Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AX8760

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
06/179
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

De rechtbank Utrecht heeft de teruggave bevolen van een spandoek met daarop de tekst ‘Rita Moordenaar’ dat door de politie in beslag was genomen.

De politie was van mening dat de bezitter van het spandoek zich schuldig had gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie, namelijk de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw Verdonk.

De rechtbank heeft overwogen dat het spandoek zich richt tegen het beleid dat door deze Minister wordt gevoerd en dat de tekst ervan op zichzelf inderdaad als beledigend, zo niet lasterlijk, is voor de Minister.

Maar naar het oordeel van de rechtbank kan deze tekst niet los gezien worden van het – op het moment dat het spandoek werd opgehangen - maatschappelijk debat in de samenleving over het uitzettingsbeleid van de Minister, waarbij door sommigen een verband werd gelegd tussen dit beleid en de dood van in het cellencomplex op Schiphol gedetineerde vreemdelingen.

Deze achtergrond en het feit dat de tekst op een spandoek nu eenmaal kernachtig en ongenuanceerd is, maken dat de rechtbank de tekst op het in beslaggenomen spandoek niet onnodig grievend vindt. De rechtbank vindt dan ook dat door het ophangen van het spandoek, ten tijde van de maatschappelijke discussie over het uitzettingenbeleid en de Schiphol-brand, geen strafbaar feit oplevert. Er was daarom geen grond om het spandoek in beslag te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Rekestnummer: 06/179 (spandoek 8 november 2005) en 06/206 (vord. onttrekking)

BESCHIKKING van de meervoudige raadkamer in strafzaken,

gewezen op het op 22 november 2006 ter griffie van deze rechtbank ingekomen klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), van

[klager],

wonende te [adres],

(hierna te noemen: klager),

alsmede op een vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer, op grond van artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Het klaagschrift is gericht tegen (het voortduren van) de inbeslagneming en (daarmee kennelijk tevens) het uitblijven van een last tot teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan klager. De vordering van de officier van justitie strekt tot onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen voorwerp.

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van de inhoud van een (kopie van) een proces-verbaal met mutatienr. PL0911/05-372174, van voornoemd klaagschrift en van de vordering tot onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen spandoek.

Het klaagschrift is behandeld in openbare raadkamer op 19 januari 2006, 2 maart 2006 en 4 mei 2006.

Gehoord is de officier van justitie.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

1. op 8 november 2005 is bij de Weggeefwinkel aan het stationsplein te Utrecht een spandoek in beslag genomen

2. de tekst op dit spandoek bestond uit de woorden: “Rita Moordenaar”.

3. ter plaatse is door de politie geen onderzoek naar een verdachte ingesteld;

4. er is geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.

Overwegingen

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het spandoek terecht in beslag is genomen en dit beslag op juiste gronden nog steeds voortduurt. Het strafvorderlijk

belang hiervan is gelegen in de vordering tot onttrekking aan het verkeer. Ten aanzien van laatstgenoemde vordering kan naar de mening van de officier van justitie een grondslag worden gevonden in het bepaalde in artikel 36c, aanhef en onder 2 en 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: Sr), waarbij hij in het bijzonder in aanmerking neemt dat het spandoek van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Ter zitting heeft de officier van justitie aangegeven dat de vordering ziet op de strafbare feiten vermeld in de artikelen 266 en 267 aanhef en onder 2 Sr.

Klager stelt zich op het standpunt dat met de tekst en vormgeving van het spandoek uiting wordt gegeven aan zijn boosheid en verontwaardiging over het omkomen van gedetineerde vreemdelingen bij de brand op het cellencomplex op Schiphol-Oost op 27 oktober 2005, maar ook over mensen die na uitzetting omgekomen zijn in hun land van herkomst of een ander land waarheen zij uitgezet zijn. In het klaagschrift stelt klager dat hij meent dat minister Verdonk hiervoor verantwoordelijk is. Blijkens het klaagschrift heeft klager met het spandoek met daarop de tekst “Rita moordenaar” tot uitdrukking willen brengen dat hij het niet met het door haar gevoerde beleid eens is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de vordering tot onttrekking aan het verkeer.

Nu de op het spandoek aangebrachte tekst zich richt tegen het door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gevoerde beleid is de rechtbank van oordeel dat deze tekst zich richt tegen een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, als bedoeld in artikel 267, lid 2, Sr. Dit betekent dat ingevolge artikel 269 Sr vervolging van dit misdrijf mogelijk is zonder dat ter zake door de geadresseerde een klacht wordt gedaan.

De rechtbank dient thans te beoordelen:

a) of de op het spandoek aangebrachte tekst op zichzelf beledigend is,

b) of uit de context waarin de beledigende uitlating is gedaan en waarin deze aan het maatschappelijk debat bijdraagt, kan volgen dat daardoor het beledigende karakter aan de uitlating komt te ontvallen, en

c) of desondanks gesproken kan worden van een onnodig grievende uitlating.

De rechtbank is van oordeel dat de aanduiding “Rita Moordenaar” op zich en buiten de hierna te bespreken context beledigend, zo niet lasterlijk, is voor Minister Verdonk.

Echter, deze aanduiding kan niet los worden gezien van het ten tijde van het ophangen van dit spandoek hoog oplopende debat in de samenleving over de gevolgen van het door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gevoerde uitzettingsbeleid, waarbij door sommigen een verband werd gelegd met dit beleid en de dood van in het cellencomplex Schiphol gedetineerde vreemdelingen.

Voorts moet betekenis worden toegekend aan het feit dat klager ervoor heeft gekozen zijn mening te uiten door deze te verwoorden op een spandoek. Volgens Van Dale is dit een uitgespannen doek waarop een leus is aangebracht. Een dergelijke wijze van meningsuiting vraagt om een korte en kernachtige verwoording van de te uiten mening en laat minder ruimte voor nuancering dan andere vormen van meningsuiting. De rechtbank houdt er rekening mee dat deze uit de gekozen uitingswijze voortvloeiende kernachtigheid bekend is aan hen, die van de boodschap op het spandoek kennis nemen, zodat ook zij de inhoud van de geuite boodschap met inachtneming daarvan zullen beoordelen.

De vraag of klager bij het uiten van zijn mening zich onnodig grievend heeft uitgelaten beantwoordt de rechtbank ontkennend. Weliswaar is de door klager gekozen kwalificatie – moordenaar – kwetsend, maar bezien tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste context en het door hem gebezigde middel van meningsuiting niet als onnodig grievend te betitelen. De bedoeling van klager, namelijk dat er volgens hem een direct verband bestond tussen het beleid van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de dood van gedetineerden, is daarmee immers op weinig kiese maar duidelijke wijze onder woorden gebracht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat klager door het ophangen van het spandoek met voormelde tekst zich niet heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Hieruit volgt dat het inbeslaggenomen voorwerp geen voorwerp is dat in de in artikel 36c Sr bedoelde zin in relatie staat tot een strafbaar feit. Onttrekking aan het verkeer van dit voorwerp is daarom op die grond niet mogelijk.

Onttrekking aan het verkeer op grond van artikel 36d Sr is evenmin mogelijk, aangezien het inbeslaggenomen voorwerp niet kan dienen tot het begaan van een strafbaar feit, nu is vastgesteld dat daarmee geen strafbaar feit is begaan. De stelling van de officier van Justitie, dat teruggave van het spandoek in strijd is met het algemeen belang, omdat het ophangen ervan de openbare orde kan verstoren en kan aanzetten tot mogelijk gewelddadig optreden van anderen, moet, voor zover daarmee een verwijzing naar artikel 36d Sr is bedoeld worden verworpen. Voor zover deze stelling ziet op het belang van de openbare orde of andere strafbare feiten dan artikel 266 Sr is een beslissing daarover aan het oordeel van de rechtbank, die in deze beslist over het belang van een strafrechtelijk beslag, onttrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank dient gelet op het vorenstaande de vordering van de officier van justitie afgewezen te worden, daar er geen sprake is van enig strafbaar feit.

Ten aanzien van het klaagschrift.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of het belang van Strafvordering zich verzet tegen teruggave aan klager van hetgeen in beslag is genomen en beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer is afgewezen en de officier van justitie heeft aangegeven dat klager niet vervolgd zal worden.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat hetgeen in beslag is genomen dient te teruggegeven aan klager, die redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Dit brengt met zich dat teruggave aan [klager], die daar ook om heeft verzocht, redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van het op 8 november 2005 inbeslaggenomen spandoek af;

- verklaart het beklag gegrond;

- gelast de teruggave aan klager van het op 8 november 2005 inbeslaggenomen spandoek.

Deze beslissing is gewezen door mrs. F.M.D. Aardema, voorzitter, M.J. Smit en Chr. van Linschoten, als leden van de meervoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 15 juni 2006.