Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AY3638

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
SBR 06-1359
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA4180, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de in de bestemmingsplanvoorschriften gegeven definities van de begrippen eengezinshuis en meergezinshuis is van belang te bepalen wat als gebouw aangemerkt moet worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onderhavige bouwwerk, bestaande uit een horecabedrijf op de benedenverdieping met daarboven twee bovenwoningen, gelet op de indeling, de ruimtelijke uitstraling, de historie en het feit dat het bouwwerk zich op één perceel bevindt, aangemerkt dient te worden als één gebouw. Gelet op de definities in de planvoorschriften is, nu het gebouw twee naast elkaar gelegen woningen omvat, sprake van een meergezinshuis, waarvoor een bebouwingspercentage van 100 % geldt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/1359

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2006 inzake

[eiseres]., gevestigd te Breukelen, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 6 februari 2006, waarbij het bezwaar van eiseres tegen het besluit van verweerder van 10 oktober 2005 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is de aanvraag van eiseres om een bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een appartementsgebouw op het achtererf van een café met bovenwoningen gelegen aan de Amsterdamsestraatweg 717, 717BS, 719, 719BS op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet geweigerd.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 29 juni 2006, waar namens eiseres [gemachtigde] is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Dupree, advocaat te Hilversum. Namens verweerder is verschenen mr. H.P. de Keijzer, werkzaam bij de gemeente Utrecht .

Overwegingen

2.1 In artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning van burgemeester en wethouders. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet kan alleen en moet een bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met het bestemmingsplan.

In artikel 56a, eerste lid van de Woningwet is bepaald dat een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen wordt verleend.

In het tweede lid van artikel 56a van de Woningwet is bepaald - voor zover hier van belang - dat de bouwvergunning eerste fase slechts mag en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid onderdeel b, c, d, of e, van toepassing is.

2.2 Op het perceel is van toepassing het bestemmingsplan “Zuilen” (hierna: het bestemmingsplan), vastgesteld door de gemeenteraad op 13 oktober 1997, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 23 februari 2000. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming “Woongebied (W)”.

Op grond van artikel 6, lid A, aanhef en onder 1, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de op de bestemmingsplankaart met “Woongebied (W)” aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Artikel 6, lid C, sub 1 onder b, van de bestemmingsplanvoorschriften bepaalt dat het bebouwingspercentage bij eengezinshuizen maximaal 50% en bij meergezinshuizen maximaal 100% mag bedragen.

In artikel 2 van de bestemmingsplanbepalingen is het begrip eengezinshuis gedefinieerd als “een gebouw dat uitsluitend één woning omvat”. Een meergezinshuis is gedefinieerd als “een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven en/of naast elkaar gelegen woningen omvat”. Het begrip gebouw is gedefinieerd als “elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.

2.3 De aanvraag van eiseres is afgewezen, omdat verweerder van mening is dat het bouwplan het voor eengezinshuizen geldende bebouwingspercentage van 50% overschrijdt. Eiseres erkent dat het bouwplan het bebouwingspercentage van 50% overschrijdt, maar voert aan dat ten onrechte is aangesloten bij het bebouwingspercentage voor eengezinshuizen. Zij stelt onder meer dat sprake is van een meergezinshuis en dat het daarvoor geldende bebouwingspercentage van 100% moet worden toegepast.

2.4 Ten einde te kunnen bepalen of sprake is van een eengezinshuis of een meergezinshuis is, gelet op de onder 2.2 genoemde definities, allereerst van belang om te bepalen wat als gebouw moet worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is Amsterdamsestraatweg 717, 717BS, 719, 719BS één gebouw. Daarvoor is van belang dat dit zich qua hoogte, indeling en ruimtelijke uitstraling onderscheidt van de buurpanden, zich op één kadastraal perceel bevindt en destijds is gebouwd als één object met daarin twee benedenwoningen met winkel en twee bovenwoningen. Deze oorsprong duidt er niet op dat sprake is van twee twee-onder-één-kap-woningen, zoals verweerder suggereert. Dat het gebouw zich bevindt in een gevelwand is niet van doorslaggevend belang.

2.5 In voormeld gebouw bevindt zich thans op de begane grond een café. Daarboven bevinden zich twee bovenwoningen. Gelet op de onder 2.2 genoemde definities van eengezinshuis en meergezinshuis, is sprake van een meergezinshuis. Immers, het gebouw omvat twee naast elkaar gelegen woningen. Dat deze woningen een eigen opgang hebben, is gelet op deze definitie niet van doorslaggevend belang. Overigens merkt de rechtbank nog op dat ook de onder 2.4 genoemde oorspronkelijk indeling van het gebouw met twee benedenwoningen en twee bovenwoningen er op duidt dat sprake is van een meergezinshuis.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de hiervoor gevolgde uitleg van het bestemmingsplan kennelijk niet strookt met de bedoeling van de planwetgever. Verweerder stelt dat het de bedoeling is geweest om boven- en benedenwoningen (die in de betreffende buurt veel voorkomen) als eengezinshuis aan te merken. Een meergezinshuis is (slechts) een etagewoning, appartementsgebouw of flatgebouw waarbij de individuele woning geen eigen opgang op straatniveau heeft.

De rechtbank komt echter niet toe aan de achterliggende bedoeling van de planwetgever, nu voor de beantwoording van de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan de gegeven bestemming en de daarbij behorende voorschriften in beginsel beslissend zijn. Slechts indien die voorschriften noch op zichzelf noch in samenhang met die bestemming bezien duidelijk zijn, kan aan de achterliggende bedoeling van de planwetgever worden toegekomen. Van een dergelijke onduidelijkheid is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake.

2.7 Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. De overige argumenten van eiseres behoeven geen bespreking.

2.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 6 februari 2006;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

3.4 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,- aan haar vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in dit geding ten bedrage van € 644,-;

3.6 wijst de gemeente Utrecht aan als de rechtspersoon die de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen dient te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2006.

De griffier: De rechter:

mr. G. Delissen mr. H.J.H. van Meegen

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.