Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AY9796

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
10-10-2006
Zaaknummer
16/617847-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke omschrijving dagvaarding filmfragmenten en plaatjes - ontvankelijkheid OM - gedeeltelijke vrijspraak art. 240b Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 337

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/617847-05

Datum uitspraak: 10 oktober 2006

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

Raadsvrouwe: mr. M. Veldman, uitdrukkelijk gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2006.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 1, 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de dagvaarding voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde feit nietig dient te worden verklaard.

De in de tenlastelegging genoemde afbeeldingen zijn onvoldoende feitelijk omschreven en er is geen enkele link te leggen met het proces-verbaal. Het is onduidelijk of het gaat om de filmfragmenten of over de plaatjes en onduidelijk is welke filmfragmenten en welke plaatjes bedoeld worden. De in de tenlastelegging genoemde gegevensdrager is wel gespecificeerd, maar vervolgens is per gegevensdrager geen specificatie opgenomen van de zich op die gegevensdrager bevindende filmfragmenten en plaatjes. De omschrijving van de ten laste gelegde afbeeldingen voldoet niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat gelet op de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad de tenlastelegging voldoende feitelijke betekenis heeft, aangezien de seksuele gedragingen en de ontuchtige handelingen nader zijn omschreven. Het verweer van de raadsvrouwe wordt verworpen.

De rechtbank is echter van oordeel dat na wijziging van de tenlastelegging voor wat betreft de periode gelegen tussen 22 oktober 2001 tot 1 oktober 2002 de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard vanwege het feit dat de tenlastelegging juist wat betreft het gewijzigde gedeelte niet in overeenstemming is met de wettekst, zoals deze gold tot 1 oktober 2002, waarin, anders dan in de huidige wettekst, de leeftijdsgrens van 16 jaar en het in voorraad hebben waren opgenomen.

De dagvaarding zal voor dit deel van het onder 1 ten laste gelegde nietig worden verklaard.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde feit. Het onder 3 ten laste gelegde betreft hetzelfde feitencomplex als het onder 2 ten laste gelegde feit. Het enige verschil is dat in het onder 2 ten laste gelegde feit een drietal jongens met naam worden genoemd en in het onder 3 ten laste gelegde feit gesproken wordt over een aantal onbekende jongens. De raadsvrouwe voert aan dat sprake is van “nemo debet bis vexari” Beide feiten betreffen één gedraging, hetzelfde materiële gebeuren, gericht op hetzelfde doel en schenden hetzelfde rechtsbelang. Het gaat derhalve om hetzelfde strafbare feit. Het kan niet zo zijn dat verdachte twee maal voor eenzelfde feit wordt vervolgd.

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie in deze de vrijheid heeft om de strafbare gedraging ten laste te leggen op de wijze zoals zij thans heeft gedaan.

De rechtbank is met de raadsvrouwe van oordeel dat het in de rede had gelegen om de zinsnede “meerdere onbekend gebleven jongens” in het onder 2 ten laste gelegde feit mede op te nemen, maar verbindt daaraan niet de consequentie dat het Openbaar Ministerie voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank zal bij haar eindbeslissing hiermede wel rekening houden.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat niet gesteld kan worden dat de in de tenlastelegging genoemde personen (bekend of onbekend) op enige wijze zijn gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen zoals in de tenlastelegging omschreven, nu uit de stukken duidelijk is geworden dat zij zich op geen enkel moment bewust zijn geweest dat verdachte heimelijk beelden van hen heeft opgenomen.

Nu een essentieel onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden, dient verdachte van deze feiten te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat in de Aanwijzing Kinderporno van het College van Procureurs-Generaal van 13 augustus 2003, inwerking getreden op 1 september 2003 (Staatscourant 2 september 2003, nr. 168) een aantal criteria staan vermeld waaraan afbeeldingen moeten voldoen alvorens zij als kinderporno kunnen worden gekwalificeerd, waaronder onder meer de ambiance waarin de afbeeldingen zijn gemaakt.

In casu gaat het om heimelijk opgenomen beelden in kleedkamers van een voetbalvereniging – open ruimtes waar personen in en uit liepen - van jongens in de leeftijd zeven tot vijftien jaar en van jongens in de leeftijd rond de achttien jaar.

De rechtbank is, na het bekijken van de door verdachte opgenomen beelden, van oordeel dat bedoelde beelden zijn opgenomen in een voor de op die afbeeldingen vastgelegde personen natuurlijke omgeving en dat deze personen zich op een natuurlijke wijze gedragen.

De rechtbank is op grond van deze waarneming van oordeel dat de door verdachte heimelijk opgenomen afbeeldingen niet gekwalificeerd kunnen worden als kinderporno.

De rechtbank is het derhalve eens met de in het proces-verbaal genoemde zedenrechercheur Groeneveld, die heeft verklaard dat bedoelde afbeeldingen geen kinderporno betreffen.

Nu aan het vereiste van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht niet is voldaan, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en verspreiden, meermalen gepleegd, terwijl daarvan een gewoonte is gemaakt.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

- Verdachte heeft zich in de afgelopen zes tot zeven jaar op het internet begeven met als doel het zoeken en vinden van plaatjes van geheel dan wel gedeeltelijk ontklede minderjarigen. Verdachte heeft dergelijke plaatjes ook gevonden en deze gedownload op zijn eigen computer. Naarmate de tijd verstreek heeft verdachte niet alleen plaatjes maar ook filmfragmenten van het internet gedownload, welke van softpornografische naar hardpornografisch opliepen, zoals verkrachting van zeer jonge jongens en meisjes. Verdachte heeft deze afbeeldingen op zijn computer vastgelegd en later overgezet naar Cd-roms.

- Verdachte heeft deze afbeeldingen niet alleen in bezit gehad voor eigen gebruik, maar heeft daarmee ook geruild en deze beschikbaar gesteld voor anderen.

- Zelfs nadat de politie de computer en Cd-roms bij verdachte in beslag had genomen, is verdachte met zijn handelingen doorgegaan, zodat aangenomen kan worden dat verdachte van het verzamelen van dergelijke plaatjes en filmfragmenten een gewoonte heeft gemaakt.

- Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van een kinderpornografisch netwerk.

- Verdachte heeft aldus de lichamelijke en geestelijke integriteit van die minderjarigen, ernstig geschonden.

Een dergelijk feit brengt gevoelens van onrust, onveiligheid en verontwaardiging in de maatschappij teweeg.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 juni 2006, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem, arrondissement Utrecht, d.d. 8 september 2006, opgemaakt door J. de Wilde, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 18 augustus 2006 van Prof. dr. J.J. Baneke, klinisch en forensisch psycholoog, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zodat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot - kort gezegd -:

- een gevangenisstraf voor de duur van 194 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met bijzondere voorwaarden en

- een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu verdachte alleen voor het onder 1 ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld.

Verbeurdverklaring:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, bekend onder de nummers 1, 2 (cd-rom 1, 2 en 4 t/m 9) en 12 zoals vermeld op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage IV aan dit vonnis is gehecht, zullen worden verbeurd verklaard, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, het onder 1 bewezenverklaarde is begaan.

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, bekend onder de nummers 4, 5 en 17 zoals vermeld op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage IV aan dit vonnis is gehecht, zullen worden verbeurd verklaard, aangezien met behulp van deze voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, het onder 1 bewezenverklaarde is begaan.

Onttrekking aan het verkeer:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, bekend onder de nummers 2 (cd-rom 3, 10, 11 en 12), 3, 7, 8, 10, 11, 13, 20, 22, 23, 25, 26, 28, 29, 30, 33 en 36, zoals vermeld op de Lijst van inbeslaggnomen voorwerpen, welke lijst als bijlager IV aan dit vonnis is gehecht, zullen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 1 bewezenverklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, bekend onder de nummers 6, 9, 14, 15, 16, 18,19, 21, 24, 27, 31, 32, 34 en 35 zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage IV aan dit vonnis is gehecht,

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 36c, 36d, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart de dagvaarding nietig voor zover betrekking hebbend op de in het onder 1 ten laste gelegde genoemde periode van 22 oktober 2001 tot 1 oktober 2002.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ÉÉNHONDERDZESENNEGENTIG (196) DAGEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ÉÉNHONDERDTACHTIG (180) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde (één of meer van) na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de

Reclassering Nederland, unit Utrecht-Arnhem, arrondissement Utrecht, te geven

aanwijzingen, ook wanneer dat inhoudt het voortzetten en voltooien van een

behandeling bij De Waag te Utrecht, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht,

met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de

voorwaarden hulp en steun te verlenen.

- dat de veroordeelde gedurende het eerste jaar van de proeftijd geen bemoeienis zal

hebben met minderjarigen in verenigingsverband.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Verklaart verbeurd:

de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, bekend onder de nummers 1, 2 (cd-rom 1, 2 en 4 t/m 9) en 12 zoals vermeld op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage IV aan dit vonnis is gehecht.

Verklaart tevens verbeurd:

de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, bekend onder de nummers 4, 5 en 17 zoals vermeld op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage IV aan dit vonnis is gehecht,

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, bekend onder de nummers 2 (cd-rom 3, 10, 11 en 12), 3, 7, 8, 10, 11, 13, 20, 22, 23, 25, 26, 28, 29, 30, 33 en 36, zoals vermeld op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlager IV aan dit vonnis is gehecht.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, bekend onder de nummers 6, 9, 14, 15, 16, 18,19, 21, 24, 27, 31, 32, 34 en 35 zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage IV aan dit vonnis is gehecht aan veroordeelde.

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mrs J.E. Kruijff-Bronsing, A.G. Bakker en F.L. Muskens, bijgestaan door H.J. Nieboer als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2006.