kardinaal dienen om die reden te worden afgewezen.

4.4. Gelet op het vorenstaande kan onbesproken blijven of de vorderingen een spoed-eisend karakter hebben.

4.5. Ten overvloede wordt het volgende overwogen.

4.5.1 In kort geding kan onder bepaalde omstandigheden een vordering tot ongedaan-making van een wegzending van een zuster uit een congregatie worden toegewezen in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure. Gelet op de pertinente weigering van de congregatie [eiseres] weer toe te laten, zal een dergelijke maatregel in het onderhavige geval zo’n inbreuk maken op de gang van zaken in de communiteit, dat voor een dergelijke maatregel geen aanleiding bestaat.

4.5.2 Voorts is voorshands ook niet aannemelijk geworden dat de vorderingen van [eiseres] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Daartoe diene het volgende.

In het kader van een beoordeling van de procedure rond het verleende ontslag van de geloften is genoegzaam komen vast te staan dat er ten gevolge van het gedrag van [eiseres] in de communiteit spanningen zijn ontstaan. Deze spanningen zijn kennelijk zover opgelopen dat vicaris generaal mgr. [naam betrokkene] eind 1969 bij deze problematiek is betrokken. Ook is niet betwist dat [eiseres] meerdere malen is gewaarschuwd en dat zij heeft volhard in haar houding. [eiseres] heeft ten slotte ook niet betwist dat zij in die periode heeft kunnen en moeten begrijpen welke problematiek er speelde. Gebleken is dat zij toen kennelijk niet de bereidheid heeft getoond daarover met de algemeen overste, dan wel met andere leden van de communiteit die zich daartoe bereid hadden verklaard, te spreken. Op 15 januari 1970 is uitdrukkelijk aan [eiseres] kenbaar gemaakt dat zij zichzelf buiten de congregatie zou stellen als zij niet binnen korte tijd kenbaar maakte dat zij haar gedrag zou veranderen. Een schriftelijke verklaring, die feitelijk expliciet behelsde wat van haar werd verwacht, is haar bij die gelegenheid ter hand gesteld. Die verklaring heeft zij niet willen ondertekenen. [eiseres] heeft de aan haar geboden bedenktijd ook niet benut. Door dit samenstel van feiten en gebeurtenissen heeft [eiseres] feitelijk zelf haar onhoudbare positie in de congregatie bevestigd.

4.5.3 Het verzoek van de overste van de congregatie aan de Aartsbisschop van Utrecht om goedkeuring van onverwijlde wegzending op grond van artikel 28 van de constitutiën, is, gelet op de daarbij gevoegde bijlagen, in voldoende mate onderbouwd. Niet kan worden aangenomen dat de Aartsbisschop daarop geen beslissing had kunnen en mogen nemen.

Ook kan voorshands niet worden aangenomen dat aan het besluit van de Aartsbisschop van 16 januari 1970 gebreken kleven die meebrengen dat het besluit geen rechtskracht heeft dan wel op andere formele gronden herziening behoeft. De Aartsbisschop heeft er in zijn beslissing blijk van gegeven dat hij kennis had genomen van de motieven die aan het verzoek ten grondslag waren gelegd. Uit de bij het verzoek gevoegde stukken heeft hij voorts kunnen afleiden welke bezwaren tegen [eiseres] waren gerezen, dat [eiseres] meerdere malen is gewaarschuwd en dat zij de tijd heeft gekregen om zich te beteren. Ook heeft hij uit die stukken kunnen afleiden dat [eiseres] in de gelegenheid is gesteld om zich tegen de beschuldigingen van de algemeen overste te verdedigen.

4.5.4 [eiseres] heeft voorts aangevoerd dat het besluit van 16 januari 1970 niet geldig is omdat daarop diende te worden vermeld dat de weggezondene het recht heeft om binnen tien dagen na ontvangst van deze kennisgeving in beroep te gaan bij de Heilige Stoel. Het niet wijzen op deze rechtsgang ontneemt aan dat besluit reeds hierom geen rechtskracht omdat de verplichting daartoe niet in de toen geldende codex was opgenomen.

4.5.5 Ten slotte kan [eiseres] ook niet worden gevolgd in haar stelling dat de brief die

zij op 19 januari 1970 aan de congregatie heeft geschreven als een beroepschrift moet worden aangemerkt, waardoor het wegzendingsdecreet een opschortende werking heeft verkregen totdat daarop door de Heilige Stoel zou zijn beslist. Immers, deze brief dient veeleer te worden beschouwd als een spijtbetuiging en een roep om hulp. Het kan aan de congregatie niet met vrucht worden tegengeworpen dat zij dit schrijven niet heeft doorgezonden naar de Heilige Stoel.

4.5. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- vast recht EUR 248,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.064,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op EUR 1.064,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. van Veen en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2006.?

w.g. griffier w.g. rechter