Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AY9665

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-10-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
16/501082-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van art. 246 en 248a Sr tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk (proeftijd t.a.v. algemene voorwaarde: 2 jaar; t.a.v. bijzondere voorwaarde: 3 jaar)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/501082-05

Datum uitspraak: 9 oktober 2006

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 juni 2006 en 25 september 2006.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Ter terechtzitting van 13 juni 2006 heeft de rechtbank het openbaar ministerie met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Met name acht de rechtbank niet bewezen dat het slachtoffer door de tenlastegelegde feitelijkheden is gedwongen de vermelde ontuchtige handelingen, bij zichzelf, te plegen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

De verdachte heeft het verweer gevoerd dat niet hij maar een onbekende derde, zonder dat de verdachte het wist, van de internetverbinding van de verdachte gebruik moet hebben gemaakt en dat door die derde onder de naam '[A]' MSN-gesprekken zijn gevoerd met het slachtoffer.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dat verweer het volgende. Blijkens het proces-verbaal FODTPU-1185-3294 is gebleken dat in de cookies folder van het gebruikersprofiel genaamd "[T]" het e-mailadres [A] is aangetroffen. Het aantreffen van deze cookie toont aan dat op de computer van de verdachte onder het gebruikersprofiel "[T]" is ingelogd op het gebruikersaccount [A], ook op de datum waarop de vader van het slachtoffer het MSN-contact met '[A]' ontdekte, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van bevindingen nr. 05-258952 van 8 augustus 2005.

Voorts is op de computer van de verdachte een fragment van een chatgesprek gevonden tussen de gebruikers van de accounts [A] en [B]. Het e-mailadres [B] was in gebruik bij het slachtoffer.

Ter terechtzitting van 25 september 2006 heeft de getuige-deskundige H.S. van den Berg verklaard dat, mocht een derde van de (draadloze) internetverbinding van de verdachte gebruik hebben gemaakt, er geen sporen van dat internetgebruik op de computer van de verdachte te vinden zouden zijn geweest. Tevens heeft genoemde getuige-deskundige verklaard dat de computer van de verdachte alleen op afstand gebruikt zou kunnen worden door een derde wanneer op de computer van de verdachte speciale besturingssoftware zou zijn geïnstalleerd. Op de computer van de verdachte heeft de getuige-deskundige echter geen (sporen van) dergelijke software aangetroffen.

Gelet op het bovenstaande en op de omstandigheden dat er op verschillende dagen en op verschillende tijdstippen chatcontact is geweest tussen de gebruikers van de accounts [A] en [B] alsmede dat er tijdens die contacten meerdere malen door '[A]' is gesproken over een taxichauffeur genaamd [T], acht de rechtbank bewezen dat het de verdachte zelf is geweest die, vanaf zijn eigen computer de MSN-gesprekken met het slachtoffer heeft gevoerd.

De door de verdachte gegeven verklaring dat een derde de desbetreffende MSN-contacten heeft gehad via verdachtes computer acht de rechtbank, met name op grond van de verklaring van de deskundige, volstrekt onaannemelijk.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde

De verdachte heeft ter terechtzitting van 25 september 2006 aangevoerd dat er sprake zou zijn van een wraakactie van de families van de slachtoffers. De verdachte heeft namelijk een zakelijk conflict gehad met de vader van een van de slachtoffers. De betreffende families zijn bekenden van elkaar en beide families zouden, zo heeft de verdachte gesteld, hem een loer willen draaien naar aanleiding van de nasleep van dat zakelijk conflict. De verdediging stelt zich op het standpunt dat alleen al om die reden de verklaring van het slachtoffer ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde onbetrouwbaar moet worden geacht.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank acht het onaannemelijk dat er sprake zou zijn van een wraakactie. De verdachte heeft ter terechtzitting van 13 juni 2006 verklaard dat zijn broer bij de politie melding heeft gedaan dat de vader van een van de slachtoffers zich schuldig zou maken aan strafbare feiten. Een wraakactie zou dan eerder gericht moeten zijn tegen de broer van de verdachte en niet -alleen- tegen de verdachte. Bovendien valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat de families van de slachtoffers het welzijn van hun kinderen op het spel zouden zetten voor een dergelijke actie.

De verklaring van het slachtoffer van het onder 3 bewezenverklaarde feit is naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar, omdat deze verklaring op belangrijke punten wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder en ook van de verdachte zelf.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Door misleiding een minderjarige, wiens minderjarigheid de dader kent, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft tijdens chatsessies via MSN contact gezocht met het minderjarige slachtoffer. De verdachte kende de familie en wist dat het slachtoffer minderjarig was en dat hij een kwetsbare jongen is. De verdachte heeft zich in de MSN-contacten voorgedaan als een meisje, [A], van vijftien jaar oud. De verdachte heeft een 'vriendje/vriendinnetje-contact' met het slachtoffer opgebouwd, met hem over seks gesproken, vertrouwelijkheden met hem uitgewisseld en erotische voorstellen en verzoeken aan hem gedaan. De verdachte heeft door aldus te handelen het slachtoffer bewogen ontuchtige handelingen bij zichzelf te plegen voor een op de computer aangesloten camera, naar welke camerabeelden de verdachte via zijn computer kon kijken.

Daarnaast heeft de verdachte een andere, eveneens minderjarige en kwetsbare, jongen gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De verdachte is, als huisvriend van de moeder en de (kort tevoren) overleden vader van het slachtoffer, bij het slachtoffer thuis één nacht blijven logeren. Bij die gelegenheid is de verdachte bij het slachtoffer op bed gaan liggen, is hij met zijn hand onder de dekens gegaan en heeft aan de penis van het slachtoffer gevoeld. De verdachte zei daarbij tegen het slachtoffer dat hij niets mocht zeggen en niet mocht schreeuwen, omdat het slachtoffer anders problemen met hem kreeg en dat er anders erge dingen zouden gebeuren. De verdachte heeft bij een andere gelegenheid het slachtoffer wederom dreigend toegesproken en het slachtoffer aldus gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

Door te handelen als bewezen is verklaard heeft de verdachte zijn eigen seksuele behoeften laten prevaleren boven de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers, terwijl hij wist, nu hij de families kende, dat de door hem gekozen slachtoffers geestelijk en/of lichamelijk minder weerbaar zijn. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten ernstige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.

De rechtbank rekent het de verdachte bovendien ernstig aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de moeder van het slachtoffer in het onder 3 bewezenverklaarde feit in hem als huisvriend gesteld had en dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het feit dat de vader van een van de slachtoffers kort tevoren was overleden.

In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 13 oktober 2005 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten en dat hij door de reacties van bepaalde familieleden en omwonenden van de slachtoffers in deze strafzaak tot tweemaal toe gedwongen is geweest te verhuizen en zich thans genoodzaakt voelt onder te duiken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 2 primair en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag. Daarnaast heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, alsmede dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een computer, dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Ondanks de omstandigheid dat verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, acht de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het passend en geboden dat dezelfde straf wordt opgelegd als door de officier van justitie is gevorderd. Met een lagere dan door de officier van justitie gevorderde straf kan -met name gelet op de ernst van het onder 3 bewezenverklaarde- niet worden volstaan. Daarbij komt dat de officier van justitie er bij de totstandkoming van zijn eis van uit is gegaan dat de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, terwijl de rechtbank op basis van het omtrent de verdachte opgemaakte psychiatrisch rapport, d.d. 7 december 2005, opgemaakt door J. de Jong, psychiater, geen aanleiding ziet te concluderen dat de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht. Ook ter terechtzitting is niet gebleken van gehele of gedeeltelijke ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een computer, merk Packard Bell zal worden verbeurd verklaard, aangezien met behulp van dit voorwerp, dat aan de verdachte toebehoort, het onder 2 bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

Bij de vaststelling van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

De vordering van de benadeelde partij [1]

De benadeelde partij [1], wettelijk vertegenwoordigd door [2], heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 tenlastegelegde feit, te weten een bedrag van € 750,- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 750,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33, 33a, 36f, 57, 246 en 248a van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 20 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast:

- van twee jaren, met de bepaling dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- van drie jaren, met de bepaling dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland, unit Utrecht te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook als

dat inhoudt een behandeling bij De Waag, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de onder de verdachte inbeslaggenomen computer, merk Packard Bell.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [1], wonende te […], toe tot een bedrag van € 750,- (zegge zevenhonderdvijftig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 750,- (zegge zevenhonderdvijftig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.W. Bianchi, M.J. Veldhuijzen en A.J.P. Schotman, bijgestaan door mr. S. Prinsen als griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2006.