Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AW2111

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
18-04-2006
Zaaknummer
209744 / KG ZA 06-254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voor herregistratie van huisartsen is vereist dat zij lid zijn van een huisartsengroep. Eiseres is een huisarts in Driebergen. Zij heeft de huisartsengroep Driebergen gevraagd om toegelaten te worden als lid. De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit van de huisartsengroep om haar als lid te weigeren in strijd is met de mededingingswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 209744 / KG ZA 06-254

Vonnis in kort geding van 31 maart 2006

in de zaak van

T.B.,

wonende te Driebergen,

eiseres,

procureur mr. B.F. Keulen,

advocaat mrs. A.C.H. Jansen en T. van Wijk te Nijmegen,

tegen

1. A.A. A., wonende te Driebergen-Rijssenburg,

2. C. D., wonende te Zeist,

3. L.H.J. VAN E., wonende te Driebergen-Rijssenburg,

4. D.J.D.F. G., wonende te Driebergen-Rijssenburg,

5. E.M. VAN G., wonende te Driebergen-Rijssenburg,

6. A.C. L., wonende te Driebergen-Rijssenburg,

7. D.C. H., wonende te Driebergen-Rijssenburg,

8. F.J.R. VAN H., wonende te Driebergen-Rijssenburg,

gedaagden,

procureur mr. E.L. Pasma.

Partijen zullen hierna B. en A. c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van B.

- de pleitnota van A. c.s..

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 31 maart 2006 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. B. werkt vanaf 1969 als huisarts. Sinds 1976 is zij ingeschreven in het door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG) bijgehouden register van erkende huisartsen. Inschrijving in dit register van erkende huisartsen is noodzakelijk om als huisarts werkzaam te mogen zijn. Herregistratie dient iedere vijf jaar te geschieden. B. heeft sinds 1976 onafhankelijk van de andere huisartsen in Driebergen gewerkt. Zij heeft altijd individueel een praktijk gevoerd en heeft haar eigen waarneming geregeld in die zin dat zij zich slechts heeft laten waarnemen in geval van ziekte of vakantie. Zij heeft niet waargenomen voor anderen. Tot op heden heeft deze waarneemregeling van B. geen problemen opgeleverd voor herregistratie.

2.2. A. c.s. zijn allen sinds geruime tijd werkzaam als huisarts in Driebergen. Daarnaast zijn nog twee huisartsen werkzaam in Driebergen, de heer en mevrouw Van L. (hierna: Van L. c.s.). A. c.s. en Van L. c.s. hebben in het verleden samengewerkt in een huisartsengroep, genaamd Huisartsengroep Driebergen-Rijssenburg (“Hagro Driebergen”). Inmiddels werken A. c.s. samen in een huisartsencoöperatie, genaamd Coöperatieve Vereniging van Huisartsen Driebergen-Rijssenburg (“Haco Driebergen”). Van L. c.s. hebben een eigen haco opgericht. Een haco is een hagro in de zin van het hierna (onder 2.4.) genoemde Besluit.

2.3. De Haco Driebergen houdt zich met name bezig met:

- praktijkondersteuning door middel van een verpleegkundig spreekuur;

- intercollegiale toestsing;

- deskundigheidsbevordering;

- onderlinge waarneming bij ziekte, vakantie of scholing.

2.4. Het College voor Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde (“CHVG”) heeft ter uitvoering van de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten van de KNMG in het Besluit CHVG no. 2-2002 (hierna: Besluit) eisen en voorwaarden voor herregistratie van huisartsen vastgelegd. Het besluit is op 9 maart 2003 in werking getreden. In het Besluit definieert het CHVG een hagro als volgt:

“groep van huisartsen met gezamenlijke activiteiten, onder andere op het gebied van deskundigheidsbevordering; de hagro kan tevens een waarneemgroep van huisartsen onderling zijn.”

De artikelen 1 en 2 van het Besluit bepalen voor zover hier van belang:

Artikel 1 (voorwaarden voor herregistratie)

De inschrijving van een arts in het register van huisartsen als bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Regeling wordt hernieuwd indien de arts in de vijf jaar voorafgaande aan de expiratie van de registratie heeft voldaan aan de navolgende eisen:

a. de arts is regelmatig en in voldoende mate als huisarts werkzaam geweest;

b. de arts heeft in voldoende mate deelgenomen aan geaccrediteerde deskundigheidsbevordering op het terrein van de huisartsgeneeskunde.

Artikel 2 (definitie werkzaamheden als huisarts en criteria huisartsgeneeskundige zorg)

a. Onder werkzaam zijn als huisarts wordt verstaan dat een ingeschreven arts persoonlijk beschikbaar is voor het verlenen van huisartsgeneeskundige zorg en deze zorg ook daadwerkelijk verleent. In alle gevallen geldt dat het werkzaam zijn als huisarts zowel het houden van spreekuren, het afleggen van huisbezoeken, acute hulpverlening als het deelnemen aan onderlinge waarneming bij afwezigheid omvat. Een huisarts is lid van een hagro.

(…)”

2.5. Eind 2004 heeft B. aan de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie (hierna: HVRC), een commissie die onderdeel uitmaakt van de KNMG, verzocht haar inschrijving als erkend huisarts te verlengen.

2.6. Op basis van de door B. verschafte informatie heeft de HVRC op 8 februari 2005 aan B. bericht, kort gezegd, dat zij voornemens is aan het verzoek tot herregistratie niet te voldoen omdat de werkzaamheden van B. niet voldoen aan artikel 2 van het Besluit “wegens het niet deelnemen aan onderlinge waarneming bij afwezigheid en het geen lid zijn van een hagro”.

2.7. De HVRC heeft B. in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven op het voorgenomen besluit. Vervolgens heeft de HVRC op 13 mei 2005, voor zover hier van belang, de navolgende beslissing genomen:

“De HVRC heeft besloten aan uw verzoek tot herregistratie te voldoen in die zin dat, omdat door u niet volledig wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van de werkzaamheden als huisarts, zoals bepaald in artikel 2 Besluit, uw inschrijving in het register van huisartsen wordt hernieuwd met de periode van één jaar, dat wil zeggen tot 1 april 2006.

Deze kortere periode is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen uw deelname aan een onderlinge waarneemregeling en uw participatie in een hagro in overeenstemming met de regelgeving te brengen.

(…)”

2.8. Bij brief van haar raadsman van 6 juni 2005 heeft B. aan de leden van de Hagro Driebergen (A. c.s. en Van Lennep c.s.) verzocht haar te laten participeren in de Hagro Driebergen en deel te laten nemen in de onderlinge waarneemregeling, een en ander eventueel onder onderling overeen te komen voorwaarden.

2.9. Naar aanleiding van het verzoek van B. hebben A. c.s. zich bij brief van 17 juni 2005 gewend tot de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Bij brief van 27 juni 2005 heeft de Inspecteur voor de Gezondheidszorg, dr. J.W.M. R., hierna: de Inspecteur, op grond van de door A. c.s. geschreven brief B. verzocht om informatie over haar patiëntenbestand (aantal, leeftijdsverdeling en woonplaats). B. heeft hierop een overzicht van haar patiënten, verdeeld per woonplaats, aan de Inspecteur toegezonden.

2.10. A. c.s. hebben op 2 oktober 2005 aan B. bericht dat de spreiding van haar praktijkpopulatie het onmogelijk maakt om te komen tot een samenwerking in de zin van de eisen van de HVRC, omdat, kort gezegd, het waarneemcontract van A. c.s. bepaalt dat patiënten buiten het waarneemgebied niet zijn toegestaan.

2.11. Teneinde te voldoen aan het door de HVRC gestelde vereiste van onderlinge waarneming heeft B. zich bij e-mailbericht van 15 februari 2006 aangemeld bij de huisartsenpost in Zeist. Namens de huisartsenpost is aan B. bericht dat zij zich niet kan aanmelden bij de huisartsenpost, omdat daarvoor lidmaatschap van een hagro verplicht is.

3. Het geschil

3.1. B. vordert, samengevat:

primair dat A. c.s. haar als volledig lid toelaten tot de Haco Driebergen;

subsidiair dat A. c.s. haar onder nader te bepalen voorwaarden toelaten tot de Haco Driebergen;

meer subsidiair dat A. c.s. haar toelaten tot de activiteiten van de Haco Driebergen;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van A. c.s. in de kosten van het geding.

3.2. B. heeft haar vordering gebaseerd op de stelling dat de weigering van A. c.s. om haar toe te laten tot de Haco Driebergen in strijd is met de artikelen 24 en 6 van de Mededingingswet (Mw), althans jegens haar een onrechtmatige daad oplevert wegens strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, althans dat A. c.s. hiermee misbruik maken van hun bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW). B. heeft haar vordering ingesteld tegen A. c.s. in hun hoedanigheid van bestuurslid van de Haco Driebergen en niet tegen de Haco Driebergen als zodanig. A. c.s. zijn allen bestuurslid van de Haco Driebergen en beslissen als zodanig gezamenlijk over het al dan niet toelaten van B. tot de Haco Driebergen, aldus B..

3.3. A. c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Uitgangspunt in dit kort geding is dat B. voldoet aan de vereisten voor herregistratie als huisarts, behoudens de vereisten dat zij dient te zijn aangesloten bij een hagro en deelneemt aan een regeling met betrekking tot onderlinge waarneming.

Wat betreft de deelname aan een regeling voor onderlinge waarneming heeft B. aangevoerd dat zij zich heeft aangemeld bij de huisartsenpost in Zeist. Voor aansluiting bij deze huisartsenpost is echter eveneens vereist dat B. lid is van een hagro. B. vordert dus geen deelname aan de onderlinge waarneemregeling van de Haco Driebergen.

4.2. Teneinde in aanmerking te komen voor herregistratie als huisarts vordert B. in dit kort geding om toegelaten te worden tot de Haco Driebergen. A. c.s. hebben hiertegen verweer gevoerd. Volgens A. c.s. staat het hen vrij om B. uit te sluiten van lidmaatschap. Zij hebben in dat verband aangevoerd dat het onderling vertrouwen om tot een goede samenwerking te komen ontbreekt, dat B. zich tot andere hagro’s en/of haco’s in Driebergen of omgeving kan wenden en dat B. niet in staat zal zijn om mee te draaien in de onderlinge waarneemregeling, nu een deel van haar patiënten buiten het waarneemgebied wonen.

4.3. De vraag die in dit kort geding voorligt is of het A. c.s. vrij stond om te weigeren B. toe te laten tot het lidmaatschap van de Haco Driebergen. In dat verband zal, gelet op de stellingen van B., allereerst moeten worden bezien of dit besluit van A. c.s. in strijd is met het mededingingsrecht.

4.4. In dat verband zal eerst worden beoordeeld of de Haco Driebergen is aan te merken als een ondernemersvereniging in de zin van het mededingingsrecht. Uit het door B. (in haar pleitnotitie onder 20) aangehaalde besluit van de Nma, welk besluit A. c.s. niet hebben weersproken, volgt dat een individueel vrij gevestigde huisarts kan worden aangemerkt als een onderneming in de zin van artikel 1 sub f Mw. A. c.s. hebben zich als huisartsen verenigd in een coöperatieve vereniging en in het kader hiervan hebben zij een aantal samenwerkingsactiviteiten ontplooit (zie 2.3.). Gelet hierop moet vooralsnog worden geconcludeerd dat de Haco Driebergen is te beschouwen als een organisatie die de door A. c.s. gedreven ondernemingen verenigt en derhalve als ondernemersvereniging in de zin van artikel 6 Mw.

4.5. Artikel 6 lid 1 Mw bepaalt onder meer dat verboden zijn besluiten van ondernemersverenigingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

Voldoende aannemelijk is geworden dat het besluit van A. c.s. kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6 Mw. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat B., wil zij voor herregistratie in aanmerking komen en haar beroep als huisarts blijven uitoefenen, op grond van het onder 2.4. genoemde Besluit lid dient te zijn van een hagro. Tussen partijen is evenmin in geschil dat B., indien zij lid is van een hagro, kan meedraaien in een huisartsenpost, waarmee zij aan het in het Besluit genoemde vereiste van onderlinge waarneming zal kunnen voldoen. Wil B. derhalve haar beroep als huisarts kunnen (blijven) uitoefenen, dan dient zij lid te zijn van een hagro. Deze voor herregistratie vereiste verplichting van lidmaatschap is opgelegd door het CHVG, na daartoe advies te hebben verkregen van het Federatiebestuur van de KNMG, de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) en de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband en de HVRC.

Het betreffende Besluit is op 9 maart 2003 in werking getreden. Daarvoor was lidmaatschap van een hagro niet vereist, zodat er voor B. tot het moment waarop zij het verzoek om herregistratie heeft ingediend geen noodzaak was om tot een hagro toe te treden.

4.7. Dat het voor B. voor de uitoefening van haar beroep noodzakelijk is om als lid toe te treden tot een hagro of haco was aan A. c.s. ten tijde van het verzoek van B. bekend. Een en ander blijkt niet alleen uit het hiervoor genoemde Besluit, maar ook uit de namens B. aan A. c.s. op 30 juni 2005 gezonden brief. B. heeft aangevoerd dat de weigering van A. c.s. om haar toe te laten tot de Haco Driebergen niet alleen betekent dat B. geen lid mag worden, maar tevens dat het haar onmogelijk wordt gemaakt om haar beroep als huisarts uit te oefenen en haar patiënten te bedienen.

4.8. Vast staat dat de meeste patiënten van B. en alle patiënten van A. c.s. woonachtig zijn het gebied Driebergen-Rijssenburg. Dit gebied dient derhalve te worden aangemerkt als de relevante geografische markt waarop de beperking van de mededinging dient te worden getoetst. Voldoende aannemelijk is geworden dat door het weigeringsbesluit van A. c.s. de mededinging in dit gebied wordt beperkt. Immers, als gevolg van het besluit verliest B. haar registratie als huisarts in het gebied Driebergen-Rijssenburg, kan zij niet langer haar patiënten in dit gebied bedienen en derhalve niet langer concurreren met A. c.s. De stelling van A. c.s. dat geen sprake is van merkbare beperking van de concurrentie gaat dan ook niet op. Door B. niet toe te laten tot de Haco Driebergen handelen A. c.s. dan ook in strijd met artikel 6 Mw en derhalve onrechtmatig jegens B.. De stelling van A. c.s. dat zij niet onrechtmatig handelen, omdat B. zich met haar verzoek om te mogen participeren in een hagro evenzeer had kunnen wenden tot Van Lennep c.s. dan wel een hagro van antroposofische huisartsen in Zeist doet aan de onrechtmatigheid van het handelen van A. c.s. niet af. B. heeft aangevoerd dat ook van Van Lennep c.s. en de antroposofische hagro te Zeist negatief hebben gereageerd op haar verzoek om toe te mogen treden tot hun respectieve hagro. Mogelijk handelen Van Lennep c.s. en de antroposofische artsen hiermee eveneens onrechtmatig jegens B., maar zo dat al zo is, dan neemt dit het onrechtmatig handelen van A. c.s. jegens B. niet weg.

4.9. A. c.s. hebben voorts nog aangevoerd dat de samenwerking in de Haco Driebergen niet in strijd is met artikel 6 Mw, omdat het gaat om kwaliteitsbevordering, het opzetten van een gezamenlijk project dat zij niet afzonderlijk kunnen opzetten en waarneming. Dit verweer gaat echter niet op, nu – zo is hiervoor reeds overwogen – huisartsen voor de uitoefening van hun beroep verplicht zijn om zich aan te sluiten bij een hagro en door weigering van deelname de desbetreffende huisarts zijn of haar beroep niet kan uitoefenen. De hoedanigheid van de activiteiten die de betreffende leden van de hagro en/of haco in het samenwerkingsverband vervolgens ontplooien doet daaraan niet af.

A. c.s. zijn derhalve gehouden om B. toe te laten tot de Haco Driebergen.

4.10. Op grond van het onder 2.4. genoemde Besluit is voor herregistratie verplicht dat een huisarts is aangesloten bij een hagro. Uit de omschrijving van het begrip ‘hagro’ alsmede uit het bepaalde in artikel 1 van het Besluit volgt dat een huisarts in ieder geval moet voloen aan geaccrediteerde deskundigheidsbevordering op het terrein van de huisartsgeneeskunde. De vordering zal derhalve worden toegewezen in die zin dat B. hieraan als lid van de hagro kan deelnemen. B. zal niet hoeven deelnemen aan de onderlinge waarneemregeling of andere activiteiten van de Haco Driebergen die niet overeenkomen met de omschrijving van de activiteiten van een hagro in het Besluit. Immers, de vordering is toewijsbaar omdat B. uit hoofde van het Besluit gehouden is tot samenwerking in een hagro en A. c.s. haar derhalve niet kunnen uitsluiten van participatie van hun hagro. Daaruit volgt echter ook dat van de (leden van de) hagro geen verdergaande samenwerking dan door het Belsuit wordt voorgeschreven kan worden gevorderd. Voorts geldt dat B. heeft aangevoerd dat zij zal worden toegelaten tot de huisartsenpost te Zeist, indien zij het lidmaatschap van de Haco Driebergen heeft verworven. Daarmee zal aan het voor herregistratie vereiste van onderlinge waarneming zijn voldaan en in zoverre heeft B. dan ook geen belang bij toewijzing van het primair gevorderde. Bovendien wordt met uitsluiting van de plicht tot onderlinge waarneming tegemoetgekomen aan het bezwaar van A. c.s. dat niet alle patiënten van B. in het gebied Driebergen-Rijssenburg woonachtig zijn.

4.11. De slotsom is dan ook dat het subsidiair gevorderde toewijsbaar is. Of B. uiteindelijk voor herregistratie in aanmerking komt zal door de HVRC worden beoordeeld. Op dit oordeel kan in kort geding niet worden vooruitgelopen, zodat hetgeen A. c.s. hieromtrent hebben aangevoerd niet behoeft te worden beoordeeld.

4.12. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.13. A. c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van B. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 93,20

- vast recht 248,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.157,20

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt A. c.s. om B. toe te laten tot de Haco Driebergen, in die zin dat zij als lid ten minste kan deelnemen aan de gezamenlijke activiteiten op het gebied van deskundigheidsbevordering in de zin artikel 1 onder b van het Besluit CHVG 2-2002, met dien verstande dat A. c.s. B. niet behoeven te betrekken in de ten behoeve van de Haco Driebergen overeengekomen regeling voor onderlinge waarneming,

5.2. bepaalt dat A. c.s. voor iedere dag dat zij na een maand na betekening van dit vonnis in strijd handelen met het onder 5.1. bepaalde, aan B. een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,-, tot een maximum van EUR 100.000,-,

5.3. veroordeelt A. c.s. in de proceskosten, aan de zijde van B. tot op heden begroot op EUR 1.157,20,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2006.?

w.g. griffier w.g. rechter