Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AY4311

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
16/500305-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht heeft uitspraak gedaan in de zaak van een 49-jarige man, die verdacht werd van oplichting en verduistering. De man voerde met zijn bedrijf onder andere kleine verbouwingen en verhuizingen uit.

Het is in deze zaak tot een strafrechtelijke procedure gekomen nadat een aangever, die zich benadeeld voelde door verdachte en van de politie te horen had gekregen dat het hier een civiele zaak zou betreffen, de TROS-programma 'Opgelicht' had benaderd. Naar aanleiding van uitzendingen van dit programma hebben verschillende mensen aangifte gedaan wegens oplichting. De man stond daardoor terecht voor 23 feiten.

De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen of hier sprake was van strafbare oplichting:

"Van strafbare oplichting kan alleen worden gesproken als men het oogmerk heeft om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, en daardoor iemand beweegt tot de afgifte van – kort en zakelijk gezegd - goed of geld.

Niet bewezen kan worden dat verdachte in enige tenlastegelegde zaak een valse naam heeft gebruikt, een listige kunstgreep heeft toegepast (“een trucje heeft uitgehaald”) of aangevers opzettelijke dooreengeweven onwaarheden heeft verteld (“een samenweefsel van verdichtsels”)."

Ook vond de rechtbank niet bewezen dat de verdachte de valse hoedanigheid van bonafide ondernemer / klusjesman / huurder / verkoper heeft aangenomen.

Op de zitting is gebleken dat verdachte in géén van de gevallen, waarin hem oplichting verweten werd, helemaal niets had gepresteerd. Hooguit kan gezegd worden dat hij niet (altijd) (geheel) had voldaan aan zijn verplichtingen, waardoor er sprake was van wanprestatie.

"Niet iedere gepleegde wanprestatie kan worden aangemerkt als oplichting. Zelfs niet als die wanprestatie willens en wetens wordt gepleegd. Ontbreken de kwade trouw versterkende omstandigheden en is er dus in wezen slechts sprake van een enkele (al dan niet stilzwijgende) leugen, dan is dat in beginsel onvoldoende om te kunnen concluderen tot een valse hoedanigheid1. Het gebezigde oplichtingsmiddel moet van dien aard zijn, dat ook de burger die de normale, in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzorgsmaatregelen in acht neemt, de dupe kan worden. Daarom is het enkele feit, dat verdachte zich heeft gepresenteerd als bonafide ondernemer /klusjesman/huurder/verkoper, maar - in de visie van de aangevers - niet heeft gedaan wat hij had beloofd, onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte dus een valse hoedanigheid heeft aangenomen.

Om daarvan wel te kunnen spreken, is méér vereist. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het afsluiten van overeenkomsten en het daarbij bedingen van voorschotbetalingen door iemand die van meet af aan niet van plan is ook maar enige prestatie te verrichten. Daarnaast kan het bedrieglijk gebruik maken van een bepaald bestaand (maatschappelijk) verwachtingspatroon onder omstandigheden een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 Wetboek van Strafrecht opleveren3.

Zulke bijkomende omstandigheden zijn echter niet komen vast te staan."

De rechtbank heeft de man daarom vrijgesproken van 22 van de 23 feiten. Slechts in één geval heeft hij zich schuldig gemaakt aan verduistering. Daarvoor heeft hij een maand gevangenisstraf gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/500305-05

Datum uitspraak: 19 juli 2006

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in […..].

Raadsman: mr. J.G.M. Dassen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juli 2006.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is de nadere omschrijving van de dagvaarding, conform artikel 314a Wetboek van Strafvordering en vervolgens wijziging van het onder 9 ten laste gelegde feit ter terechtzitting toegestaan.

Van deze nadere omschrijving en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Met betrekking tot de feiten 20, 21, 22 en 23 heeft de raadsman ter terechtzitting het volgende aangevoerd.

Door de politie is naar verschillende personen een brief gestuurd teneinde eventuele slachtoffers van de mogelijke oplichting door verdachte te achterhalen. In deze brief stond als onderwerp “mogelijke oplichtingspraktijken” vermeld. Door gebruikmaking van deze terminologie is een gekleurd beeld gecreëerd. Naar aanleiding van deze brieven is door vijf personen daadwerkelijk aangifte gedaan. Vier van die aangiften zijn ook terug te vinden op de tenlastelegging. De druk die is uitgeoefend op de mogelijke slachtoffers om aangifte te doen, gaat te ver.

Tevens heeft de raadsman gesteld, dat nu het TROS-televisieprogramma “Opgelicht” zozeer gedetailleerde informatie heeft vergaard en uitgezonden, bijvoorbeeld met betrekking tot het strafrechtelijk verleden van zijn cliënt, dat deze informatie niet anders dan door de politie kan zijn verstrekt.

Het naar het oordeel van de raadsman onbehoorlijke optreden van de politie moet gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In elk geval moet volgens de raadsman de eventueel op te leggen straf worden verminderd.

De rechtbank hecht er om proceseconomische redenen aan, alvorens dit verweer te bespreken, eerst het volgende te overwegen.

De tenlastegelegde feiten

Blijkens de aangiften kunnen de verrichtingen van verdachte, die in de tenlastelegging als strafbare feiten zijn omschreven, in drie groepen worden verdeeld, - zakelijk weergegeven -:

1. Verkoop dan wel verhuizing van goederen (feiten 1, 2, 4, 5 en 17),

2. Aanneming van werk, kluswerkzaamheden (feiten 3, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22 en 23) en

3. Leasen van auto’s (feiten 6, 8 en 9)

De verklaringen van de aangevers

Daarbij opereerde verdachte volgens de aangevers – zakelijk weergegeven – als volgt:

1. Verkoop dan wel verhuizing van goederen (feiten 1, 2, 4, 5 en 17,

Verdachte gebruikte verschillende bedrijfsnamen, welke niet stonden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Verdachte plaatste in verschillende plaatselijke kranten een advertentie, waarop werd gereageerd. Hij sprak af goederen te laten veilen, te verkopen of te verhuizen. Hij noemde hiervoor soms wel en soms niet een mogelijke opbrengst dan wel een mogelijke kostprijs. De gemaakte afspraken kwam hij vervolgens niet na. Goederen kwamen niet allemaal terug, de verhuizing werd niet afgemaakt of het afgesproken bedrag werd niet of niet volledig overgemaakt.

2. Aanneming van werk, kluswerkzaamheden (feiten 3, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22 en 23)

Verdachte was eigenaar van een klusbedrijf, Leidse Rijn Renovatie en Onderhoud. Dit bedrijf was ook ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De overige door verdachte gebruikte bedrijfsnamen waren niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij plaatste advertenties in verschillende plaatselijke kranten waarop vervolgens werd gereageerd. Verdachte kwam bij de mensen thuis, maakte een offerte op voor de te verrichten werkzaamheden en bedong dat een – volgens aangevers - behoorlijk hoog bedrag werd aanbetaald. Tijdens de werkzaamheden wilde hij betalingen ontvangen. Hij beloofde het werk af te maken en/of dreigde de werkzaamheden te staken wanneer er niet werd betaald. De klus werd vaak niet afgemaakt, terwijl verdachte wel het overeengekomen bedrag volledig had ontvangen. De verrichte werkzaamheden waren van matige kwaliteit. Wanneer aangevers verdachte hier op wilden aanspreken, was hij niet meer of moeilijk bereikbaar. De door aangevers gestuurde aangetekende brieven werden door verdachte niet in ontvangst genomen. Schriftelijk heeft hij nooit gereageerd.

Soms huurde hij voor de werkzaamheden verschillende mensen in. Eén van die mensen heeft aangifte gedaan dat de facturen, betrekking hebbende op door hem verrichte werkzaamheden in verschillende panden voor verdachte, door verdachte niet werden betaald.

3. Leasen van auto’s (feiten 6, 8 en 9)

Op naam van Leidse Rijn Renovatie en Onderhoud en Florijn Verhuizingen werden verschillende (bedrijfs-)auto’s geleast, dan wel een overeenkomst tot huurkoop gesloten. De betalingsverplichtingen werden niet of niet volledig nagekomen.

Inleidende beschouwingen

Uit het onderzoek ter terechtzitting is onder meer het volgende naar voren gekomen.

Omdat een van de aangevers zich benadeeld voelde door verdachte en van de politie te horen had gekregen, dat het hier een civiele zaak zou betreffen, heeft deze de TROS benaderd. In een uitzending van het TROS-programma “Opgelicht” d.d. 25 oktober 2005 is verdachte vervolgens afgeschilderd als een oplichter. In de uitzending d.d. 29 november 2005 werd wederom aandacht aan de onderhavige zaak besteed. Naar aanleiding van deze uitzendingen hebben vervolgens verschillende mensen aangifte tegen verdachte gedaan wegens oplichting en is de politie alsnog een strafrechtelijk onderzoek gestart, dat uitmondde in de door de TROS gefilmde aanhouding van verdachte op 4 februari 2005.

Daarom is het noodzakelijk enkele algemene beschouwingen te wijden aan de vraag wanneer sprake is van strafbare oplichting en niet van een civielrechtelijke kwestie, temeer nu rondom verdachte een gekleurd beeld is geschapen en de Officier van Justitie er voor heeft gekozen 23 feiten ten laste te leggen.

Op één uitzondering na, te weten feit 6 behelzende de verduistering van een auto, heeft de Officier van Justitie oplichting (feiten 3, 5, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 23) en oplichting subsidiair verduistering (feiten 1, 2, 4 en 9) ten laste gelegd.

Strafbare oplichting

Van strafbare oplichting kan alleen worden gesproken als men het oogmerk heeft om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, en daardoor iemand beweegt tot de afgifte van – kort en zakelijk gezegd - goed of geld.

Niet bewezen kan worden dat verdachte in enige tenlastegelegde zaak een valse naam heeft gebruikt, een listige kunstgreep heeft toegepast (“een trucje heeft uitgehaald”) of aangevers opzettelijke dooreengeweven onwaarheden heeft verteld (“een samenweefsel van verdichtsels”).

Voor wat het opgeven van een valse naam betreft merkt de rechtbank nog op, dat slechts volgens één aangever (feit 22) verdachte de valse naam “[B]” zou hebben opgegeven. Nu verdachte dit nadrukkelijk heeft ontkend, de stelling van deze aangever niet verder wordt ondersteund door enig ander wettig bewijsmiddel en verdachte in alle andere tenlastegelegde zaken wel zijn eigen naam heeft gebruikt, is deze op zich staande verklaring onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Voor wat het samenweefsel van verdichtsels betreft merkt de rechtbank nog op, dat niet (geheel) valt uit te sluiten, dat in die gevallen waarin aangevers goederen door verdachte te gelde liet maken, verdachte de suggestie bij die aangevers heeft doen ontstaan, dat hun verwachtingen omtrent de opbrengst gehonoreerd zouden kunnen worden. Voor zover het ging om kluswerkzaamheden is naar het oordeel van de rechtbank niet (geheel) uit te sluiten dat aangevers in de bij hen gewekte verwachtingen zijn teleurgesteld. Maar zelfs al zou dat kunnen worden bewezen, dan is het wekken van die suggesties en verwachtingen alléén onvoldoende om te kunnen spreken van een samenweefsel van verdichtsels.

De valse hoedanigheid

Naar het oordeel van de rechtbank komen de verklaringen van de aangevers juridisch gezien in wezen hierop neer, dat verdachte volgens hen de valse hoedanigheid van bonafide ondernemer/klusjesman/huurder/verkoper heeft aangenomen.

Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat verdachte in géén van de 22 al dan niet primair tenlastegelegde oplichtingen helemaal niets heeft gepresteerd. Hooguit kan worden gezegd dat hij niet (altijd) (geheel) heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeiden uit de met de betreffende aangever gesloten overeenkomst. Daarom zal de rechtbank verder spreken over “wanprestatie”.

Niet iedere gepleegde wanprestatie kan worden aangemerkt als oplichting. Zelfs niet als die wanprestatie willens en wetens wordt gepleegd. Ontbreken de kwade trouw versterkende omstandigheden en is er dus in wezen slechts sprake van een enkele (al dan niet stilzwijgende) leugen, dan is dat in beginsel onvoldoende om te kunnen concluderen tot een valse hoedanigheid1. Het gebezigde oplichtingsmiddel moet van dien aard zijn, dat ook de burger die de normale, in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzorgsmaatregelen in acht neemt, de dupe kan worden. Daarom is het enkele feit, dat verdachte zich heeft gepresenteerd als bonafide ondernemer/klusjesman/huurder/verkoper, maar - in de visie van de aangevers - niet heeft gedaan wat hij had beloofd, onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte dus een valse hoedanigheid heeft aangenomen.

Om daarvan wel te kunnen spreken, is méér vereist. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het afsluiten van overeenkomsten en het daarbij bedingen van voorschotbetalingen door iemand die van meet af aan niet van plan is ook maar enige prestatie te verrichten2. Daarnaast kan het bedrieglijk gebruik maken van een bepaald bestaand (maatschappelijk) verwachtingspatroon onder omstandigheden een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 Wetboek van Strafrecht opleveren3.

Zulke bijkomende omstandigheden zijn echter niet komen vast te staan.

De rechtbank merkt in dit verband nog op, dat hoewel wellicht niet (geheel) valt uit te sluiten dat verdachte handig heeft ingespeeld op de goedgelovigheid van een of meer opdrachtgevers/wederpartijen, goedgelovigheid niet zonder meer wordt beschermd door het strafrecht. Dit is slechts anders als het personen betreft die de consequenties van hun handelen niet kunnen overzien of die “een beetje de weg kwijt zijn”4. Daarvan is in casu echter niet gebleken.

Het feit dat er sprake is van zeer veel feiten, doet aan het vorenoverwogene niet af. De feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, kunnen niet tot een andere conclusie leiden. Dit betekent, dat in geen enkel ten laste gelegd feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, dat verdachte zich een valse hoedanigheid heeft aangemeten.

Nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte enig oplichtingsmiddel heeft gebezigd kunnen reeds daarom geen van de aan verdachte ten laste gelegde oplichtingen worden bewezen.

Bovendien is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken, dat verdachte het oogmerk heeft gehad zich wederrechtelijk te bevoordelen. Ook daarom kunnen de tenlastegelegde oplichtingen niet worden bewezen.

Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten uit groep 2 (aanneming van werk, kluswerkzaamheden (feiten 3, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 ) overweegt de rechtbank daarenboven nog in het bijzonder het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet meer gebleken dan dat verdachte wellicht niet altijd even netjes of zorgvuldig heeft gewerkt of de werkzaamheden volledig heeft uitgevoerd. Zo komen uit het bouwkundig expertiserapport van Keurhuis Nederland BV, opgemaakt door [C], verschillende gebreken naar voren. Veel van het werk is slordig uitgevoerd en van een lage basiskwaliteit. Zoals hiervoor overwogen is dit alléén echter onvoldoende om te kunnen concluderen, dat verdachte een valse hoedanigheid heeft aangenomen.

De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking, dat aan kwaliteit veelal een prijskaartje hangt en niet is gebleken, dat verdachte opzettelijk slordig werk van mindere kwaliteit heeft verricht.

Nu voorts blijkens de verklaring van bouwkundig adviseur [C] bij de rechter-commissaris d.d. 15 juni 2006 de bedragen die verdachte heeft geoffreerd (grotendeels) redelijk gangbaar zijn, kan in het bijzonder ook daarom bij deze feiten niet gezegd worden dat verdachte het oogmerk heeft gehad zich wederrechtelijk te bevoordelen.

De rechtbank neemt bij al het vorenoverwogene tenslotte tevens in aanmerking, dat zich in het dossier ook enkele verklaringen bevinden van mensen die tevreden zijn over de uitvoering van de door verdachte verrichte werkzaamheden.

Een aantal tenlastegelegde feiten apart beschouwd

Ten aanzien van de hieronder in het bijzonder genoemde tenlastegelegde feiten overweegt de rechtbank daarenboven nog het volgende.

1. Verkoop dan wel verhuizing van goederen (feiten 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 en 17)

Ten aanzien van feit 1 primair

Een deel van de goederen is teruggebracht door verdachte, nadat gebleken was dat de goederen niet genoeg geld op zouden brengen. Blijkens het dossier heeft aangeefster op 24 mei 2004 zelf getekend voor ontvangst van het kristal en 2 boxstandaards. Die goederen zijn niet nader gespecificeerd; evenmin was dat het geval toen aangeefster goederen aan verdachte meegaf.

Voor wat de overige beweerdelijk niet teruggeven goederen betreft staat tegenover de nadrukkelijke ontkenning van verdachte, dat hij geen goederen zonder toestemming heeft achtergehouden, slechts de andersluidende verklaring van aangeefster.

Ten aanzien van feit 2 primair

De goederen zijn blijkens een uitdraai van het Veilinghuis Achter St. Pieter ook daadwerkelijk ter veiling aangeboden en verkocht. Zij hebben echter een beperkt bedrag opgebracht. Niet gebleken is, dat tevoren tussen aangeefster en verdachte een bedrag als minimumopbrengst was afgesproken.

Ten aanzien van feit 4 primair

Aangever heeft verklaard genoegen te hebben genomen met de opbrengst, ook al had hij meer verwacht.

Ten aanzien van feit 5

In het dossier bevindt zich een overeenkomst welke is getekend door de aangever en zijn zwager en waaruit blijkt, dat aangever zijn auto aan verdachte heeft verkocht voor het daarin genoemde bedrag, dat door aangever is ontvangen. Weliswaar verklaren zij dat zij het formulier blanco hebben getekend, maar de rechtbank acht dat niet aannemelijk, gelet op de aan die overeenkomst kennelijk ten grondslag liggende offerte van verdachte. De juistheid daarvan is door aangever niet betwist.

Ten aanzien van feit 17

Aangeefster heeft pas aangifte gedaan naar aanleiding van eerdergenoemde TV-uitzending. De lezing van verdachte, dat aangeefster bij het opmaken van de offerte niet alle te verhuizen goederen heeft getoond is naar het oordeel van de rechtbank niet volstrekt ongeloofwaardig.

2. Aanneming van werk, kluswerkzaamheden (feiten 3, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22 en 23)

Ten aanzien van feit 11

Volgens aangever zou hij voor de door hem, in opdracht van verdachte, verrichte werkzaamheden niet volledig zijn betaald. Verdachte heeft ontkend voor alle door aangever uitgevoerde werkzaamheden opdracht te hebben gegeven. Tegenover de uitdrukkelijke ontkenning van verdachte dat hij het bedrag dat was afgesproken niet zou hebben betaald, staat enkel de andersluidende verklaring van aangever.

Ten aanzien van feit 12

Aangeefster was over het algemeen tevreden. In haar aangifte heeft zij verklaard, dat alle werkzaamheden af waren, op het binnenwerk van de brievenbus en een sierlijst op de lambrisering na. Ook zij heeft pas aangifte gedaan naar aanleiding van eerdergenoemde TV-uitzending.

Ten aanzien van feit 13

Verdachte heeft de tegels voor de keuken van aangever ook daadwerkelijk gezet. Over de kwaliteit van de geiser is discussie ontstaan. Uit het dossier valt niet op te maken of de geiser in goede staat was.

Ten aanzien van feit 14

Verdachte was niet in de gelegenheid de werkzaamheden –naar verdachte’s zeggen volgens plan - af te ronden, daar hij werd aangehouden.

Ten aanzien van feit 19

Het feit zou reeds vijf jaar geleden zijn gepleegd. Eind 2001 zijn werkzaamheden uitgevoerd. Niet is gebleken dat aangeefster eerder heeft aangegeven dat de werkzaamheden niet naar tevredenheid waren uitgevoerd. Ook in deze zaak is pas aangifte gedaan naar aanleiding van de uitzending van het televisieprogramma “Opgelicht”.

Ten aanzien van feit 20

Aangever heeft verklaard de laatste termijn niet betaald te hebben, omdat de werkzaamheden nog niet waren voltooid. Tevens heeft aangever een brief gestuurd om verdachte aan te manen de werkzaamheden binnen vijf werkdagen af te ronden en op te leveren. Subsidiair heeft aangever blijkens de aangifte verzocht een deel van de aanneemsom terug te storten om de overige werkzaamheden door een andere aannemer uit te laten voeren. Naar haar aard is dus sprake van een puur civielrechtelijke kwestie.

Ten aanzien van feit 22

Reeds omdat verdachte, na overleg met de aangever, een deel van het geld heeft teruggestort lijkt er geen sprake te kunnen zijn van oplichting.

3. Leasen van auto’s (feiten 8 en 9 primair)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte meerdere malen contact heeft opgenomen met de betreffende maatschappijen om een regeling te treffen.

De (subsidiair) tenlastegelegde verduistering

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Zoals hierboven reeds overwogen heeft verdachte een deel van de goederen teruggebracht, nadat gebleken was dat de goederen niet genoeg geld op zouden brengen. Blijkens het dossier heeft aangeefster op 24 mei 2004 zelf getekend voor ontvangst van het kristal en 2 boxstandaards. Die goederen zijn niet nader gespecificeerd; evenmin was dat het geval toen aangeefster goederen aan verdachte meegaf.

Voor wat de overige beweerdelijk niet teruggeven goederen betreft staat tegenover de nadrukkelijke ontkenning van verdachte, dat hij geen goederen zonder toestemming heeft achtergehouden, slechts de andersluidende verklaring van aangeefster.

En dus is volgens de rechtbank niet bewezen, dat verdachte het oogmerk heeft gehad zich de in de tenlastelegging genoemde goederen wederrechtelijk toe te eigenen.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

In het voorgaande is reeds overwogen, dat de goederen blijkens een uitdraai van het Veilinghuis Achter St. Pieter ook daadwerkelijk ter veiling zijn aangeboden en verkocht. Zij hebben echter een beperkt bedrag opgebracht. Niet gebleken is, dat tevoren tussen aangeefster en verdachte een bedrag als minimumopbrengst was afgesproken.

Ook in dit geval kan derhalve niet worden bewezen, dat verdachte het oogmerk heeft gehad zich de in de tenlastelegging genoemde goederen toe te eigenen.

Ten aanzien van feit 6

Hierboven heeft de rechtbank al overwogen, dat verdachte meerdere malen contact heeft opgenomen met de betreffende maatschappijen om een regeling te treffen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan, dat verdachte ten onrechte als heer en meester over de auto heeft beschikt.

Ten aanzien van feit 9 subsidiair

Uit de aangifte blijkt, dat verdachte na herhaalde aanmaningen de auto heeft teruggebracht.

Slotoverweging naar aanleiding van de hierboven apart beschouwde tenlastegelegde feiten

De hiervoor vermelde overwegingen met betrekking tot de hierboven genoemde apart beschouwde tenlastegelegde feiten (de feiten 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair, 4 primair, 5, 6, 8, 9 primair en subsidiair, 11, 12, 13, 14, 17, 19, 20 en 22) hebben, ieder apart en tezamen beschouwd, mede bijgedragen aan de opvatting van de rechtbank, dat de tenlastegelegde feiten (met uitzondering van feit 4 subsidiair) niet kunnen worden bewezen.

Vrijspraak

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder de feiten 1, 2, 3, 4 primair, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Nu het door de raadsman gevoerde verweer zich heeft beperkt tot de feiten waarvan de verdachte wordt vrijgesproken, behoeft het verweer geen bespreking.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De rechtbank overweegt met name het volgende.

Verdachte en het latere slachtoffer zijn overeengekomen dat verdachte drie schilderijen zou veilen dan wel verkopen. Vervolgens zou verdachte de opbrengst daarvan doen toekomen aan het slachtoffer. Halverwege juli 2004 deelde verdachte aan het slachtoffer mede dat hij de schilderijen had verkocht voor € 525,00. Het slachtoffer is met dit bedrag akkoord gegaan. Verdachte heeft vervolgens toegezegd dit bedrag aan hem over te maken; dit is echter niet geschied. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment over onvoldoende banksaldo beschikte. Hij heeft de opbrengst ten eigen bate aangewend.

Ter terechtzitting heeft verdachte voorts verklaard dat hij het verschuldigde bedrag nog steeds niet heeft betaald. Het geld heeft hij niet op een geblokkeerde rekening gezet. Verdachte heeft het bankrekeningnummer van verdachte gekregen, maar zich niet bereid getoond, ondanks herhaalde verzoeken van het slachtoffer, het verschuldigde bedrag te betalen. Sterker, verdachte heeft gezegd, dat hij van het slachtoffer verwachtte dat deze zijn geld zelf zal komen ophalen.

Dat verdachte nu wel bereid is die € 525,-- aan [D] te betalen doet aan het vorenstaande niet af.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Verduistering

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft drie schilderijen verduisterd op de wijze zoals eerder in dit vonnis is beschreven. Aldus handelende heeft de verdachte het vertrouwen dat in hem werd gesteld op grove wijze beschaamd en aangever financiële schade toegebracht. Het noodzakelijk vertrouwen in het handelsverkeer is hiermee tevens geschaad. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder zwaar aan, dat hij zich gedurende enige tijd op het standpunt heeft durven stellen, dat aangever zijn eigen geld maar moest komen halen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 juni 2006, waaruit blijkt dat de verdachte meerdere malen is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, laatstelijk op 26 december 2005 door de rechtbank Utrecht ter zake van oplichting, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Reclassering Nederland, Regio Utrecht-Arnhem, d.d. 3 april 2006, opgemaakt door [E], reclasseringswerker;

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair, 5, 6, 7, 8, 9 primair, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Dat en waarom de rechtbank af zal wijken van de eis van de Officier van Justitie is in het voorgaande genoegzaam uiteengezet.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een mobiele telefoon, kleur zilver;

- administratie in map, kleur zwart,

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [F] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [G] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [H] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [D] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 4 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 1500,00 wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 4 bewezen verklaarde feit.

De materiële schade wordt begroot op € 525,00, nu aangever blijkens zijn aangifte genoegen heeft genomen met deze opbrengst.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 525,00 worden toegewezen.

Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank afwijzen, nu de hoogte van deze schade niet aannemelijk is geworden.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten die, aan de hand van het kantonliquidatietarief, worden vastgesteld op € 178,50, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De benadeelde partij [I] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 6 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 6 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [J] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 7 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 7 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [K] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 8 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 8 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [L] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 10 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 10 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [M] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 11 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 11 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [N] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 12 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 12 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [O] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 13 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 13 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [P] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 14 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 14 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [Q] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 15 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 15 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [R] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 16 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 16 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [S] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 18 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 18 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [T] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 20 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 20 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [U] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 21 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 21 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij [V] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 23 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 23 ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 primair, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 1 maand (zegge één maand).

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de mobiele telefoon en de administratie aan verdachte.

Verklaart de benadeelde partijen [F], [G], [H], [I], [J], [K], [L], [M], [N], [O], [P], [Q], [R], [S], [T], [U] en [V] niet ontvankelijk in hun vorderingen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [D], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 525,00 (zegge vijfhonderdvijfentwintig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op € 178,50 (zegge honderdachtenzeventig euro en vijftig cent), vermeerderd met de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 525,00 (zegge vijfnonderdvijfentwintig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.F. Bueno, A.J. Smit en Y.A.T. Kruyer, bijgestaan door mr. V. van Dam als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juli 2006.