Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AX8909

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
19-06-2006
Zaaknummer
SBR 06/0940 en SBR 06/1879 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom om het gebruik van een pand te Bunschoten ten behoeve van horeca-activiteiten voor groepen te beëindigen en beëindigd te houden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college van b& w bevoegd was handhavend op te treden en in het aangekondigde feest terecht aanleiding heeft gezien om (preventief) handhavend op te treden. Beroep van exploitant ongegrond en verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/940 en SBR 06/1879 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2006 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak.

inzake

[eiser],

gevestigd te Bunschoten,

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 11 januari 2006 waarbij het bezwaarschrift van eiser tegen een besluit van 15 maart 2005 ongegrond is verklaard. Bij het laatstgenoemde besluit is eiser onder oplegging van een last onder dwangsom aangeschreven om het gebruik van het pand [adres] te Bunschoten ten behoeve van horeca-activiteiten voor groepen te beëindigen en beëindigd te houden.

1.2 Het verzoek is op 24 mei 2006 ter zitting behandeld, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mw. C. van der Krans-Oskamp en de heer

G. Kok, beiden werkzaam bij de gemeente Bunschoten.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep:

2.3 Bij besluit van 22 juli 2003 is aan eiser een bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het intern verbouwen van een boerderij tot drie appartementen met vestiging van het gebruik in het pand als een wijnopslag/wijnproeflokaal/kantoor op het betreffende perceel. Als voorwaarde aan dit besluit is onder meer verbonden dat er niet meer dan 50 personen in het wijnlokaal aanwezig mogen zijn. Indien er meer dan 50 personen aanwezig zijn moet een gebruiksvergunning worden aangevraagd en zijn afgegeven. Voorts is in het betreffende besluit aangegeven dat er tijdens de wijnproeverijen geen detailhandel mag plaatsvinden

Nadat verweerder kennis had gekregen van een op 22 maart 2005 te organiseren feest op de locatie [adres] heeft verweerder bij (primair) besluit van 15 maart 2005 medegedeeld de betreffende last onder dwangsom op te leggen.

Naar aanleiding van een aanvraag van eiser van 3 mei 2005 om een ontheffing op grond van de Drank- en Horecawet heeft verweerder eiser bij brief van 8 juni 2005 medegedeeld dat voor het houden van proeverijen in het proeflokaal geen ontheffing nodig is, omdat dit past binnen voornoemde bouwvergunning en vrijstelling. Daarbij heeft verweerder tevens gewezen op het door eiser bij de aanvraag voor die vergunning aangegeven beoogde gebruik.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het tegen het besluit van 15 maart 2005 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard onder verwijzing naar een advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Bunschoten van 20 december 2005.

2.4 Op het perceel is het bestemmingplan 'Bunschoten-Zuid' (hierna; het bestemmingsplan) van toepassing. Het perceel heeft op grond van dit bestemmingsplan de bestemming eengezinshuizen (E10).

Op grond van artikel 29 van het bestemmingsplan is het verboden bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, of in strijd met een gebruik waarvoor ingevolge de bepalingen van dit plan vrijstelling is of wordt verleend.

2.5 Vaststaat dat het gebruik ten behoeve van horeca-activiteiten strijdig is met voornoemde bepalingen van het bestemmingsplan. Voorts heeft eiser weliswaar met de verleende bouwvergunning en vrijstelling de mogelijkheid om ter plaatse wijnproeverijen te organiseren maar is er geen grond om het door hem thans voorgestane gebruik, zoals hij voornemens was uit te voeren bij het voornoemde feest in maart 2005, toe te staan. Overigens heeft eiser in de (toelichting bij de) aanvraag die heeft geleid tot het besluit van 22 juli 2003 aangegeven dat de betreffende bedrijfsruimte in de eerste plaats is bedoeld voor de opslag van wijn, terwijl daarnaast wijnproeverijen zullen plaatsvinden, waarbij hij denkt aan ca. 5 wijnproeverijen per maand (voor kleine gezelschappen van ca. 12 personen). Tegen het besluit van 22 juli 2003 waarbij positief beslist is op dit verzoek heeft eiser geen bezwaar of beroep ingesteld.

Verweerder is dus bevoegd handhavend op te treden en heeft in het aangekondigde feest in beginsel terecht aanleiding gezien om (preventief) handhavend op te treden.

2.6 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van (dreigende) overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7 In het bestreden besluit heeft verweerder onder meer aangegeven dat legalisering in dit geval niet mogelijk is, omdat hij horeca-activiteiten als hoofdactiviteit op de betreffende locatie in de omvang zoals gewenst door eiser ongewenst acht. In dit verband heeft verweerder gewezen op het ontwerpbestemmingsplan ("Bunschoten Zuid / Eemlandia") dat thans in procedure is, waarin voor het betreffende pand geen horecabestemming is opgenomen. Voorts heeft verweerder gewezen op de te verwachten negatieve uitstraling op de (woon)omgeving en de gevolgen van de uitbreiding van de activiteiten voor de parkeerdruk

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

2.8 Wat betreft eisers beroep op het gelijkheidsheidbeginsel - eiser heeft gewezen op verschillende situaties in de gemeente Bunschoten waarin volgens hem wel horeca-activiteiten zijn toegestaan - is de rechtbank met verweerder van oordeel dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat sprake is van zodanig vergelijkbare situaties dat eiser zich daarop in rechte met succes kan beroepen. Hierbij wijst de rechtbank op hetgeen reeds is overwogen in het advies van de commissie bezwaarschriften met betrekking tot "[W]" en "[X]", alwaar een ander planologisch kader van toepassing is. Wat betreft de door eiser ter zitting gestelde vergelijkingen met een gehouden feest bij de [Y] en horeca-activiteiten bij "[Z]" in Eemdijk is evenmin voldoende gebleken van zodanig met eisers bedrijf vergelijkbare omstandigheden dat eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt.

Voorts is de rechtbank niet gebleken van specifieke toezeggingen aan eiser met betrekking tot het door hem thans voorgestane gebruik.

Overigens merkt de rechtbank nog op dat de voorwaarde in de vrijstelling van aanwezigheid van maximaal 50 personen met name ziet op de veiligheid en niet betekent dat het eiser (steeds) is toegestaan om 50 personen ter plaatse toe te laten. Er is in die zin geen sprake van verlening van een ruimere vrijstelling dan door eiser aangevraagd.

2.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid de belangen van handhaving zwaarder laten wegen dan de door eiser gestelde belangen.

2.10 Wat betreft eisers stelling dat aan hem een horecavergunning had moeten worden verleend voor de thans door hem voorgestane horeca-activiteiten merkt de voorzieningrechter nog op dat een beslissing daarover geen onderdeel uitmaakt van het thans bestreden besluit. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat er thans geen aanvraag van eiser om een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet in behandeling is.

2.11 De door eiser aangevoerde bezwaren kunnen gelet op het voorgaande niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Daarop gelet is er voorts geen aanleiding om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb toe te kennen.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter tevens geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

2.12 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist en wordt geen aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.3 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in 't Veld in en in het openbaar uitgesproken

op 7 juni 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. E.M. Tol mr. drs. R. in 't Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.