Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AY9716

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
SBR 06-1048
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanbod FPU-arrangement, zoals opgenomen in Sociaal beleidskader. Bevoegdheid algemeen directeur om arbeidsvoorwaarden vast te stellen? Niet begunstigende afwijking van Sociaal beleidskader strijdig met artikel 4:84 Awb. Stellen van andere voorwaarde aan een eenmaal gedaan aanbod in strijd met fair play beginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2006, 133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/1048

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 5 oktober 2006

inzake

[X],

wonende te [Y],

eiser,

tegen

het College voor Zorgverzekeringen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft bij de rechtbank Amsterdam beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 mei 2005, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van verweerder van 6 september 2004 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft de algemeen directeur afwijzend beslist op eisers verzoek om gebruik te mogen maken van het zogenoemde FPU-arrangement alsmede op diens verzoek om de periodieke salarisverhoging per 1 december 2004 met terugwerkende kracht te vervroegen naar 1 januari 2004.

1.2 Op 1 maart 2006 heeft de rechtbank Amsterdam het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar deze rechtbank.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 5 september 2006, waar eiser in persoon is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. I.W.M. Laurijssens, advocaat te Amsterdam, en F. van Hout, werkzaam bij verweerder.

Overwegingen

2.1 In zijn vergadering van 10 juni 2004 heeft verweerder het zogenoemde Sociaal beleidskader CVZ personele gevolgen taakstellingen 2004 en 2005 (verder: het Sociaal beleidskader) vastgesteld. Bedoeld Sociaal beleidskader is tot stand gekomen nadat verweerder door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een financiële taakstelling voor de jaren 2004 en 2005 was opgelegd van 2 x 2,5% van de begroting.

Ten behoeve van de realisatie van deze taakstelling zijn met de vakcentrales afspraken gemaakt over het sociaal flankerend beleid, welke afspraken in het Sociaal beleidskader zijn opgenomen.

In het Sociaal beleidskader is onder meer een paragraaf opgenomen getiteld “FPU-arrangement”. Daarin wordt vermeld dat in de periode tot 1 januari 2005 de algemeen directeur op individueel niveau een zogeheten FPU-arrangement kan aanbieden aan een FPU-gerechtigde medewerker, mits daarmee het gedwongen reorganisatieontslag van een niet FPU-gerechtigde wordt voorkomen. Het FPU-arrangement dient uiterlijk 1 december 2005 in te gaan en bestaat uit de volgende onderdelen:

? een aanvulling op de reguliere FPU-uitkering tot 70% van de FPU-berekeningsgrondslag (genoemd in artikel 1, onderdeel o, van het FPU-reglement basisuitkering en aanvullende uitkering);

? 50% voortzetting pensioenopbouw gedurende maximaal 4 jaar voor degenen die geboren zijn voor 1 april 1947 volgens artikel 16.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, geheel voor rekening van de werkgever.

? 50% voortzetting pensioenopbouw gedurende maximaal 4 jaar voor degenen die geboren zijn tussen 1 april 1947 en 1 januari 1948 volgens artikel 16.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, geheel voor rekening van de werkgever.

2.2 Vervolgens heeft de algemeen directeur eiser bij schrijven van 21 juni 2004 medegedeeld dat hij tot de groep van FPU-gerechtigde medewerkers behoort en dat hij tot 1 januari 2005 in staat is dergelijke medewerkers het hiervoor genoemde FPU-arrangement aan te bieden. Eiser is bij die gelegenheid tevens verzocht om vóór 1 augustus 2004 een schriftelijk verzoek in te dienen indien hij van het arrangement gebruik wenste te maken.

Bij schrijven van 28 juli 2004 heeft eiser, geboren op 15 december 1943, verweerder te kennen gegeven gebruik te willen maken van het FPU-arrangement, waarbij hij heeft aangegeven er naar te streven uiterlijk per 1 december 2005 met prepensioen te gaan. Eiser heeft verweerder er daarbij op gewezen al in de loop van 2005 recht te hebben op een FPU-uitkering van meer dan 70%, zodat een aanvulling daarop niet nodig zou zijn. Eiser heeft daarbij tevens gewezen op het belang van tweede deel van het FPU-arrangement, te weten de 50% voortzetting van de pensioenopbouw over de resterende arbeidsperiode tot 65 jaar.

Ten slotte heeft eiser verweerder in dat schrijven verzocht de periodieke salarisverhoging per 1 december 2004 met terugwerkende kracht te vervroegen naar 1 januari 2004.

2.3 Blijkens een door verweerder overgelegde besluitenlijst van het Directie Team CVZ van 23 augustus 2004 heeft genoemde directie op die datum besloten om de pensioencompensatie als bedoeld in het Sociaal beleidskader alleen toe te kennen tot maximaal 40 pensioenjaren.

2.4 Bij besluit van 6 september 2004 heeft de algemeen directeur afwijzend beslist op eisers verzoek om gebruik te mogen maken van het zogenoemde FPU-arrangement. In het besluit is daartoe overwogen dat eiser op het moment van uittreden reeds 40 of meer pensioenjaren zou hebben, zodat hem op grond van het onder 2.3 genoemde directiebesluit geen pensioencompensatie wordt aangeboden. Bij dat besluit is tevens geweigerd om de eiser toekomende periodieke salarisverhoging per 1 december 2004 met terugwerkende kracht te vervroegen naar 1 januari 2004.

2.5 Het door eiser tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. In beroep heeft eiser - samengevat - aangevoerd dat de algemeen directeur in zijn schrijven van 21 juni 2004 heeft aangegeven dat eiser tot de doelgroep behoort die gebruik kan maken van het FPU-arrangement. Eiser is dan ook van mening dat hem pensioencompensatie toekomt. Eiser is voorts van mening dat het directieteam na het versturen van de brief van 21 juni 2004 geen beleidsvrijheid meer heeft tot het stellen van een nadere voorwaarde, die inhoudt dat medewerkers met 40 of meer pensioenjaren worden uitgesloten van het FPU-arrangement cq pensioencompensatie. Indien die beleidsvrijheid wel aanwezig zou zijn, betwijfelt eiser de juistheid van de later aangevoerde grond voor afwijzing. Eiser heeft in dat verband gewezen op de sedert 1997 gewijzigde pensioenwetgeving, die er op is gericht langer doorwerken te bevorderen en de pensioenrechten navenant te verhogen. Eiser heeft voorts opgemerkt dat verweerder meer oog had moeten hebben voor de bijzonderheden van zijn geval. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat zijn beroep zich niet richt tegen verweerders weigering om de hem per

1 december 2004 toekomende periodieke salarisverhoging met terugwerkende kracht te vervroegen naar 1 januari 2004.

2.6 De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Verweerder heeft in het bestreden besluit opgemerkt van mening te zijn dat eiser geen nadeel ondervindt van de weigering hem het FPU-arrangement aan te bieden. De rechtbank is van oordeel dat eisers rechtspositie door het besluit van verweerder wel degelijk nadelig wordt beïnvloed, nu eiser door verweerders weigering hem pensioencompensatie toe te kennen minder pensioen opbouwt, hetgeen verweerder ter zitting ook heeft erkend. De omstandigheid dat eiser in de visie van verweerder ‘niets te klagen heeft’, kan aan vorenstaande niets afdoen.

2.8 Ingevolge artikel 1d, tweede lid, van de, inmiddels per 1 januari 2006 vervallen, Ziekenfondswet (ZFW) stelt het College zorgverzekeringen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van het personeel regels vast.

Ter uitvoering van dit artikellid heeft verweerder op 10 juni 2004 het Sociaal beleidskader vastgesteld. In dit beleidskader is ook het FPU-arrangement opgenomen, zoals dat hiervoor onder punt 2.1 is weergegeven.

2.9 Gelet op het bepaalde in artikel 1d, tweede lid, van de ZFW is de rechtbank van oordeel dat noch het Directie Team CVZ noch de algemeen directeur van verweerder de bevoegdheid heeft regels dan wel beleid met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden vast te stellen. Voor zover het Directie Team CVZ met het op 23 augustus 2004 genomen besluit, namelijk het alleen toekennen van de pensioencompensatie als bedoeld in het FPU-arrangement tot maximaal 40 pensioenjaren, heeft beoogd nadere regels met betrekking tot arbeidsvoorwaarden vast te stellen, moet dan ook worden geoordeeld dat een dergelijk besluit onbevoegdelijk is genomen.

Weliswaar heeft verweerder ter zitting betoogd dat de algemeen directeur bevoegd is namens verweerder op te treden in zaken die de rechtspositie van de medewerkers betreffen en dat, nu de algemeen directeur deel uitmaakt van het Directie Team CVZ, een eventueel bevoegdheidsgebrek daarmee gedekt is, maar de rechtbank kan verweerder daar niet in volgen.

2.10 Ter zitting is van de zijde van verweerder aangevoerd dat de maximering van de pensioencompensatie tot maximaal 40 pensioenjaren niet moet worden aangemerkt als een wijziging van het in het Sociaal beleidskader neergelegde beleid, doch moet worden gezien als een uitvoering van de betreffende regeling. Verweerder heeft er in dat verband op gewezen dat het FPU-arrangement aanvankelijk was bedoeld als ‘packagedeal’, zodat de medewerker daarvoor alleen in aanmerking kwam, indien het zowel aanvulling van de FPU-uitkering tot 70% betrof als aanvulling van de pensioenopbouw. Later is evenwel besloten tot een ruimere toepassingsmogelijkheid, in die zin dat ook alleen pensioencompensatie kon worden toegekend, zij het dat die verruiming is gemaximeerd tot 40 pensioenjaren.

De rechtbank merkt naar aanleiding hiervan op dat de besluitvorming van het Directie Team CVZ met betrekking tot de maximering in het kader van het FPU-arrangement evident afwijkt van hetgeen daaromtrent in het Sociaal Beleidskader is opgenomen.

De door verweerder gestelde voorwaarde dat men alleen als van beide onderdelen van de regeling gebruik kon worden gemaakt, voor toekenning van het FPU-arrangement in aanmerking kon komen, wordt in het Sociaal beleidskader niet vermeld. Evenmin is dit overigens als voorwaarde opgenomen in de brief van 21 juni 2004.

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat deze voorwaarde impliciet is opgenomen in het Sociaal beleidskader, hetgeen af te leiden zou zijn uit het feit dat de volzin na het eerste ‘bolletje’ wordt afgesloten met een puntkomma en de volzinnen na het tweede en derde ‘bolletje’ met een punt. Verweerder heeft evenwel erkend dat over deze uitleg van het arrangement van meet af aan discussie bestond, hetgeen ertoe heeft geleid dat bijvoorbeeld bij de sector Rijk uiteindelijk van een andere, ruimhartiger uitleg is uitgegaan. Uit de nadere toelichting ter zitting door verweerder begrijpt de rechtbank dat ook verweerder uiteindelijk deze ruimere uitleg hanteert. De vervolgens op deze ruime uitleg door het Directie Team CVZ aangebrachte beperking, valt naar het oordeel van de rechtbank echter noch impliciet noch expliciet op het Sociaal beleidskader terug te voeren, en vormt dus een wijziging van het beleid zelf en niet slechts een wijziging in de toepassing van dat beleid. Een dergelijke, de belanghebbende niet begunstigende afwijking van het Sociaal beleidskader komt naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 4:84 van de Awb. Verweerder zal, indien een dergelijke wijziging door hem wordt gewenst, de beleidsregels moeten wijzigen. Ter ondersteuning van dat standpunt wijst de rechtbank op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juli 2002, gepubliceerd in JB 2002/269.

De rechtbank stelt verder vast dat de algemeen directeur eiser bij schrijven van 21 juni 2004 heeft medegedeeld dat het in het Sociaal Beleidskader opgenomen FPU-arrangement hem in staat stelt een dergelijk arrangement aan te bieden aan een FPU-gerechtigde medewerker, mits daardoor gedwongen reorganisatie-ontslag van een niet FPU-gerechtigde medewerker wordt voorkomen.

De rechtbank is van oordeel dat de algemeen directeur met het schrijven van 21 juni 2004 eiser een concreet aanbod heeft gedaan om gebruik te maken van het, op dat moment geldende en in het Sociaal beleidskader neergelegde, FPU-arrangement en dat de enige voorwaarde die aan dat aanbod was verbonden was gelegen in de omstandigheid dat gedwongen reorganisatie-ontslag van een niet FPU-gerechtigde medewerker moest worden voorkomen.

Door nadien een andere cq tweede voorwaarde aan het aanbod om gebruik te maken van het FPU-arrangement te verbinden, namelijk dat pensioencompensatie enkel kan worden toegekend tot maximaal 40 pensioenjaren, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank bovendien gehandeld in strijd met het beginsel van fair play, nu eiser op het moment dat hem het aanbod werd gedaan er van uit kon en mocht gaan dat dit zou worden beoordeeld op grond van de op dat moment geldende regels.

2.11 Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank is niet gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel zal verweerder het door eiser betaalde griffierecht moeten vergoeden.

2.12 De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak aan partijen is bekendgemaakt een nieuw besluit dient te nemen,

3.4 bepaalt dat het College voor Zorgverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2006.

De griffier: De rechter:

W.B. Lakeman mr. D.A.J. Overdijk

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.