Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AW1814

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
SBR 06-1482
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om de aan ProRail verleende kapvergunning te schorsen. De kapvergunning is verleend voor het kappen van 29 berken en 3 esdoorns in de groenstrook gelegen aan de Spoorlaan te Veenendaal ter realisering van een keerspoor. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij de afweging van belangen in het kader van de APV het belang van de vergunninghouder mogen betrekken van de realisatie van het keerspoor dat deel uitmaakt van een omvangrijk, landelijk project “Randstadspoor” en heeft verweerder dit belang in redelijkheid zwaarder laten wegen dan het door verzoeker aangevoerde belang met betrekking tot zijn uitzicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/1482

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2006

inzake

[verzoeker],

wonende te Veenendaal,

verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 15 februari 2006, verzonden 17 februari 2006, waarbij aan ProRail (hierna de vergunninghouder) een kapvergunning is verleend voor het kappen van 29 berken en 3 esdoorns in de groenstrook gelegen aan de Spoorlaan te Veenendaal. Aan de kapvergunning is de verplichting tot herplant in de vorm van een groencompensatie verbonden.

1.2 Het verzoek is op 3 april 2006 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.M. Immens, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.G. van Olderen en

S. Plantinga, werkzaam bij de gemeente Veenendaal. Namens de vergunninghouder zijn ter zitting verschenen E. Talacua, H.E.J. Beune en M.P. Wienbelt.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Ingevolge artikel 4.6.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Veenendaal (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders te vellen of te doen vellen:

a. houtopstand die staat vermeld op de door burgemeester en wethouders vastgestelde inventarisatie "waardevolle bomen";

b. niet op de onder a. bedoelde inventarisatie vermeld staande bomen met een stamomvang van 80 cm of meer op een hoogte van 130 cm;

c. (..).

Ingevolge artikel 4.6.3a, eerste lid, van de APV wordt voor wat betreft de in artikel 4.6.2, eerste lid, onder a, bedoelde categorie houtopstand in beginsel geen kapvergunning verleend, tenzij er sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere bijzondere omstandigheid. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders ingevolge het tweede lid de kapvergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

- natuur- en milieuwaarden;

- landschappelijke waarden;

- cultuur-historische waarden;

- waarden van stads- en dorpsschoon;

- waarden voor recreatie en leefbaarheid.

Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders bij het weigeren of onder voorwaarde verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde betrekken.

Ingevolge het vierde lid betrekken burgemeester en wethouders bij hun beslissing de toepasselijke gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

Op grond van artikel 4.6.4 van de APV kan aan de vergunning een herplantplicht worden verbonden.

2.4 In de vergunningaanvraag van 22 december 2005 heeft de vergunninghouder aangegeven dat in het kader van het project Traject Oost in Veenendaal-centrum een keerspoor wordt gerealiseerd, waarvan de werkzaamheden medio april 2006 van start gaan. De kapvergunning is aangevraagd om de bomen die onderdeel zijn van de laanbeplanting langs de Spoorlaan en die nu direct naast het huidige spoor staan, te kappen om plaats te maken voor het nieuwe spoor.

2.5 Bij de verleende kapvergunning heeft verweerder overwogen dat door bomen te kappen natuurwaarde van de buurt-, wijk- of in het landschap verloren gaat en dat hij, vanwege het belang dat wordt gehecht aan deze natuurwaarde, bij het verlenen van de kapvergunning streeft naar compensatie door de vergunninghouder te verplichten tot herplanting.

2.6 Verzoeker heeft aangevoerd dat door het kappen van de bomen zijn uitzicht zeer nadelig wijzigt. Voorts stelt verzoeker dat verweerder de kapvergunning ten onrechte reeds heeft verleend voordat de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) onherroepelijk is geworden.

2.7 De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 4.6.3a van de APV een eigen toetsingskader kent voor de afweging van de belangen die zich verzetten tegen het verlenen van een kapvergunning enerzijds en de belangen die een kapvergunning vereisen anderzijds. Ter zitting heeft verweerder de belangenafweging die tot het bestreden besluit heeft geleid nader gemotiveerd en desgevraagd bevestigd dat een gebrek in de motivering hersteld wordt bij de beslissing op bezwaar.

2.8 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij de afweging van belangen in het kader van de APV het belang mogen betrekken van de realisatie van het keerspoor dat - als onderdeel van het project Traject Oost - deel uitmaakt van een meer omvangrijk, landelijk project "Randstadspoor". In dat kader is ter zitting toegelicht dat in april 2006 met de werkzaamheden moet worden aangevangen om de keervoorziening voor het einde van 2006 gereed te kunnen hebben.

Gelet op het ontbreken van een koppeling in de APV tussen de kapvergunning en de eventuele bouwvergunning/vrijstelling voor het bouwplan in het kader waarvan de kapvergunning wordt aangevraagd, leidt het feit dat nog geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO is verleend, niet tot het oordeel dat de kapvergunning nog niet kon worden verleend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het niet op voorhand onaannemelijk is dat de beoogde keervoorziening, mede gezien de reeds twee jaar geleden gerealiseerde eerste fase van het Project Traject Oost, zal kunnen worden gerealiseerd

2.9 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op de nadere motivering ter zitting, in redelijkheid het belang van de vergunninghouder bij het kappen van de 29 berken en 3 esdoorns zwaarder laten wegen dan het door verzoeker aangevoerde belang met betrekking tot zijn uitzicht. Daarbij is voorts betrokken dat niet gebleken is dat de bomen een bijzondere waarde vertegenwoordigen, dat de kap wordt gecompenseerd door de opgelegde herplantplicht en dat niet alle bomen aan de Spoorlaan worden gekapt.

De ter zitting geuite - en weliswaar begrijpelijke - grief dat de vergunninghouder in strijd met de APV reeds voor het verstrijken van de bezwaartermijn was aangevangen met de kap, staat los van het onderhavige geschil en zal dan ook niet in het onderhavige oordeel worden betrokken.

2.10 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten zijn derhalve ook geen termen aanwezig.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. M.H.F. van Vugt

Afschrift verzonden op: