Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AY9478

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
SBR 06/3205 VV + 06/3409
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Tegen het bouwplan hebben drie eisers geageerd. Om even zovele verschillende redenen kunnen hun bezwaren niet inhoudelijk worden beoordeeld: een niet conform de statuten ondertekend bezwaarschrift, een niet tijdig ingediend bezwaarschrift, geen belanghebbende bij het bouwplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/3205VV en 06/3409

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2006 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak.

inzake

Vereniging Leefbaar Doorn, gevestigd te Doorn,

eiseres 1,

[eiseres], wonend te Doorn,

eiseres 2

en

[eisers] wonend te Doorn,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente de Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 13 september 2006 waarbij verweerder het bezwaar van eiseres 1 en eiseres 2 tegen het besluit van 13 december 2005 niet-ontvankelijk heeft verklaard en het bezwaar van eisers ongegrond heeft verklaard. Bij het besluit van 13 december 2005 is een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een garage en tankstation op het perceel [adres] te Doorn (hierna: het perceel).

1.2 Het verzoek is op 19 september 2006 ter zitting behandeld, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Spigt, als advocaat werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Arnhem. Eiseres 1 en eiseres 2 zijn verschenen bij mr. Spigt voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van der Meij, werkzaam bij de gemeente de Utrechtse Heuvelrug. Namens de vergunninghouder is mr. L.J.H. de Vink ter zitting verschenen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van de beroepen:

2.3 De voorzieningenrechter stelt voorop dat de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van openbare orde is, zodat zowel verweerder als de bestuursrechter deze ontvankelijkheid ambtshalve dienen te beoordelen.

2.4 In artikel 1:2 van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende dient te worden verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

In artikel 6:5, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bezwaarschrift wordt ondertekend.

In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan degenen aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de hiervoor genoemde termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.5 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van eiseres 1 overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Artikel 9 van de statuten van eiseres 1 regelt de bestuurstaak, vertegenwoordiging en de bevoegdheden binnen de vereniging. In het derde lid van artikel 9 is bepaald dat de vereniging in en buiten rechte uitsluitend wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris van het bestuur.

Op grond van de ter beschikking staande stukken stelt de voorzieningenrechter vast dat het bezwaarschrift van 16 januari 2006 van eiseres 1 niet is ondertekend. Verweerder heeft eiseres 1 - in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb - bij brief van 13 maart 2006 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Bij brief van 11 april 2006 heeft eiseres de gronden van het bezwaarschrift ingediend. Dit aanvullend bezwaarschrift is namens eiseres door één persoon ondertekend. Niet bestreden is dat verweerder bij brief van 24 april 2006 eiseres 1 er op heeft gewezen dat het bezwaarschrift, gelet op de statuten van eiseres 1, ten onrechte door slechts één bestuurslid is ondertekend. Nu het aanvullend bezwaarschrift slechts is ondertekend door één bestuurslid, is bij het indienen van het bezwaarschrift geen sprake van een rechtsgeldige vertegenwoordiging van eiseres 1. Dit gebrek bij de indiening van het bezwaarschrift is - anders dan eiseres 1 lijkt te betogen - niet hersteld doordat eiseres ter zitting is vertegenwoordigd door een advocaat. De omstandigheid dat in het verleden bezwaarschriften voorzien van slechts één handtekening - achteraf bezien ten onrechte - ontvankelijk zijn verklaard, kan hieraan niet afdoen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat eiseres 1 geacht wordt bekend te zijn met haar eigen statuten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dan ook terecht het bezwaar van eiseres 1 niet-ontvankelijk verklaard.

2.6 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van eiseres 2 overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het besluit van 13 december 2005 is op 14 december 2005 aan de vergunninghouder verzonden. Op grond van artikel 6:8, eerst lid van de Awb is de bezwaartermijn dus op 15 december 2005 aangevangen en op 26 januari 2006 geëindigd.

Het bezwaarschrift van eiseres 2 is blijkens het daarop aangebrachte stempel op 29 mei 2006 door verweerder ontvangen. Vaststaat dat dit bezwaarschrift niet binnen de wettelijke bezwaartermijn is ingediend.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij door een artikel in het weekblad De Kaap van donderdag 18 mei 2006 op de hoogte is geraakt van het bouwplan. Zij stelt dat zij voor die tijd niet bekend was met de bouwaanvraag en evenmin had begrepen dat er stukken ten aanzien van deze aanvraag ter inzage zijn gelegd. Dit argument van eiseres 2 brengt de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarbij is betrokken dat het besluit tot vergunningverlening op 22 december 2005 is gepubliceerd in het informatieblad van de gemeente Doorn. De omstandigheid dat eiseres niet tijdig op de hoogte was van de verleende bouwvergunning komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor haar risico. Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaarschrift van eiseres 2 niet-ontvankelijk verklaard.

2.7 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van eisers overweegt de voorzieningenrechter dat niet in geschil is dat zij vanuit hun woning geen zicht hebben op het bouwplan. De afstand van (ruim) 400 meter tussen deze woningen en het perceel in aanmerking genomen zijn eisers niet in zodanig directe nabijheid van het perceel woonachtig dat zij in verband daarmee als belanghebbende omwonenden kunnen worden beschouwd. Op grond van de door verweerder overgelegde plattegrond acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat de bouw van de garage en het benzinestation tot toename van het autoverkeer langs de woningen van eisers zal leiden. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het bouwplan wordt gerealiseerd langs de (doorgaande) Driebergseweg, dat de toe- en uitrit naar het plan aan die weg zijn gelegen en dat de woningen van eisers aan het [omschrijving locatie] zijn gelegen. [omschrijving locatie]

De omstandigheid dat de enige route naar de woningen van eisers lang het perceel loopt, onderscheidt hen voorts niet van andere bewoners van de in de nabijheid van het perceel gelegen wijk.

Ook overigens is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan van dien aard zal zijn dat eisers als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt.

2.8 Op grond van het voorgaande heeft verweerder ten onrechte het bezwaar van eisers ontvankelijk verklaard. Het besluit op bezwaar ten aanzien van eisers kan om die reden niet in stand blijven. De voorzieningenrechter verklaart het beroep van eisers tegen het besluit van 13 september 2006 gegrond, vernietigt dit besluit en ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eisers tegen het besluit van 13 december 2006 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.9 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 402,50 (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,25 nu slechts een pro forma beroepschrift is ingediend, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.

2.10 Voorts is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt. Nu eiseres 1 en 2 en eisers gezamenlijk een beroepschrift hebben ingediend is slechts eenmaal griffierecht geheven voor de drie zaken. In dit geval is, vanwege het feit dat eiseres 1 een niet natuurlijk persoon is, het hoogste griffierecht geheven. Gelet op het feit dat slechts het beroep van eisers gegrond is verklaard zal de rechtbank bepalen dat verweerder het griffierecht voor een natuurlijk persoon ten bedrage van € 141,- aan eisers vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

2.11 Gelet op de beslissingen in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

2.12 Wel is er aanleiding om verweerder in de proceskosten met betrekking tot het verzoek van eisers te veroordelen. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

Ten aanzien van de beroepen:

3.1 verklaart het beroep van eiseres 1 en eiseres 2 tegen de besluiten van 13 september 2006 ongegrond;

3.2 verklaart het beroep van eisers tegen de besluiten van 13 september 2006 gegrond;

3.3 vernietigt deze besluiten;

3.4 voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eisers tegen het besluit van 13 december 2006 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 402,50;

3.6 bepaalt dat het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van (in totaal) € 141,- aan hen wordt vergoed;

3.7 wijst de gemeente de Utrechtse Heuvelrug aan als de rechtspersoon die de onder 3.5 en 3.6 genoemde bedragen dient te betalen;

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.8 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.9 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,-;

3.10 bepaalt dat het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,- aan hen wordt vergoed;

3.11 wijst de gemeente de Utrechtse Heuvelrug aan als de rechtspersoon die de onder 3.9 en 3.10 genoemde bedragen dient te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. S. Meurs mr. M.H.F. van Vugt

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.