Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AX9518

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
SBR 06-761
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toeslagenwet. Geen recht op toeslag, nu eiseres voor haar bij haar wonende minderjarige kinderen geen kinderbijslag ontvangt..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/761

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 22 juni 2006

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 januari 2006 (bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 november 2005 kennelijk ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 21 juni 2006, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.J.F. Lenglet, advocaat te Utrecht. Namens verweerder is verschenen F. Snatager, werkzaam bij het Uwv.

Overwegingen

2.1 Eiseres ontvangt een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarnaast ontvangt eiseres, zoals zij ter zitting heeft aangegeven, alimentatie van haar in Duitsland werkzame ex-echtgenoot.

2.2 Op 20 oktober 2005 heeft eiseres zich tot verweerder gewend met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor een toeslag ingevolge de TW. Eiseres heeft daarbij aangegeven dat haar leefsituatie in verband met haar scheiding op 15 april 2005 is gewijzigd, waardoor het gezinsinkomen is gedaald.

Bij besluit van 3 november 2005 heeft verweerder geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een toeslag omdat haar inkomen niet lager is dan 70% van het minimumloon.

Eiseres heeft op 7 november 2005 een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit op de grond dat zij drie kinderen onder de 18 jaar heeft die tot haar huishouden behoren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

2.3 In beroep heeft eiseres aangegeven dat de vader van haar kinderen in Duitsland woont en dat aan hem, met toepassing van Verordening EEG nr. 1408/71, in Duitsland kinderbijslag wordt betaald, reden waarom eiseres in Nederland geen kinderbijslag ontvangt. Eiseres is van mening dat krachtens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de toepassing van de Verordening er niet toe mag leiden dat zij haar recht op toeslag op haar Wajong uitkering verliest. Ter zitting heeft eiseres nog betoogd dat zij wel recht op kinderbijslag heeft, maar dat zij niet daadwerkelijk kinderbijslag ontvangt. Nu de kinderen tot haar huishouden behoren en zij er zorg voor draagt, staan deze omstandigheden een strikte toepassing en lezing van de regeling in de TW in de weg, aldus eiseres.

2.4 Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TW, heeft recht op een toeslag een ongehuwde, die een kind heeft jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie hij op grond van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen.

2.5 Niet in geschil is tussen partijen dat tot het huishouden van eiseres drie kinderen onder de 18 jaar behoren en dat eiseres voor die kinderen geen kinderbijslag ontvangt, omdat haar in Duitsland werkzame ex-echtgenoot op grond van het zogeheten werklandbeginsel die kinderbijslag in Duitsland ontvangt.

2.6 De rechtbank overweegt dat, zoals uit de formulering van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TW voortvloeit en de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 18 mei 1993, LJN: ZB1225, ook heeft uitgesproken, dit artikellid dwingendrechtelijk is geformuleerd en dat het verweerder niet vrij staat daarvan af te wijken. De rechtbank heeft voor een eventueel andersluidend oordeel in de bij artikel 2 van de TW behorende Memorie van Toelichting (TK 1985-1986, 19 257, nr. 3, blz. 27) geen aanknopingspunten kunnen vinden. Het standpunt van eiseres dat onder de zinsnede 'kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen' als neergelegd in artikel 2, tweede lid, van de TW, in het onderhavige geval tevens dient te worden verstaan 'het recht hebben op kinderbijslag', strookt derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet met (het dwingendrechtelijk karakter van) deze bepaling.

Nu vast staat dat eiseres voor haar kinderen geen kinderbijslag ontvangt, voldoet eiseres niet aan de in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TW genoemde voorwaarde, zodat verweerder op goede grond heeft geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een toeslag.

2.7 De rechtbank heeft in de door eiseres in haar beroepschrift genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen evenmin aanleiding kunnen vinden voor een ander oordeel. Daargelaten de vraag of eiseres 'werknemer' is als bedoeld in de Verordening en daargelaten dat de rechtbank niet is gebleken dat eiseres zich binnen de Gemeenschap heeft verplaatst, is de essentie van de door eiseres genoemde arresten te weten dat 'door de inwerkingtreding van de EEG Verordening 1408/71 geen verlies mag optreden van sociale zekerheidsrechten' niet op haar van toepassing nu zij nimmer aanspraak op een toeslag ingevolge de TW heeft gehad.

2.8 De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiseres doch dit kan er niet toe leiden dat eiseres, in afwijking van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de TW, in aanmerking wordt gebracht voor een toeslag. Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2006.

De griffier: De rechter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. Y. Sneevliet

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.