Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AY9223

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-09-2006
Datum publicatie
02-10-2006
Zaaknummer
SBR 06-3194 VV + 06-3195
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning. Planologisch toetsingskader ogv 7:11 Awb na inwerkingtreding van uitwerkingsplan. Gestelde strijdigheid van dit plan met eerdere Ontwikkelingsvisie Hooglanderveen kan niet meer aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 06/3194 VV + 06/3195

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2006 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak inzake

[eiser], wonende te Hooglanderveen,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 19 juli 2006, waarbij het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 28 februari 2006 en 2 maart 2006 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten heeft verweerder aan het [vergunninghouder] vrijstelling met toepassing van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend voor de bouw van 37 respectievelijk 12 woningen op de locatie De Velden 3a te Vathorst.

1.2 Het verzoek is op 22 september 2006 ter zitting behandeld, waar eiser in persoon is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.D. de Vries, werkzaam bij de gemeente Amersfoort. Namens vergunninghouder is ter zitting verschenen mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, vergezeld van [gemachtigden], beiden werkzaam bij dan wel voor Amerstaete.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep:

2.3 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, mag en moet een reguliere bouwvergunning alleen worden geweigerd indien - voor zover hier van belang - het bouwwerk niet voldoet aan het Bouwbesluit, de van toepassing zijnde bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand.

2.4 Voor de vraag op grond van welk bestemmingsplan de bouwaanvraag moest worden beoordeeld op het moment dat het besluit op bezwaar werd genomen, is van belang wat is bepaald in artikel 7:11 van de Awb. Op grond van artikel 7:11 van de Awb moet worden uitgegaan van het recht dat gold op het moment dat het besluit op bezwaar werd genomen. Het stond verweerder dan ook niet vrij om bij het bestreden besluit te beslissen anders dan op basis van het uitwerkingsplan “De Velden 3abc”. Dit uitwerkingsplan is op 7 maart 2006 door gedeputeerde staten van Utrecht goedgekeurd. Na de bekendmaking op 22 maart 2006 van dit goedkeuringsbesluit is het (enige) verzoek om een voorlopige voorziening dat bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) was ingediend op 1 juli 2006 ingetrokken. Het uitwerkingsplan heeft daarmee rechtskracht verkregen.

Uitgaande van dit toetsingskader is in het bestreden besluit geconcludeerd, en naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht, dat de vergunde bouwplannen in overeenstemming zijn met de op de betreffende bouwpercelen rustende bestemming alsmede de daarbij behorende bebouwingsvoorschriften, met uitzondering van twee ondergeschikte bepalingen ten aanzien van de afstand tussen de woningen en het bouwen van een erker aan de voorzijde ervan. De ten behoeve van deze ondergeschikte onderdelen verleende vrijstellingen zijn niet in geschil.

Ook voor het overige is niet gesteld dat hetgeen dwingend is bepaald in artikel 44 van de Woningwet zich verzet tegen de verlening van de bouwvergunningen.

2.5 De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden evenmin aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

2.6 De voorzieningenrechter merkt nog op dat op de beroepsprocedures die tegen dit goedkeuringsbesluit bij de ABRvS aanhangig zijn gemaakt, nog niet is beslist. De voorzieningenrechter wijst er echter op dat een eventuele vernietiging in beroep door de hoogste bestuursrechter van het goedkeuringsbesluit van GS geen inbreuk zal kunnen maken op de rechtsgeldigheid van op basis hiervan afgegeven bouwvergunningen. De voorzieningenrechter verwijst ter voorlichting van eiser naar de uitspraak van de ABRvS van 21 december 1999 (www.rechtspraak.nl, LJN: AA4296). Aangezien eiser geen verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzitter van de ABRvS heeft ingediend, kan de voorzieningenrechter slechts constateren dat eiser de mogelijkheid om vóór de realisering van de bouwplannen een (voorlopig) rechterlijk oordeel te verkrijgen over de door hem gestelde strijdigheid van het uitwerkingsplan met de eerder vastgestelde “Ontwikkelingsvisie Hooglanderveen”, aan zich voorbij heeft laten gaan. Eisers grieven die alleen betrekking hebben op de strijdigheid van het uitwerkingsplan met die ontwikkelingsvisie kunnen in onderhavige procedure niet meer aan de orde komen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

2.7 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Evenmin wordt aanleiding gezien om verweerder in zoverre te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

J.D. Koteris mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.