Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AX8058

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
13-06-2006
Zaaknummer
SBR 05-3427
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:AZ8450, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging ROA-verstrekkingen; terugkeergesprek vormt volgens vaste rechtspraak het peilmoment; geen bevoegdheidsgebrek; bevoegdheden van verweerder rechtsgeldig overgedragen aan het COA; niet aannemelijk dat de Informatiebrief aan eiser is uitgereikt, zodat niet gebleken is dat eiser voorafgaand aan zijn terugkeergesprek zorgvuldig is voorgelicht, conform het advies van de Commissie Van Dijk.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit en verlengt op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb, de eerder door de voorzieningenrechter getroffen voorziening ten aanzien van het primaire besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 05/3427

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2006

inzake

[eiser],

wonende te Woerden,

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 8 november 2005, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 13 januari 2004 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit zijn de krachtens de Regeling opvang asielzoekers (hierna: de ROA) verleende verstrekkingen beëindigd.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich - zoals tevoren aangekondigd - niet laten vertegenwoordigen.

1.3 Na de behandeling is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, en heeft zij dit ingevolge artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend.

Aan verweerder zijn nadere vragen gesteld. Verweerder is op 1 maart 2006 en 20 maart 2006 tot beantwoording van die vragen overgegaan.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1 In het onderhavige geding dient te worden beoordeeld of de beslissing om de verstrekkingen met onmiddellijke ingang te beëindigen in rechte stand kan houden.

Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.2 Ingevolge artikel III van het besluit van 27 maart 2001 van de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) strekkende tot wijziging van de ROA (Stcrt. 2001, nr. 63, p. 16, hierna: het wijzigingsbesluit ROA), eindigen de verstrekkingen van de asielzoeker op wiens asielaanvraag voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist, ten aanzien van wie een last tot uitzetting is gegeven en door de korpschef is meegedeeld dat hij de vertrekkingen moet verlaten, op de dag waarop hij Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten.

2.3 Het ten tijde van het besluit van 13 januari 2004 door verweerder bij de toepassing van die bepaling gevoerde beleid strekt ertoe dat verstrekkingen aan documentloze asielzoekers die Nederland dienen te verlaten niettemin niet worden beëindigd, doch slechts indien en zolang zij meewerken aan het verkrijgen van een vervangend reisdocument. Doel van het beleid is die medewerking te bevorderen door voortzetting van de voorzieningen in geval die medewerking aanwezig is. Kernpunt van dit beleid is dat van medewerking die tot voortzetting van de verstrekkingen, alhoewel daarop geen aanspraak bestaat, aanleiding kan geven eerst sprake is, indien en zolang de vreemdeling alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om terugkeer naar het land van herkomst te bewerkstelligen.

2.4 Op 24 februari 2003 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) met eiser een zogeheten terugkeergesprek gevoerd. Dit gesprek wordt gevoerd om te beoordelen of sprake is geweest van zodanige inspanningen om zijn terugkeer naar het land van herkomst te bewerkstelligen dat voortzetting van de verstrekkingen gerechtvaardigd is. Indien de betrokken vreemdeling niet kan aantonen dat hij alle activiteiten heeft verricht ten behoeve van terugkeer of vertrek naar het land van herkomst die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, wordt door de IND vastgesteld dat onvoldoende medewerking is verleend en wordt daarvan mededeling gedaan aan verweerder met het verzoek de door de vreemdeling ontvangen ROA-verstrekkingen te beëindigen.

Op 27 februari 2003 heeft de IND aan het COA meegedeeld dat vóór de inwerkingtreding van de wijziging van de ROA van 27 maart 2001 op eisers asielaanvraag in bezwaar in negatieve zin is beslist, dat eiser een last tot uitzetting is gegeven, dat door de korpschef is meegedeeld dat eiser Nederland moet verlaten, en dat eiser niet kan aantonen dat hij voldoende heeft meegewerkt aan zijn terugkeer.

2.5 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de AbRS) mag verweerder in beginsel afgaan op de mededeling van de IND dat de betrokken vreemdeling onvoldoende medewerking verleent aan het verkrijgen van de benodigde reisdocumenten. Dit is slechts anders, indien op grond van de door de vreemdeling overgelegde gegevens of anderszins gebleken feiten en omstandigheden voor verweerder concrete aanleiding bestaat tot twijfel aan de juistheid van die mededeling. Het terugkeergesprek vormt volgens vaste rechtspraak van de AbRS het peilmoment. Indien ten tijde van dat gesprek onvoldoende inspanningen zijn verricht, kan dat niet nadien worden hersteld.

2.6 Met betrekking tot de grief van eiser dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen en derhalve geen rechtsgeldig besluit is, aangezien het besluit ten onrechte niet door de algemeen directeur van het COA maar namens het bestuur van het COA door de algemeen directeur van het COA is genomen, wordt het volgende overwogen.

In artikel 19, eerste en tweede lid, van het Bestuursreglement Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Stcrt. 1994, 246), hierna: het Bestuursreglement, is het volgende bepaald:

"1. De algemeen directeur kan namens het bestuur beschikkingen geven.

2. Het eerste lid geldt niet voor het beslissen op bezwaarschriften tegen beschikkingen die de algemeen directeur krachtens mandaat heeft genomen."

In artikel 3 van het Mandaatbesluit heeft het college van burgemeester en wethouders de algemeen directeur van het COA het mandaat verleend te beslissen op het bezwaarschrift.

Gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Mandaatbesluit was de algemeen directeur bevoegd te beslissen op het bezwaarschrift namens het college. Het bestreden besluit is genomen door de algemeen directeur. Uit de ondertekening van het besluit blijkt dat de algemeen directeur zich ervan bewust was dat zij die bevoegdheid uitoefende namens verweerder. Hoewel de algemeen directeur ten onrechte heeft aangenomen dat zij de bevoegdheid in ondermandaat uitoefende, leidt dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot een vernietiging van het bestreden besluit, aangezien de algemeen directeur al krachtens mandaat bevoegd was het bestreden besluit te nemen en zij kennis heeft genomen van het relevante beleid en de relevante regelgeving.

De grief van eiser treft dan ook geen doel.

2.7 Ter zake van de grief van eiser dat het primaire besluit van 13 januari 2004 onbevoegd is genomen, omdat het besluit niet is genomen door de clusterdirecteur van het COA van het cluster waarbinnen eiser verbleef, wordt overwogen dat, voor zover sprake is geweest van bevoegdheidsgebreken bij de primaire besluitvorming, deze gebreken worden geacht te zijn hersteld bij de beslissing op het bezwaar. De rechtbank ziet ondersteuning voor dit oordeel in de jurisprudentie van de AbRS, zoals neergelegd in onder meer de uitspraak van 24 december 2002, zaaknummer 200201760/1.

Dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van besluitvorming in strijd met het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Awb, waarbij eiser heeft verwezen naar een uitspraak van de AbRS van 7 juli 2004 (JV 2004, 217), is de rechtbank niet gebleken. Het bestreden besluit is in het onderhavige geval, anders dan in voormelde uitspraak, immers niet genomen door degene die ook het primaire besluit heeft genomen.

2.8 Ten aanzien van de grief van eiser dat bevoegdheden van verweerder niet rechtsgeldig zijn overgedragen aan het COA, aangezien de overeenkomst tot overdracht en het mandaatbesluit van 4 juni 2002 niet zijn ondertekend door de algemeen directeur van het COA zodat sprake is van strijd met artikel 22 van het Bestuursreglement, overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 10:4, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, de mandaatverlening de instemming van de gemandateerde behoeft en in voorkomend geval van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt. Volgens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 172) behelst de eis van instemming die in dit artikel is opgenomen geen vormvereiste. In veel gevallen ligt voorafgaand overleg voor de hand. Dit zal veelal uitlopen op schriftelijke instemming, maar van die instemming kan ook blijken uit de uitoefening van het mandaat. Het stellen van de eis dat de instemming schriftelijk wordt gegeven lijkt - aldus de memorie van toelichting - te zwaar.

In artikel 21 van het Bestuursreglement is bepaald dat de algemeen directeur door het algemeen of dagelijks bestuur genomen besluiten kan ondertekenen, tenzij het algemeen of dagelijks bestuur anders heeft bepaald.

In artikel 22 van het Bestuursreglement is bepaald dat de algemeen directeur namens het Centraal Orgaan privaatrechtelijke rechtshandelingen kan verrichten. De algemeen directeur kan ondervolmacht verlenen.

Uit de door verweerder verstrekte gegevens blijkt dat degene die de overeenkomst tot overdracht en de mandaatovereenkomst heeft ondertekend, [X], ten tijde van de ondertekening lid van de hoofddirectie was. Per 1 juni 2003 is de betreffende functionaris de functie van algemeen directeur van het COA gaan vervullen.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de uitoefening door het COA van de bestuursrechtelijke bevoegdheden die de gemeente Woerden heeft op grond van de ROA, dat

de algemeen directeur van het COA van de mandaatverlening op de hoogte is en hiermee instemt, nu niet is gebleken dat hij daartegen bezwaar heeft. De omstandigheid dat [X] mogelijk niet bevoegd was de overeenkomst tot overdracht en de mandaatovereenkomst te ondertekenen, doet aan het vorenstaande niet af.

De betreffende grief van eiser faalt derhalve.

2.9 Met betrekking tot de grief van eiser dat in zijn geval niet is voldaan aan het in artikel III, onder c, van het wijzigingsbesluit ROA neergelegde vereiste, inhoudende dat hem door de korpschef is meegedeeld dat hij de verstrekkingen dient te verlaten, wordt het volgende overwogen.

Niet in geschil is dat bij brief van 27 maart 1998 een last tot uitzetting ten aanzien van de vreemdeling is gegeven naar aanleiding waarvan door de korpschef is meegedeeld dat eiser Nederland dient te verlaten. Volgens vaste rechtspraak van de AbRS (zie onder meer de uitsprak van 31 augustus 2005, www.rechtspraak.nl, LJN-nr. AU1748) impliceert deze mededeling dat de vreemdeling ook de verstrekkingen moet verlaten. Daarmee is voldaan aan het in artikel III, onder c, van het wijzigingsbesluit neergelegde vereiste.

Gelet op het vorenstaande faalt deze grief van eiser.

2.10 Ter zake van de grief van eiser dat hij niet zorgvuldig is voorgelicht over de verlangde medewerking en de consequenties van niet-meewerken, wordt het volgende overwogen.

Op de beëindiging door verweerder van verstrekkingen ingevolge de ROA is de Herziene werkwijze Stappenplan III (Stcrt. 8 juli 2002, nr. 127, pag. 7) (hierna: Herziene werkwijze) van toepassing. Op grond van de Herziene werkwijze wordt aan asielzoekers die tot de doelgroep behoren door de Vreemdelingendienst een vordering uitgereikt voor een terugkeergesprek bij de IND. Tijdens dat gesprek wordt onderzocht of de desbetreffende vreemdeling kan aantonen (mee) te hebben gewerkt dan wel nog steeds mee te werken aan terugkeer naar het land van herkomst conform het op 15 januari 1998 door de commissie Van Dijk uitgebrachte en door de regering overgenomen advies, waarin criteria zijn vervat om vast te stellen in welke gevallen er sprake is van niet-meewerken door afgewezen asielzoekers aan hun terugkeer. Voor de vraag of sprake is van niet-meewerken heeft verweerder zich uitdrukkelijk verbonden aan de door de commissie Van Dijk geformuleerde criteria.

Volgens de criteria van eerdergenoemde commissie Van Dijk is sprake van meewerken en voldoen aan de inspanningsverplichting indien de asielzoeker alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. De commissie Van Dijk voegt daar aan toe: "Van niet-meewerken (...) is sprake indien de asielzoeker, na zorgvuldig over de consequenties van niet-meewerken te zijn geïnformeerd, aantoonbaar niet aan die inspanningsverplichting heeft voldaan."

Ook in de brief van 23 maart 1998 naar aanleiding van het rapport van de commissie Van Dijk, onderschrijft de Staatssecretaris in dit verband dat van belang is dat de asielzoeker tijdig en goed wordt geïnformeerd over wat precies van hem verlangd wordt en wat de consequenties (kunnen) zijn van niet meewerken.

Op 18 december 2002 heeft eiser van de korpschef een vordering ontvangen voor een terugkeergesprek op het regiokantoor van de IND te Arnhem. Het terugkeergesprek heeft plaatsgevonden op 24 februari 2003.

Door eiser is niet ontkend dat hij de vordering van 18 december 2002 heeft ontvangen. Wel heeft eiser consequent ontkend dat bij de betreffend brief de Informatiebrief was gevoegd, waarin asielzoekers worden gewezen op wat van hen wordt verlangd en wat de consequenties (kunnen) zijn als zij niet meewerken. Uit het verslag van het terugkeergesprek op 24 februari 2003 blijkt niet dat eiser van de inhoud van de Informatiebrief op de hoogte was.

In het door het COA aan de rechtbank overgelegde procesdossier bevindt zich een van de IND afkomstig afschrift van de vordering van 18 december 2002, welk afschrift is voorzien van een faxregel van 19 december 2002. De - eveneens - door het COA overgelegde Informatiebrief, die door het COA achter de vordering is gevoegd, bevat deze faxregel niet. Daaruit leidt de rechtbank af dat de Informatiebrief die in het procesdossier is gevoegd niet hoorde bij de vordering van 18 december 2002, maar dat deze door het COA in het procesdossier is gevoegd.

Nu er sprake is van een voor eiser belastend besluit is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de Informatiebrief daadwerkelijk aan eiser is uitgereikt op 18 december 2002. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de Informatiebrief op 18 december 2002 aan eiser is uitgereikt. Ook na de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 25 november 2005 (SBR 05/3428 VV) zijn van de zijde van verweerder geen bescheiden ontvangen die eventueel tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat eiser voorafgaand aan zijn terugkeergesprek op 24 februari 2003 zorgvuldig is voorgelicht, conform het eerdergenoemde en door de regering overgenomen advies van de commissie Van Dijk. Verweerder had derhalve niet mogen afgaan op het advies van het IND. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat van niet-meewerken in de zin van het Herziene stappenplan sprake was.

Verweerder heeft nog gewezen op een aantal uitspraken van de AbRS over de toepassing van de Herziene werkwijze. De rechtbank overweegt dienaangaande dat niet is gebleken dat het onderhavige geval op de relevante punten met de in die uitspraken aan de orde zijnde gevallen op één lijn kan worden gesteld.

2.11 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat het bestreden besluit van 8 november 2005 wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:2 van de Awb, niet in stand kan blijven. Het besluit wordt derhalve vernietigd.

2.12 Tevens bestaat, gelet op het voorgaande, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb, de door de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 25 november 2005 getroffen voorziening ten aanzien van het primaire besluit van 13 januari 2004, te verlengen, in die zin dat de schorsing van het besluit van 13 januari 2004 voortduurt tot zes weken na de bekendmaking van een nieuw door verweerder te nemen besluit op bezwaar.

2.13 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 8 november 2005;

3.3 bepaalt dat de schorsing van het besluit van 13 januari 2004 voortduurt tot zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar;

3.4 draagt verweerder op om binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

3.5 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,- aan hem vergoedt;

3.6 veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in dit geding ten bedrage van € 644,-;

3.7 wijst de gemeente Woerden aan als de rechtspersoon die de onder 3.5 en 3.6 genoemde bedragen dient te betalen;

Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2006.

De griffier: De rechter:

A. Heijboer mr. S. Wijna

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.