Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AW1742

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
13-04-2006
Zaaknummer
211151/KGZA 06/330
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ1393
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Betreft de publicatie van de beslissing in de zaak waarin 107 supporters van Roda JC een stadionverbod hebben gekregen. Dit is de uitwerking van de beslissing die reeds eerder in kop-staart-vorm beschikbaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 211151 / KG ZA 06-330

Vonnis in kort geding van 13 april 2006

in de zaak van

[eisers sub 1 tot en met 7]

procureur mr. E.J.A.A. van Dal,

advocaten mr. H.E.P. van Geelkerken en B.M.A. Jegers te Heerlen,

tegen

de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

procureur: mr. B.F. Keulen,

advocaat mr. H.J.A. Knijff te 's-Gravenhage.

Gedaagde zal hierna de KNVB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van eisers

- de pleitnota van de KNVB.

1.2. Het vonnis is op 13 april 2006 in verkorte vorm uitgesproken. Dit vonnis vormt daarvan een uitwerking.

2. De feiten

2.1. Eisers zijn allen voetbalsupporters van Roda JC.

2.2. Op 22 maart 2006 heeft de wedstrijd om de Gatorade Cup tussen Ajax en Roda JC plaats gevonden in de Amsterdam Arena.

2.3. Eisers hebben, door tussenkomst van het Fanproject Kerkrade 98, in combinatie met een busreis, toegangsbewijzen verkregen voor de onder 2.2 genoemde wedstrijd. Op deze toegangsbewijzen staat vermeld dat de Standaardvoorwaarden van de KNVB van toepassing zijn.

2.4. Vóór aanvang van de onder 2.2 genoemde wedstrijd zijn er schermutselingen ontstaan waarbij onder meer supporters van Roda JC betrokken zijn geweest. 188 Roda JC supporters, onder wie eisers, zijn door de politie aangehouden en bekeurd omdat zij zich op de openbare weg de Arena Boulevard en/of De Loper, derhalve vóór het stadion, schuldig zouden hebben gemaakt aan overtreding van artikel 2.1 van de Algemene Politieverordening (APV) van Amsterdam.

2.5. In artikel 2.1 van de APV van Amsterdam is het volgende bepaald:

“Het is verboden, op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, in groepsverbanden dan wel afzonderlijk anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.”

2.6. De Standaardvoorwaarden van de KNVB, gedeponeerd ter griffie van deze rechtbank onder nummer 181/2002, houden onder meer het volgende in:

“ Artikel 1 Definities

In deze Standaardvoorwaarden wordt verstaan onder:

(…).

b. Publiek: een ieder die in of buiten Nederland een Voetbalwedstrijd bijwoont waaraan

een Club deelneemt dan wel anderszins aanwezig is in of rond het Stadion;

c. Stadion: het Stadion en de bijbehorende gebouwen en terreinen, daaronder begrepen de

toegangen en toegangswegen;

(…).

Artikel 2 Toepassingsgebied

De onderhavige Standaardvoorwaarden zijn verbindend voor het Publiek dat zich voor,

tijdens en/of na een Voetbalwedstrijd dan wel anderszins in een Stadion bevindt.

(…).

Artikel 10 Sanctie

10.1 (…)

10.2 De KNVB is gerechtigd om, (landelijke) Stadionverboden op te leggen aan een

ieder die volgens een melding van een Club of het openbaar ministerie in of buiten

het Stadion in het kader van een Voetbalwedstrijd:

- heeft gehandeld in strijd met deze Standaardvoorwaarden;

- een strafbaar feit heeft begaan;

- zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het

voetbal wordt geschaad,

zulks onverminderd enige plicht tot schadevergoeding op grond van het civiele

recht.

(…).

10.3 Indien de KNVB op grond van artikel 10.2 een stadionverbod heeft opgelegd,

verbeurt betrokkene aan de KNVB een voor onmiddellijke opeising vatbare

geldboete van maximaal EUR 450,- per handeling in strijd met deze

Standaardvoorwaarden, strafbaar feit en/of gedraging waardoor het aanzien en/of het

belang van het voetbal wordt geschaad, zonder dat daartoe enige ingebrekestelling of

rechterlijke tussenkomst noodzakelijk is.

Het boetebedrag zal door de KNVB worden aangewend ter bevordering van de

veiligheid in het betaalde voetbal. Deze geldboete bestaat onverminderd enige plicht

tot schadevergoeding op grond van het civiele recht.

(…).

10.6 De KNVB kan die maatregelen nemen die, naar zijn oordeel, voor de

handhaving van een op grond van artikel 10.2 en 10.4 opgelegd stadionverbod

noodzakelijk zijn.

(…).”

2.7. De beleidsregels - Overige Strafbare feiten (actueel) Aanwijzing bestrijding van voetbalvandalisme en – geweld van het College van Procureurs-generaal aan de Hoofden van de parketten van 13 augustus 2003 houden onder meer het volgende in:

“ (…).

Pre-opsporing

1, Beleidsuitgangspunten

(…).

2. Civielrechtelijke uitsluiting door de KNVB

(…).

2.2. Wie verstrekt, in welke gevallen en op welke wijze

De voetbalofficier van justitie beslist of al dan niet informatie aan de KNVB wordt

verstrekt. Uitgangspunt is dat het OM informatie verstrekt in geval sprake is van

? voetbalvandalisme.

(…).

2.5. Aan wie wordt verstrekt?

De voetbalofficier van justitie verstrekt de strafrechtelijke informatie middels het Voetbal

Volg Systeem (VVS) aan de afdeling Juridische Zaken van de KNVB.

2.6. Doelomschrijving

Het doel van het door het OM verstrekken van strafrechtelijke informatie aan de KNVB is

om deze organisatie in staat te stellen de personen, op wie de informatie betrekking heeft

gedurende een bepaalde periode van het bezoek aan stadions uit te sluiten, overeenkomstig

het gestelde in art. 10.2 van de ter griffie van de arrondissementsrechtbank te Utrecht door

de KNVB gedeponeerde standaardvoorwaarden (nr. 181/2002), respectievelijk de na

deponering van nieuwe standaardvoorwaarden daarmee overeenkomende bepaling.

(…).

2.8. Civielrechtelijke uitsluiting en/of geldboete

Indien de standaardvoorwaarden van de KNVB van toepassing zijn, sluit de KNVB in

beginsel iedere persoon, omtrent wie de voetbalofficier van justitie strafrechtelijke

informatie heeft verstrekt, van het bezoek aan voetbalstadions uit. De KNVB heeft hierin

een eigen verantwoordelijkheid en toetst iedere melding zelfstandig aan die

standaardvoorwaarden. De KNVB kan daarnaast ook een civiele geldboete opleggen.

Een uitsluiting kan voor alle voetbalterreinen in Nederland gelden. Alleen op grond van

zwaarwegende redenen kan de KNVB besluiten niet uit te sluiten. (…). De door de KNVB

toe te passen maatregel van civielrechtelijke uitsluiting geldt voor een periode van

minimaal 3 maanden tot maximaal 48 maanden, afhankelijk van de ernst van het door een

first-offender gepleegde feit. (…).

Indien de verdachte wordt vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, dan wel de

voetbalofficier van justitie alsnog besluit tot een technisch sepot, dan vernietigt de KNVB

de verstrekte gegevens en trekt het deurwaardersexploit, waarbij betrokkene werd

aangezegd gedurende een bepaalde periode van het bezoek aan voetbalstadions te zijn

uitgesloten, onmiddellijk in. Intrekking van de uitsluiting is niet aan de orde indien

de KNVB beschikt over niet door het OM verkregen informatie, die de uitsluiting

zelfstandig kan dragen.

(…).”

2.8. Op 28 en 29 maart 2006 heeft de KNVB een groot aantal stadionverboden voor de duur van 9 maanden, te weten van 1 april 2006 tot 1 januari 2007, aan een aantal supporters van Roda JC, onder wie eisers, doen uitreiken. Primair heeft de KNVB deze maatregel doen stoelen op de artikelen 10.2, 10.3 en 10.6 van de Standaardvoorwaarden, en subsidiair op de door de gezamenlijke betaaldvoetbalorganisaties aan de KNVB verstrekte volmachten om aan een ieder, die zich volgens een betaaldvoetbalorganisatie, dan wel het openbaar ministerie schuldig heeft gemaakt aan voetbalgerelateerd wangedrag, de toegang tot hun stadions te ontzeggen.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

de KNVB, op verbeurte van een dwangsom,

1. de uitvoering van de stadionverboden te ontzeggen,

2. dan wel de KNVB te verbieden om de stadionverboden uit te voeren dan wel door derden zoals de BVO’s te laten uitvoeren,

3. dan wel de werking van de stadionverboden op te heffen

zulks per datum kort geding vonnis;

Subsidiair

aan de KNVB, op verbeurte van een dwangsom, het primair gevorderde op te leggen, zulks per datum kort geding vonnis tot dat er door de strafrechter en de civiele bodemrechter is geoordeeld over het feit of eisers artikel 2.1 van de APV van Amsterdam hebben overtreden, dan wel door de civiele bodemrechter is geoordeeld dat eisers zich zodanig hebben gedragen dat zij het belang en/of het aanzien van het voetbal hebben geschaad;

een en ander met veroordeling van de KNVB in de proceskosten.

3.2. Eisers hebben in de eerste plaats aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de KNVB toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst die tussen partijen tot stand is gekomen door de aankoop door ieder van eisers van een toegangsbewijs voor de onder 2.2 genoemde wedstrijd. Eisers beroepen zich onder meer op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW. Zij zijn van mening dat de door de KNVB aan ieder van hen opgelegde maatregel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Subsidiair stellen eisers dat de KNVB onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Zij voeren daartoe aan dat het juridisch kader, waarbinnen de stadionverboden door de KNVB aan hen zijn opgelegd, geen voldoende juridische grondslag vormt om de stadionverboden te kunnen dragen en te rechtvaardigen. Eisers stellen dat zij niet vermogen in te zien wat zij hebben misdaan en waarom de KNVB aan hen een stadionverbod heeft opgelegd.

3.3. De KNVB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Door eisers is niet bestreden dat, door de aankoop door ieder van hen van een toegangsbewijs voor de onder 2.2 genoemde wedstrijd, tussen hen en de KNVB een contractuele relatie is komen te bestaan. Voorts hebben zij niet betwist dat op de toegangsbewijzen staat vermeld dat de Standaardvoorwaarden van de KNVB van toepassing zijn en dat de KNVB aan deze voorwaarden het recht ontleent sancties, waaronder stadionverboden, op te leggen.

4.2. De stelling van eisers omtrent het opleggen van een stadionverbod op grond van volmacht kan in deze procedure onbesproken blijven, omdat de Standaardvoorwaarden van de KNVB in het onderhavige geval reeds voldoende grondslag bieden voor het opleggen van een dergelijke maatregel.

4.3. Eisers hebben voorts gesteld dat de KNVB zonder enige rechtsgeldige bevoegdheid handelt, wanneer zij sancties oplegt voor (vermeende) gedragingen die plaatsvonden buiten de Amsterdam Arena. Vast staat dat de Arena Boulevard een openbare weg is en een toegangsweg tot het stadion. De Arena Boulevard valt, gelet op het bepaalde in artikel 1 in samenhang met artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden, binnen de bevoegdheid van de KNVB tot het opleggen van sancties op grond van misdragingen buiten het stadion. Hoewel artikel 2 van de Standaardvoorwaarden van de KNVB hiermee tegenstrijdig lijkt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de KNVB gegeven uitleg - dat zij gerechtigd is ook voor vermeende gedragingen die plaats vonden buiten het stadion sancties op te leggen - in voldoende mate tot uitdrukking is gebracht. Een beroep van eisers op het bepaalde in artikel 6:238 lid 2 BW dat de bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding de gunstigste uitleg voor de wederpartij prevaleert kan voorshands niet tot een ander oordeel leiden.

4.4. Voorts staat vast dat de KNVB contractueel gerechtigd is een stadionverbod op te leggen op grond van de enkele melding van het Openbaar Ministerie. De stelling van de KNVB dat zij niet alleen gerechtigd is, maar ook verplicht is tot het opleggen van een stadionverbod is (daargelaten of de stelling juist is) niet relevant, aangezien eisers een dergelijke afspraak met het Openbaar Ministerie niet regardeert.

4.5. Volgens eisers stelt artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden als eis dat het – voor zover hier van belang – moet gaan om een strafbaar feit dat de betrokkene heeft gepleegd. Dit betekent volgens eisers dat er een (onherroepelijke) strafrechtelijke veroordeling moet zijn, omdat anders niet is voldaan aan het fundamentele rechtsbeginsel van de onschuldpresumptie, aldus eisers.

4.6. Deze uitleg van eisers kan niet worden aanvaard. Allereerst geldt dat de Standaardvoorwaarden en daarmee dus ook artikel 10.2 onderdeel vormen van een overeenkomst naar burgerlijk recht. Het beginsel van de onschuldpresumptie is daarop niet zonder meer van toepassing, nu dit een beginsel is van het strafrecht. Anders dan eisers stellen heeft de vermelding van (het begaan van) een strafbaar feit niet de bedoeling enige bepaling uit het strafrecht in de overeenkomst op te nemen, doch die vermelding vervult enkel een functie in de opsomming van de gevallen waarin de KNVB de maatregel in kwestie mag opleggen. Voorts kan ook anderszins de formulering “die een strafbaar feit heeft begaan” niet beperkt worden begrepen in de zin dat de verdenking aan een strafbaar feit is begaan, onvoldoende zou zijn om tot het opleggen van een maatregel over te gaan. Daarvoor is van belang dat de Standaardvoorwaarden – zoals de KNVB stelt en zoals ook in de “Inleiding” van de Standaardvoorwaarden staat vermeld – bedoeld zijn om het voetbalvandalisme en het voetbalgeweld tegen te gaan. De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het aan ieder van eisers opgelegde stadionverbod een civiele sanctie is, waarvoor het strafrechtelijke onschuldbeginsel niet geldt. Het opleggen van een stadionverbod als civiele sanctie wordt, hoewel eisers een andere mening zijn toegedaan, ook niet onredelijk bezwarend geacht.

4.7. Wel heeft te gelden dat het opleggen van een sanctie op de enkele melding van het Openbaar Ministerie, waarvan nadien (al dan niet door de strafrechter of de civiele rechter) blijkt dat deze melding (naar achteraf blijkt) ten onrechte is gedaan, in strijd komt met artikel 6:248 lid 2 Boek 2 BW, aangezien zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een opgelegde sanctie dient alsdan onverwijld te worden opgeheven. Dit wordt, gelet op hetgeen in de beleidsregels - Overige Strafbare feiten (actueel) Aanwijzing bestrijding van voetbalvandalisme en – geweld van het College van Procureurs-generaal aan de Hoofden van de parketten van 13 augustus 2003 onder 2.8 met betrekking tot civielrechtelijke uitsluiting en/of geldboete, staat omschreven en waarvan de inhoud in onderdeel 2.7 van dit vonnis staat weergegeven, ook door de KNVB onderschreven en de KNVB hanteert dit ook als haar beleid indien het OM afziet van vervolging en tot sepot overgaat.

4.8. Gelet op het vorenstaande uitgangspunt is in dit kort geding de vraag aan de orde of ten aanzien van eisers gerede twijfel bestaat of de strafrechter of de civiele bodemrechter zal oordelen dat zij zich misdragen hebben en de stadionverboden terecht zijn opgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan in casu sprake.

4.9. Uit de door de KNVB overgelegde verklaringen van de heer [-], algemeen commandant van de regiopolitie Amsterdam Amstelland van 10 april 2006 en de heer [-], coördinator veiligheidszaken KNVB eveneens van 10 april 2006, kan worden opgemaakt dat er tijdens het lopen door ca 200 Roda-supporters van de Fanprojectbussen naar het stadion (een afstand van ongeveer 800 meter) een ordeverstoring heeft plaats gevonden. De verklaring van de heer [naam betrokkene] houdt in dat veel van deze supporters in beschonken toestand verkeerden, dat er vanuit deze groep beledigende teksten werden gescandeerd, dat er tweemaal door een deel van de supporters een stuk werd gerend, de eerste keer door 10 tot 20 supporters en de tweede keer door 100 tot 150 supporters en dat er vanuit deze (rennende) groep agressief gedrag is geweest naar de politie en een aantal Ajax-supporters. Ook uit de verklaring van de heer [-] kan het hiervoor vermelde worden opgemaakt. Beide verklaringen geven echter op zichzelf onvoldoende steun voor de stelling dat er sprake is geweest van een massale ordeverstoring waaraan door meer dan 185 supporters is deelgenomen.

4.10. De verklaringen van [namen betrokkenen] berusten niet op eigen waarneming. Verklaringen (op ambtseed opgemaakt) van politiepersoneel, bijvoorbeeld van agenten die de aanhoudingen hebben verricht, die berusten op eigen waarneming, ontbreken. Evenmin blijkt dat de aanhoudingen en de bekeuringen op grond van artikel 2 APV mede zijn gebaseerd op het gebruik van camerabeelden. De uitgereikte bekeuringen geven ten aanzien van alle eisers slechts aan: openbare ordeverstoring en bevatten geen weergave van een specifieke gedraging.

4.11. De door [namen betrokkenen] geschetste gang van zaken wordt met klem betwist door alle stewards van Roda JC, die ten aanzien van deze supporters een toezichthoudende taak uitoefenden. Zij ontkennen ten stelligste het overmatig alcoholgebruik en dat de “groep” zich massaal agressief zou hebben gedragen. Voorts spreekt uit de door eisers zelf opgestelde verklaringen (die overigens met de nodige terughoudendheid worden beoordeeld) een algehele verontwaardiging over het feit dat op grond van de misdragingen van enkele supporters, ook zij – hoewel onschuldig - daarvoor zijn aangehouden. Ook uit de verklaring van de heer [-], manager algemene veiligheid van Ajax, gericht aan de heer [-] van 27 maart 2006 (productie 6 van eisers) valt de door de KNVB geschetste gang van zaken niet af te leiden. De heer [-] verklaart immers onder meer het volgende: “ De groep waar uw zoon in liep is niet aangevallen door anderen maar een kleine groep raddraaiers zochten de confrontatie met de politie en andere personen die de wedstrijd wilden bezoeken.”

4.12. Tenslotte is van belang dat niet alle Roda-supporters van de Fanprojectbussen zijn aangehouden en bekeurd. Er moet derhalve enige vorm van selectie hebben plaats gevonden. Aan de hand waarvan deze selectie is gemaakt is niet duidelijk. Ten aanzien van geen enkele eiser blijkt voorshands op grond van welke specifieke gedraging er sprake is van verwijtbaar gedrag. Er bestaat dan ook een gerede kans dat eisers niet allen een verwijt treft aan de ordeverstoring. Weliswaar stelt artikel 2.1 APV strafbaar het in groepsverband deelnemen aan een ordeverstoring, doch betwijfeld wordt of het enkele feit dat men onderdeel vormt van een groep busreizigers die lopend zich op weg begeeft naar een stadion en waarvan enkelen zich misdragen, ook de andere busreizigers strafbaar maakt. Evenzo wordt betwijfeld of zulks meebrengt dat eisers daardoor het aanzien van het voetbal hebben geschaad. Voorshands is niet aannemelijk geworden dat het misdragen van sommigen voorzienbaar was en dat het enkele meereizen met de bus en groepsgewijs lopen naar het stadion als zodanig kan worden aangemerkt. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat goedwillende supporters zich aan een en ander hebben kunnen onttrekken. De omstandigheid dat er Roda-supporters zijn geweest die zich bij eerdere wedstrijden hebben misdragen en stadionverboden hebben gekregen, is van onvoldoende betekenis om daarover voorshands anders te oordelen.

4.13. Al het vorenstaande betekent dat er gerede twijfel bestaat of ten aanzien van (een deel van) eisers het stadionverbod bij toetsing door de strafrechter of de civiele bodemrechter in stand zal worden gelaten. Nu voorts in dit kort geding ten aanzien van geen enkele eiser afzonderlijk kan worden vastgesteld dat deze zich heeft misdragen, zal ten aanzien van alle eisers het verbod worden geschorst teneinde nader onderzoek naar ieders aandeel in de ordeverstoring te doen verrichten respectievelijk nader bewijs bij te brengen. Gelet daarop zal het de KNVB worden verboden de stadionverboden ten uitvoer te leggen totdat de strafrechter of de civiele bodemrechter zich over de aan eisers verweten misdragingen zal hebben uitgesproken. Daarbij geldt dat ook de civiele bodemrechter kan oordelen of eisers een strafbaar feit hebben begaan.

4.14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de primaire vordering van eisers niet voor toewijzing vatbaar is. De subsidiaire vordering van eisers is wel voor toewijzing vatbaar en wel op de hierna in het dictum te vermelden wijze.

4.15. De KNVB zal, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:

- dagvaarding EUR 92,37

- vast recht 248,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.156,37

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

Verbiedt met onmiddellijke ingang de KNVB om uitvoering te geven aan de opgelegde stadionverboden ten aanzien van ieder van de in de dagvaarding genoemde eisers.

Dit verbod geldt ten aanzien van iedere vorenbedoelde eiser(es) afzonderlijk tot dat door de strafrechter ten aanzien van de desbetreffende eiser(es) is geoordeeld dat deze artikel 2.1 van de APV van Amsterdam heeft overtreden, dan wel dat de civiele bodemrechter heeft geoordeeld dat de desbetreffende eiser(es) zich zodanig heeft gedragen dat hij/zij het belang van het voetbal heeft geschaad.

Veroordeelt de KNVB in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op EUR 1.156,37,

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2006.

?