Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AY0521

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
10-07-2006
Zaaknummer
SBR 05-3652
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning voor de verbouwing van een pand tot een sport- en danscentrum. De gehanteerde vrijstellingsbepaling van de Verordening Voorschriften voor de Bebouwde Kom 1958 (VBK) is naar het oordeel van de rechtbank onverkort van toepassing. Gebouw voor een sport- en danscentrum kan niet worden aangemerkt als een gebouw dat een algemeen nut dient, en evenmin als een gebouw voor de gezondheidszorg. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 05/3652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2006

inzake

[eisers],

allen wonende te Utrecht,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 26 oktober 2005 waarbij het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2005 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is aan [vergunninghouder] een binnenplanse vrijstelling en een bouwvergunning, alsmede een vergunning ingevolge de Algemene Leefmilieuverordening 2000 (hierna: de ALMV 2000) verleend voor het verbouwen van het pand op het perceel [adres] te Utrecht tot een sport- en danscentrum.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 14 juni 2006, waar eisers zijn verschenen bij [eisers], bijgestaan door drs. C. van Oosten, werkzaam bij Bureau Rechtsbescherming te Utrecht. Namens verweerder is verschenen mr. S. Ramdoelare Tewari, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Vergunninghouder heeft zich niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

2.1 Op 2 juli 2004 is een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het verbouwen van het pand op het perceel [adres] te Utrecht tot een sport- en danscentrum. Ter zake van de bouwaanvraag hebben de afdeling stedenbouw, de afdeling milieu en de brandweer positief geadviseerd. Het toetsteam van de Dienst Stadsontwikkeling (DSO) is akkoord gedaan met het advies om het bouwplan ter inzage te leggen ten behoeve van een vrijstellingsprocedure met toepassing van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en artikel 10 van de ALMV 2000. Het bouwplan heeft vervolgens van 3 november 2004 tot 25 november 2004 ter inzage gelegen.

Een aantal omwonenden heeft zienswijzen tegen het bouwplan ingediend. Op 9 februari 2005 is een informatiebijeenkomst voor de buurtbewoners gehouden.

In reactie op de ingediende zienswijzen heeft verweerder in een rapportage van 24 februari 2005, gericht aan de Commissie Stedelijke Ontwikkeling, de ingediende zienswijzen weerlegd. Op 5 april 2005 heeft de Commissie Stedelijke Ontwikkeling de bouwaanvraag behandeld.

Op 19 mei 2005 [adviesbureau] te Amsterdam een rapport uitgebracht over een uitgevoerd akoestisch onderzoek.

Op 4 juli 2005 is aan [vergunninghouder] een binnenplanse vrijstelling en een bouwvergunning, alsmede een vergunning ingevolge de ALMV 2000 verleend voor het verbouwen van het pand op het perceel [adres] te Utrecht tot een sport- en danscentrum.

Tegen genoemd besluit is bezwaar aangetekend en hebben eisers bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2.2 Bij uitspraak van 5 augustus 2005 (SBR 05/1968) heeft de voorzieningenrechter het besluit van 4 juli 2005 geschorst tot zes weken nadat verweerder heeft beslist op de bezwaren van eisers. De reden tot schorsing van het primaire besluit was met name gelegen in het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter dat ten onrechte met toepassing van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling is verleend van de op de plankaart aangegeven bestemming 'wonen', omdat een zogenoemde binnenplanse vrijstellingsregeling er immers niet toe kan leiden dat in feite de bestemming van de grond wordt gewijzigd. In verband daarmee is geoordeeld dat het bepaalde in artikel 2, zesde lid, van de Verordening Voorschriften voor de Bebouwde Kom 1958, derde herziening (VBK) buiten toepassing moet blijven.

2.3 In het thans bestreden besluit op bezwaar van 26 oktober 2005 heeft verweerder uitdrukkelijk en gemotiveerd aangegeven dat hij van oordeel blijft dat de betreffende vrijstellingsbepaling uit de VBK hier als grondslag kan en dient te gelden voor de verleende vergunning. Daarbij heeft verweerder gewezen op artikel 10 van de Overgangswet Ruimtelijke Ordening (OROV) en de Memorie van Toelichting daarbij. Voorts is gewezen op de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (ArRS) van 2 oktober 1981 (AB 1982, 41).

2.4 In beroep hebben eisers, onder verwijzing naar genoemde uitspraak van 5 augustus 2005, betoogd dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de VBK voorgaat op de regelgeving van de WRO. Voorts zijn eisers van mening dat verweerder ten onrechte het sport- en danscentrum heeft aangemerkt als een bijzondere voorziening als bedoeld in de VBK.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank dient te worden geconcludeerd dat - anders dan de voorzieningenrechter eerder heeft overwogen - de jurisprudentie de juistheid van het onder 2.3 weergegeven standpunt van verweerder dat de gehanteerde vrijstellingsbepaling van de VBK onverkort van toepassing duidelijk bevestigt. Daarbij wijst de rechtbank - naast de al door verweerder genoemde uitspraak - op de uitspraken van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 1982 (gepubliceerd in AB 1983, 15) en van de Hoge Raad van 7 december 1966 (onder meer gepubliceerd in NJ 1967, 50), waaruit valt te op te maken dat het ten tijde van het in werking treden van de OROV op 1 augustus 1965 geldende plaatselijke planologische regime onverkort is blijven gelden.

Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het standpunt van eisers dat het onbegrijpelijk is dat verweerder 44 jaar na inwerkingtreding van de WRO voor bepaalde gedeelten van de bebouwde kom van de gemeente Utrecht nog steeds de VBK het planologisch toetsingskader is, heeft zij geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt dat voornoemd oordeel van de ArRS van 2 oktober 1981 moet worden verlaten.

2.6 Ter zake van de grief van eisers dat verweerder het sport- en danscentrum ten onrechte heeft aangemerkt als een bijzondere voorziening als bedoeld in de VBK, overweegt de rechtbank het volgende.

2.7 Het in geding zijnde perceel bevindt zich, gelet op de bij de VBK behorende tekening nr. 6563 K in een gedeelte van de bebouwde kom dat met een rode kleur is aangeduid.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening moet een gebouw of een gedeelte daarvan dat binnen bovengenoemde gedeelte van de bebouwde kom is gelegen en dat de aard van een eengezinshuis, beneden- en/of bovenwoning, meergezinshuis of anderszins die van woonruimte heeft, deze aard blijven behouden.

In het tweede lid van artikel 2 is bepaald dat een gebouw of een gedeelte daarvan, dat is gelegen in het in het eerste lid omschreven gebied en niet de aard van woonruimte heeft, geen andere aard mag verkrijgen, dan die van woonruimte.

Op grond van het zesde lid, onder b, van artikel 2 zijn burgemeester en wethouders, tenzij door het gebruik maken van die bevoegdheid een situatie zou ontstaan, die uit een oogpunt van volkshuisvesting, dan wel op grond van stedenbouwkundige overwegingen ontoelaatbaar moet worden geacht, bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorschriften vervat in het eerste, tweede en derde lid:

I. ten behoeve van een bestaand bedrijf, dat anders in zijn ontwikkeling zou worden belemmerd;

II. ten behoeve van een gebouw met bijzondere bestemming, een kantoor, een verzorgend bedrijf, een winkel of een café.

Onder gebouwen met bijzondere bestemming als bedoeld in het zesde lid, onder b, sub II, van artikel 2, wordt op grond van het zevende lid van artikel 2 verstaan: gebouwen voor onderwijs, cultuur en eredienst, verenigingsgebouwen, openbare gebouwen en gebouwen voor de gezondheidszorg, gebouwen voor bijzondere woonvormen alsmede andere gebouwen voor zover zij een algemeen nut dienen.

2.8 Het pand aan de [adres] heeft voorheen gediend als een opslag voor een kachelfabrikant, en stond ten tijde van de aanvraag van de bouwvergunning leeg.

Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat hij van mening is dat er sprake is van een gebouw met een bijzondere bestemming, aangezien de sportschool een wijk/buurtfunctie (onder andere voor de jeugd) vervult en kan worden gezien als een gebouw dat het algemeen nut dient. Dit geldt temeer, aldus verweerder, nu de sportschool een samenwerkingsverband heeft met de Stichting Thuiszorg en lessen verzorgt voor diabetici, zwangere vrouwen, mensen met obesitas en houdingsproblemen, senioren, en ook revalidatie door fysiotherapeuten aanbiedt.

Om die reden heeft verweerder vrijstelling verleend ingevolge artikel 2, zesde lid, onder b, sub II, van de voorschriften van de VBK.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank kan het in geding zijnde gebouw niet worden aangemerkt als gebouw met een bijzondere bestemming. Daartoe wordt allereerst overwogen dat, gelet op de door vergunninghouder in het gebouw beoogde sport en dansactiviteiten, niet kan worden gezegd dat hier sprake is van een gebouw, dat een algemeen nut dient. Dat, zoals verweerder heeft gesteld, sprake zou zijn van een wijk/buurtfunctie - wat daar overigens van zij - maakt dit niet anders.

Voor zover verweerder met zijn verwijzing naar het samenwerkingsverband met de Stichting Thuiszorg heeft bedoeld dat sprake is van een gebouw voor de gezondheidszorg, wordt geoordeeld dat de hiervoor vermelde omstandigheden die opvatting niet onderschrijven.

De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in deze in de uitspraak van de ArRS van 14 mei 1982 (AB 1982, 502). In deze uitspraak concludeerde de ArRS ten aanzien van een verbouwing en inrichting van een gebouw aan de Lange Nieuwstraat te Utrecht ten behoeve van een opvangcentrum voor drugsverslaving dat niet kon worden vastgesteld dat die verbouwing en inrichting strekte tot het vestigen van een gebouw voor de gezondheidszorg in de zin van de VBK, en dat evenmin sprake was van een gebouw dat een algemeen nut dient.

2.10 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 2, zesde lid, onder b, van de VBK gegeven bevoegdheid. Gelet hierop kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

2.11 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak, die verweerder noopt tot het opnieuw beslissen op de door eisers ingediende bezwaren tegen het primaire besluit van 4 juli 2005, wordt aanleiding gezien om - met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb - het besluit van 4 juli 2005 te schorsen tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

2.12 Op grond van het vorenstaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 26 oktober 2005, kenmerk 05/14114 JZ - 05/14149 JZ;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren te nemen;

3.4 schorst het besluit van 4 juli 2005, kenmerk BV2042916, tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op de bezwaren van eisers;

3.5 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,- aan hen vergoedt;

3.6 veroordeelt verweerder in de kosten die eisers in dit geding ten bedrage van € 644,-;

3.7 wijst de gemeente Utrecht aan als de rechtspersoon die de onder 3.5 en 3.6 genoemde bedragen dient te betalen;

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2006.

De griffier: De rechter:

A. Heijboer mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.