Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AX9368

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
29-06-2006
Zaaknummer
182243/ HA ZA 04-1725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade, schending zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 182243 / HA ZA 04-1725

Vonnis van 21 juni 2006

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiseres sub 6],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. D.G. Schouwman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DVDF & PARTNERS B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

gedaagde,

procureur mr. C. Beijer.

Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagde] genoemd worden. Afzonderlijk zullen [eisers] c.s. genoemd worden: [eisers sub 1 en 2] (eisers sub 1 en 2), [eisers sub 3 en 4] (eisers sub 3 en 4) en [eisers sub 5 en 6] (eisers sub 5 en 6).

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juli 2005

- de akte van [eisers] c.s.

- de antwoordakte van [gedaagde]

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1 De rechtbank blijft bij de inhoud van het tussenvonnis van 13 juli 2005 en bouwt daarop voort. Voor zover partijen zich in hun aktes dan wel ten pleidooie hebben uitgelaten over hetgeen daarin zonder voorbehoud is overwogen, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

2.2 De rechtbank leidt uit de akte van [eisers] c.s. af dat zij hun eis in die zin hebben gewijzigd dat zij aan schadevergoeding wegens de tekortkoming van [gedaagde] vorderen[eisers sub 1 en 2]: een bedrag van EUR 56.559,49, vermeerderd met de door hem verschuldigde rentevergoeding van EUR 190,59 per maand vanaf augustus 2005 en de verschuldigde wettelijke rente;

[eisers sub 3 en 4]: een bedrag van EUR 83.691,89, vermeerderd met de door hem verschuldigde rentevergoeding van EUR 324,45 per maand vanaf augustus 2005, en de door hem verschuldigde kosten voor de kapitaalverzekering (EUR 37,-- per maand) vanaf augustus 2005 en de verschuldigde wettelijke rente;

[eisers sub 5 en 6]: een bedrag van EUR 52.092,12, vermeerderd met de door hem verschuldigde rentevergoeding van EUR 133,11 per maand vanaf augustus 2005 en de verschuldigde wettelijke rente.

2.3 Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte over de omvang van de tot december 2003 ontvangen rendementsbetalingen en de wijze waarop [eisers] c.s. - indien hij niet in de producten van NWI zou hebben geïnvesteerd - de door hem ingelegde gelden zou hebben geïnvesteerd en welk rendement hij daarmee zou hebben behaald.

2.4 [Eisers] c.s. heeft in zijn akte en ten pleidooie aangevoerd dat hij - indien [gedaagde] niet tekortgeschoten zou zijn in zijn zorgplicht - niet zou hebben geïnvesteerd in de producten van NWI, en ook niet zouden hebben geïnvesteerd in enig ander financieel product. Volgens hem heeft alleen het feit dat [gedaagde] hem een gegarandeerd rendement van 10 procent in het vooruitzicht heeft gesteld, hem doen besluiten om de overwaarde op zijn woning te gebruiken voor het doen van investeringen in financiële producten.

2.5 [Gedaagde] heeft deze stelling betwist. Volgens haar blijkt uit het feit dat [eisers] c.s. naast in NWI ook heeft geïnvesteerd in aandelenfondsen, dat hij bereid was om in risicovolle producten te investeren.

2.6 De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat tussen partijen dat [eisers] c.s. zijn investering in NWI van respectievelijk f. 120.000,--, EUR 74.873,76 en EUR 49.915,82 volledig heeft gefinancierd door middel van het verhogen van de hypotheek op zijn woning[eisers sub 1 en 2] en [eisers sub 3 en 4] hebben daarnaast hun hypotheek verhoogd om te investeren in aandelenfondsen ([eisers sub 1 en 2] tot een bedrag van f. 130.000,--, en [eisers sub 3 en 4] tot een bedrag van EUR 19.178,51). Onder dergelijke omstandigheden kan niet zonder meer worden aangenomen dat [eisers] c.s. - indien hij niet geïnvesteerd zou hebben in NWI - wel in enig ander financieel product zou hebben geïnvesteerd, laat staan in een risicovol product. Immers, [eisers] c.s. had het benodigde geld niet op de plank liggen, maar moest daarvoor de hypothecaire lening verhogen. Een hypotheekverhoging als de onderhavige brengt een aanzienlijke lastenstijging met zich. Een redelijk handelend persoon zou dan ook alleen tot een dergelijke hypotheekverhoging besluiten, indien het verwachte rendement van de beoogde investering op zou wegen tegen de daarmee verband houdende kosten en risico's. Op zijn minst zou dan ook - bij het wegvallen van de investering in NWI - door [eisers] c.s. een (nieuwe) afweging zijn gemaakt terzake van de vraag of hij überhaupt nog wel wenste te investeren, en zo ja, in welke producten en voor welk bedrag.

2.7 De uitkomst van deze afweging zou destijds bepaald zijn geweest door het doel dat [eisers] c.s. met de belegging wenste te bereiken, het rendement dat hij verwachtte met de investering te behalen, en de mate waarin hij bereid was daarvoor risico's te nemen.

Doel investering

2.8 Eiseres sub 2, [eiseres sub 2], heeft ten pleidooie verklaard dat zij destijds contact heeft opgenomen met [gedaagde] teneinde de hypotheek van haar en haar echtgenoot over te sluiten in verband met de lagere geldende rente. Volgens haar heeft [gedaagde] haar er toen op gewezen dat door te investeren in NWI in combinatie met enkele aandelenfondsen de maandelijkse lasten van de hypotheek (ook na de verhoging daarvan) zouden dalen en de hypotheek zou kunnen worden afgelost. Zij zag naar eigen zeggen wel wat in dit idee, omdat zij en haar echtgenoot destijds een aflossingsvrije hypotheek hadden en zij op deze wijze aan aflossen konden gaan werken.

2.9 Eiser sub 3, [eiser sub 3], heeft ten pleidooie verklaard dat hij met [gedaagde] contact heeft opgenomen, omdat hij van [eisers sub 1 en 2], familie van hem, had gehoord dat via een door [gedaagde] aangeboden product de maandelijkse lasten zouden kunnen worden gedrukt, hetgeen hem - in het licht van de kosten van zijn opgroeiende kinderen - een goed idee leek. [gedaagde] heeft hem vervolgens een combinatie van NWI en aandelenfondsen geadviseerd, omdat daarmee ook de spaarhypotheek volledig zou kunnen worden afgelost.

2.10 Eiser sub 5, [eiser sub 5], heeft tijdens het pleidooi verklaard dat hij destijds door [gedaagde] is bezocht, nadat deze voor hem zijn belastingaangifte had verzorgd. Volgens [eiser sub 5] heeft [gedaagde] hem geadviseerd om in NWI te investeren, omdat daarmee zijn maandlasten zouden kunnen worden gedrukt. Hij had daar naar eigen zeggen wel oren naar, omdat hij zo de kosten van zijn opgroeiende kinderen zou kunnen dekken.

2.11 [Gedaagde] heeft de door [eisers] c.s. beschreven gang van zaken bij gebrek aan wetenschap betwist.

2.12 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] niet met een dergelijke betwisting mogen volstaan. [gedaagde] bezit als financieel adviseur van [eisers] c.s. en contractspartij kennis terzake van de wijze waarop de beslissing van [eisers] c.s. om te investeren tot stand is gekomen. Het had dan ook op haar weg gelegen de betwisting van de schade te motiveren aan de hand van een toelichting op de wijze waarop de onderhavige investeringen tot stand zijn gekomen en een toelichting op de beleggingswensen en doelstellingen van [eisers] c.s. De rechtbank tekent hierbij aan dat [gedaagde] voldoende gelegenheid heeft gehad om een dergelijke gemotiveerde betwisting naar voren te brengen. Niet alleen heeft zij een antwoordakte kunnen nemen, maar ook heeft zij de gelegenheid gekregen haar standpunt ten pleidooie uiteen te zetten. Dat noch de directeur van [gedaagde], noch de medewerker van [gedaagde] die de betreffende contacten met [eisers] c.s. heeft gehad, ten pleidooie aanwezig waren, en dientengevolge niet over de gang van zaken hebben kunnen verklaren, is daarbij een keuze geweest die [gedaagde] heeft gemaakt en voor haar risico dient te komen..

2.13 Uit de verklaringen van [eisers] c.s. komt voldoende duidelijk naar voren dat de beslissing om te investeren en daarvoor de overwaarde van de woningen te gebruiken tot doel had om de maandelijkse lasten omlaag te brengen en (in geval van [eisers sub 1 en 2] en [eisers sub 3 en 4]) ook om de hypotheek uiteindelijk af te kunnen lossen.

Verwachte rendement

2.14 In het licht van het doel dat [eisers] c.s. met zijn investering wenste te bereiken, en het middel waarmee hij dat wenste te bereiken, moet ervan worden uitgegaan dat [eisers] c.s. van de investering een rendement verwachtte dat in ruime mate gelegen was boven de lasten van de bestaande hypotheek en de lasten die de verhoging van de hypotheek tot gevolg zou hebben. In het geval van [eisers sub 1 en 2] en [eisers sub 3 en 4] zelfs zodanig hoger dat daarmee de hypotheek uiteindelijk zou kunnen worden afgelost. Uit de overgelegde lastenoverzichten die zijn opgesteld door [gedaagde] voorafgaande aan de totstandkoming van de investeringen in NWI, blijkt dat [gedaagde] destijds terzake van de investering in NWI aan [eisers] c.s. een aanzienlijk rendement heeft voorgehouden dat aan de verwachtingen van [eisers] c.s. beantwoordde.

Bereidheid nemen risico's

2.15 Uit het feit dat [eisers sub 1 en 2] en [eisers sub 3 en 4] bereid waren te investeren in aandelenfondsen blijkt dat zij in enige mate bereid waren financiële risico's te nemen. Dit geldt in mindere mate voor [eisers sub 5 en 6], omdat hij alleen in NWI heeft geïnvesteerd. Diens investering in een product van de Dexia-bank dient buiten beschouwing te blijven, nu over het risicoprofiel daarvan onvoldoende is gesteld, en deze voorts reeds was beëindigd voordat [eisers sub 5 en 6] de investering in NWI aanging.

De rechtbank acht aannemelijk dat de bereidheid van [eisers] c.s. om financiële risico's te lopen in het onderhavige geval begrensd was door de wijze waarop de investering zou worden gefinancierd. Niet kan worden aangenomen dat [eisers] c.s. bereid zou zijn geweest zodanige risico's te nemen dat daarmee de mogelijkheid om de hypothecaire lasten te blijven voldoen, en in de woning te kunnen blijven wonen, in de waagschaal zou worden gelegd.

Ander product

2.16 [Gedaagde] heeft niet gesteld welk product zij destijds aan [eisers] c.s. zou hebben geadviseerd, indien zij de investering in NWI niet zou hebben geadviseerd, noch gesteld dat er destijds een product bestond dat in dezelfde mate als de producten van NWI beantwoordde aan het investeringsdoel van [eisers] c.s., een vergelijkbaar rendement zou hebben opgeleverd en waarvan de risico's binnen vergelijkbare grenzen als die van de producten van NWI zouden zijn gebleven. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat een dergelijk product destijds niet bestond. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat de onder 2.7 bedoelde afweging door [eisers] c.s. er destijds toe zou hebben geleid dat [eisers] c.s. van het doen van investeringen in een ander financieel product zou hebben afgezien.

Schade

2.17 Uit het voorgaande volgt dat de door [eisers] c.s. ten gevolge van de tekortkoming van [gedaagde] geleden schade zal worden berekend, uitgaande van de situatie dat [eisers] c.s. niet in een ander financieel product dan NWI zou hebben geïnvesteerd.

2.18 [Eisers] c.s. heeft bij zijn akte een schadeopstelling overgelegd die uitgaat van deze situatie.

2.19 [Gedaagde] heeft zich onder meer tegen de schadeopstelling verweerd met de stelling dat de daarop vermelde kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

2.20 De rechtbank wijst dit verweer af. Bij de schadeberekening zijn voldoende stukken gevoegd waaruit de verschuldigdheid van de betreffende kosten door [eisers] c.s. blijkt. De omstandigheid dat geen betalingsbewijzen zijn bijgevoegd, doet aan de verschuldigdheid niet af, en daarmee evenmin aan de conclusie dat deze kosten in beginsel als schadepost kunnen worden aangemerkt.

2.21 Voorts heeft [gedaagde] als verweer aangevoerd dat de kosten voor de kapitaalverzekering van [eisers sub 3 en 4], de bijdrage voor de belangenvereniging Fecundo en de kosten voor de financiering van de investering in NWI berusten op door [eisers] c.s. gemaakte keuzes, die niet voor rekening van [gedaagde] kunnen worden gebracht.

2.22 De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de enige wijze waarop [eisers] c.s. de door [gedaagde] geadviseerde investeringen kon financieren het verhogen van de hypothecaire geldlening was. Overigens blijkt uit de overgelegde lastenoverzichten die door [gedaagde] zijn opgesteld, ook dat [gedaagde] daarvan op de hoogte was. De terzake gemaakte kosten komen - voor zover deze kunnen worden toegerekend aan de investering in NWI, zoals [eisers] c.s. de kosten ook heeft berekend - dan ook voor vergoeding in aanmerking. Voor zover deze kosten zien op de door [eisers] c.s. voor de hypothecaire geldleningen te betalen rente (voor zover aangegaan ten behoeve van de producten van NWI), zal de rechtbank deze post toewijzen tot het moment waarop [eisers] c.s. de door [gedaagde] te betalen schadevergoeding heeft ontvangen, nu hij geacht wordt daarmee de hypothecaire geldleningen af te lossen, en met de aflossing aan de verplichting van [eisers] c.s. tot betaling van rente een einde komt.

Voorts heeft [eisers sub 3 en 4] onweersproken gesteld dat het afsluiten van de kapitaalverzekering vereist was voor het verkrijgen van de gewenste verhoging van zijn hypothecaire geldlening. Dit, in verband met het feit dat de hypotheek daarmee zou uitkomen boven 75 procent van de executiewaarde van de woning. Deze post is dan ook in beginsel toewijsbaar. De kapitaalverzekering zal echter naast de kosten - na aflossing van de hypothecaire geldlening - ook tot voordeel leiden voor [eisers sub 3 en 4] in de vorm van de uitkering van het in het de kapitaalverzekering opgebouwde vermogen. [Eisers sub 3 en 4] heeft de contante waarde van de kapitaalverzekering begroot op de helft van de betaalde premies. [gedaagde] heeft hiertegen onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd, zodat de rechtbank de aldus begrote contante waarde op de vordering van [eisers sub 3 en 4] in mindering zal brengen.

De kosten van het lidmaatschap van de belangenvereniging komen, als kosten ter beperking van schade, eveneens voor vergoeding in aanmerking. De omstandigheid dat dit lidmaatschap uiteindelijk niet tot een beperking van de schade heeft geleid, doet hieraan niet af.

Conclusie

2.23 Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de bedragen van de schadeopstelling van [eisers] c.s. toewijsbaar, met dien verstande dat op het aan [eisers sub 3 en 4] toekomende bedrag in mindering gebracht zal dienen te worden de contante waarde van de kapitaalverzekering.

2.24 De rechtbank ziet in de stellingen van [gedaagde] geen grond om tot matiging van de schadevergoeding over te gaan.

Kosten

2.25 [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Remmen c.s. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 83,78

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 4.229,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 6.394,50 (4,5 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 10.707,28

3. De beslissing

De rechtbank

3.1 verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eisers] c.s. heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht en dat zij uit dien hoofde aansprakelijk is voor de dientengevolge door [eisers] c.s. geleden en te lijden vermogensschade,

3.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers sub 1 en 2] te betalen een bedrag van EUR 56.559,49, vermeerderd met:

- de door [eisers sub 1 en 2] verschuldigde rentevergoeding (van thans EUR 190,59 per maand) vanaf augustus 2005 totdat [eisers sub 1 en 2] voormeld bedrag aan schadevergoeding van [gedaagde] heeft ontvangen;

- de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf de data waarop [eisers sub 1 en 2] de onderliggende bedragen heeft voldaan, tot de dag van volledige betaling,

3.3 veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers sub 3 en 4] te betalen een bedrag van EUR 83.691,89, vermeerderd met:

- de door [eisers sub 3 en 4] verschuldigde rentevergoeding (van thans EUR 324,45 per maand) vanaf augustus 2005 totdat [eisers sub 3 en 4] voormeld bedrag aan schadevergoeding van [gedaagde] heeft ontvangen;

- de door [eisers sub 3 en 4] verschuldigde kosten voor de kapitaalverzekering (van thans EUR 37,-- per maand) vanaf augustus 2005 totdat [eisers sub 3 en 4] voormeld bedrag aan schadevergoeding van [gedaagde] heeft ontvangen, verminderd met contante waarde van deze verzekering, bedragende de helft van de tot dat moment betaalde premies;

- de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf de data waarop [eisers sub 3 en 4] de onderliggende bedragen heeft voldaan, tot de dag van volledige betaling,

3.4 veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers sub 5 en 6] te betalen een bedrag van EUR 52.092,12, vermeerderd met:

- de door [eisers sub 5 en 6] verschuldigde rentevergoeding (van thans EUR 133,11 per maand) vanaf augustus 2005 totdat [eisers sub 5 en 6] voormeld bedrag aan schadevergoeding van [gedaagde] heeft ontvangen;

- de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf de data waarop [eisers sub 5 en 6] de onderliggende bedragen heeft voldaan, tot de dag van volledige betaling,

3.5 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] c.s. tot op heden begroot op EUR 10.707,28,

3.6 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2006.?

w.g. griffier w.g. rechter