Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AX9520

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-05-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
SBR 05-3152
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overnameverplichting artikel 61 van de WW. Zijn op goede grond op de ingevolge hoofdstuk IV van de WW te betalen uitkering min-uren in mindering gebracht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

Reg. nr.: SBR 05 / 3152

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Utrecht, in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

e i s e r e s,

en

de Raad van bestuur van het

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 september 2005, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 juni 2005 gegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aan eiseres wegens blijvende betalingsonmacht van haar werkgever Kraamzorg Nederland B.V. te betalen uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) verminderd met 52,11 minuren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit aantal minuren verlaagd naar 32,11.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 april 2006, waar eiseres, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. B.A. van der Veer, werkzaam bij Abvakabo/FNV. Verweerder, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Aanen, werkzaam bij het Uwv.

2. OVERWEGINGEN

Feiten

Bij vonnis van de rechtbank 's Gravenhage van 29 april 2005 is de werkgever van eiseres, Kraamzorg Nederland B.V. (hierna: de werkgever), in staat van faillissement verklaard. Per

1 mei 2005 is eiseres een dienstverband aangegaan met Kraamzorg te Gouda. Bij brief van

3 mei 2005 heeft de curator de arbeidsovereenkomst met de werkgever opgezegd.

Eiseres heeft op 10 mei 2005 een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW aangevraagd.

Bij besluit van 14 juni 2005 heeft verweerder eiseres medegedeeld, onder medezending van een specificatie van verrichte betalingen, dat de aan haar ingevolge hoofdstuk IV van de WW te betalen uitkering ? 986,08 netto bedraagt. Uit deze specificatie blijkt dat verweerder - voor zover hier van belang - op de te betalen uitkering 52,11 minuren (in totaal ? 530,48 bruto) in mindering heeft gebracht.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, en het aantal op de WW-uitkering in mindering te brengen minuren vastgesteld op 32,11. Daartoe heeft verweerder overwogen dat, als niet alleen de werknemer een vordering heeft op de werkgever maar ook sprake is van een vordering van de werkgever op de werknemer, een schuldvergelijking dient plaats te vinden. Volgens verweerder is het gebruikelijk om bij een einde dienstverband een negatief saldo aan minuren als vordering te verrekenen met het laatst verdiende loon. Verweerder ziet niet in waarom dit bij een einde dienstverband in geval van faillissement anders zou zijn. Omdat op grond van de CAO Thuiszorg maximaal 20 uur per week voor rekening van de werkgever komt, stelt verweerder het op de WW-uitkering in mindering te brengen aantal uren op 32,11.

Standpunten van partijen

Eiseres heeft, onder verwijzing naar de CAO Thuiszorg, aangevoerd dat de werkgever het overeengekomen loon rechtens verschuldigd is aan de werknemer, en dat verweerder ingevolge hoofdstuk IV van de WW deze verplichting moet overnemen. Eiseres stelt dan ook dat de werknemer recht heeft en houdt op uitbetaling van zijn overeengekomen loon, of hij die uren nu wel of niet volledig gewerkt heeft. Eiseres geeft aan dat het aan de werkgever is om er zorg voor te dragen dat de werknemer die zich beschikbaar houdt voor de volledige omvang van zijn arbeid ook daadwerkelijk het aantal overeengekomen uren kan werken. Als dit niet lukt, is dit voor rekening van de werkgever.

Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het vrij vaak voor kwam dat zij meer dan 20 minuren had, en dat de werkgever het loon dan gewoon uitbetaalde. Eiseres benadrukt dat zij altijd beschikbaar was voor het aantal in de arbeidsovereenkomst opgenomen uren. Eiseres geeft aan dat de in artikel 13, tweede lid, onder d, van de CAO Thuiszorg genoemde periode van 13 weken, in overleg met de werkgever, verlengd kon worden naar de ook in die bepaling genoemde periode van 26 weken.

Verweerder heeft er op gewezen dat voor de 52,11 minuren geen werkzaamheden zijn verricht, en dat om die reden over dat urenaantal geen loon kan worden betaald. Verweerder stelt dat, omdat het einde van de dienstbetrekking niet gelijk valt met het einde van een blok van 13 weken, niet valt in te zien op welke wijze de (nog) niet gewerkte uren wel of niet zouden zijn gecompenseerd binnen het betreffende blok. Volgens verweerder is uit oogpunt van coulance besloten de 20 uren die normaliter over zouden zijn gegaan naar het volgende blok van 13 weken uit te zonderen van het totaal aantal op de WW-uitkering in mindering te brengen uren, omdat eiseres wegens het faillissement niet meer in de gelegenheid is om deze 20 uur op een later tijdstip in te halen, waar dat anders wel het geval zou zijn geweest.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij artikel 13, tweede lid, onder d, van de CAO Thuiszorg zo gelezen heeft, dat er aan het eind van het kwartaal 20 minuren mogen overblijven, en dat het resterende aantal minuren voor rekening van de werknemer komt. Ook verwijst verweerder naar een e-mail van 22 augustus 2005 van de salarisadministrateur van Kraamzorg Nederland, waarin vermeld staat dat minuren verrekend moeten worden. Ter onderbouwing van het standpunt dat niet alle schade wordt gedekt door de artikelen 61 tot en met 64 van de WW verwijst verweerder naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 maart 1998 (gepubliceerd in RSV 1998/216).

Toepasselijk recht

Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de WW, voor zover hier van belang, heeft een werknemer recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, loon, vakantiegeld of vakantiebijslag te vorderen heeft.

Artikel 64, van de WW bepaalt dat het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW omvat:

a. het loon over ten hoogste 13 weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking (...);

b. (...);

c. het vakantiegeld, (...), over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.

Ingevolge artikel 67, aanhef en onder a, van de WW wordt voor de toepassing van hoofdstuk IV van de WW onder loon verstaan: al hetgeen de werkgever in verband met de dienst-betrekking aan de werknemer rechtens verschuldigd is met uitzondering van vakantiegeld en vakantiebijslag.

In artikel 13, tweede lid, onder d, van de CAO Thuiszorg wordt bepaald dat de voor de werknemer geldende gemiddelde arbeidsduur per week zodanig wordt ingericht, dat dit gemiddelde per blok van maximaal 13 weken wordt bereikt, met dien verstande dat per blok ten hoogste 20 te veel of te weinig gewerkte uren kunnen worden overgeheveld naar een volgend tijdvak van maximaal 13 weken. In afwijking hiervan kan bij toepassing van roosters de gemiddelde arbeidsduur per week zodanig worden ingericht dat dit gemiddelde per blok van maximaal 26 weken wordt bereikt, in welk geval er geen uren naar een volgend tijdvak kunnen worden overgeheveld.

Beoordeling van het geschil

De rechtbank ziet zich gesteld voor beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden het besluit van 14 juni 2005 in die zin heeft gewijzigd, dat op de ingevolge hoofdstuk IV van de WW te betalen uitkering 32,11 uren in mindering zijn gebracht.

De rechtbank stelt vast, en partijen verschillen hierover ook niet van mening, dat tussen de werkgever en eiseres een vast loon is overeengekomen. De rechtbank stelt voorts vast dat tevens niet in geschil is dat op 30 april 2005 sprake was van een totaal aantal niet gewerkte uren, minuren, van 52,11, en dat eiseres wel beschikbaar is geweest die uren te verrichten.

Zoals hierboven reeds aangegeven, omvat het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW (voor zover hier van belang): het loon over ten hoogste 13 weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking. In het kader van de vraag of op de krachtens hoofdstuk IV van de WW te betalen uitkering eventuele minuren in min-dering gebracht kunnen worden, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag hoe artikel 13, tweede lid, onder d, van de CAO Thuiszorg geïnterpreteerd dient te worden. In genoemde bepaling wordt - voor zover hier van belang - vermeld dat per blok van maximaal 13 weken ten hoogste 20 te weinig gewerkte uren, minuren, kunnen worden overgeheveld naar een volgend tijdvak. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de letterlijke tekst van deze bepaling dat als een werknemer in een kwartaal minder gewerkt heeft dan de overeengekomen arbeidsduur, per blok van 13 weken maximaal 20 uren overgeheveld kunnen worden naar een volgend blok. De daarboven nog bestaande minuren komen in de visie van de rechtbank - als de werknemer ook beschikbaar is geweest die uren te verrichten - voor rekening en risico van de werkgever.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 13, tweede lid, onder d, van de CAO Thuiszorg geen aanknopingspunten biedt voor de in het bestreden besluit opgenomen en ter zitting van de rechtbank nog toegelichte interpretatie van verweerder dat er aan het eind van het kwartaal 20 minuren mogen overblijven, en dat het resterende aantal minuren voor rekening van de werknemer komt. De rechtbank gaat in dit kader voorbij aan de door verweerder genoemde e-mail van 22 augustus 2005 van de salarisadministrateur van de werkgever, nu deze e-mail eerst ter zitting naar voren is gebracht en noch de rechtbank noch eiseres bekend is met de (inhoud van deze) e-mail.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de door verweerder ter zitting genoemde uitspraak van de CRvB van 31 maart 1998 in onderhavig geval toepassing mist. In deze uitspraak ging het om een niet vergelijkbare situatie, namelijk de op een uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW in mindering gebrachte eerder verstrekte voorschotten.

De in de visie van de rechtbank juiste interpretatie van artikel 13, tweede lid, onder d, van de CAO Thuiszorg brengt in onderhavige casus met zich mee dat van de op 30 april 2005 bestaande 52,11 minuren maximaal 20 minuren door de werkgever overgeheveld hadden kunnen worden naar een volgend kwartaal, en dat de daarboven bestaande minuren (zijnde 32,11) voor rekening en risico van de werkgever kwamen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder deze 32,11 minuren (die nog resteerden nadat verweerder in het bestreden besluit de 20 maximaal per kwartaal over te hevelen minuren had laten vervallen) ten onrechte in mindering heeft gebracht op de krachtens hoofdstuk IV van de WW te betalen uitkering.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 64, eerste lid, onder a, van de WW voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. In het verweerschrift van 3 januari 2006 heeft verweerder toegelicht dat uit oogpunt van coulance is besloten de 20 minuren niet in mindering te brengen op de ingevolge hoofdstuk IV van de WW te betalen uitkering. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het op grond van artikel 64, aanhef en onder a, van de WW niet mogelijk is om de op grond van artikel 13, tweede lid, onder d, van de CAO Thuiszorg maximaal per kwartaal over te hevelen minuren in mindering te brengen op een ingevolge hoofdstuk IV te betalen WW-uitkering. Eiseres was immers, louter wegens het faillissement van de werkgever, niet meer in de gelegenheid deze op 30 april 2005 bestaande minuren in het (van 1 april 2005 tot 1 juli 2005 lopende) kwartaal in te halen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet voor haar risico dient te komen.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ? 644,-- als kosten voor verleende rechtsbijstand.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nader besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ad ? 37,-- aan haar vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in dit geding ad ? 644,--, te betalen door het Uwv.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Gerrits-Janssens, en in het openbaar uitgesproken op

3 mei 2006.

De griffier: De rechter:

mr. J.E. Visser mr. M.P. Gerrits-Janssens

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.