Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AV8707

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-03-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
SBR 06-770
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo: Voor zover met verzoekers aanvraag beoogd is uitsluitend de brug over de Waal bij Zaltbommel te verheffen als beschermd monument was verweerder bevoegd met toepassing van artikel 4:6 Awb het verzoek af te wijzen. Dit is anders voor de aanvraag die ertoe strekt de twaalf bruggen gebouwd in het kader van het Rijkswegenplan 1927 als zijnde een onlosmakelijke groep aan te merken als rijksmonument. Dit is een op zichzelf staande aanvraag. Verweerder dient op de aanvraag, voor zover die ertoe strekt de twaalf bruggen als onlosmakelijk geheel aan te merken als beschermd monument, alsnog een primair besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/770

uitspraak van de voorzieningenrechter d.d. 28 maart 2006

inzake

de Stichting Boogbrug Vianen,

gevestigd te IJsselstein,

verzoekster,

tegen

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 13 oktober 2005, waarbij verweerder op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de brug over de Waal bij Zaltbommel niet als beschermd rijksmonument heeft aangewezen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit van 13 mei 2004. Daarbij heeft verweerder het verzoek om de 12 bruggen van het Rijkswegenplan 1927 als groep aan te wijzen niet als een zodanig nieuw feit aangemerkt dat het verzoek tot aanwijzing van de brug over de Waal als onderdeel van deze groep in behandeling moet worden genomen, omdat dat aspect in de afweging voorafgaande aan zijn besluit van 13 mei 2004 is meegenomen.

1.2 Het verzoek is op 15 maart 2006 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen [bestuurslid], bijgestaan door mr. E.D.M. Verboom, advocaat te Eindhoven. Namens verweerder is verschenen mr. B.M. Kocken, werkzaam bij verweerders ministerie.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Verzoekster heeft op 21 oktober 2002 een aanvraag ingediend om de stalen verkeersbrug over de Waal bij Zaltbommel aan te wijzen als beschermd monument. Bij besluit van 13 mei 2004 heeft verweerder geweigerd de betreffende verkeersbrug aan te wijzen als beschermd monument. Het daartegen ingediende bezwaar heeft verweerder bij besluit van 20 september 2004 niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden aangemerkt. Bij uitspraak van 23 maart 2005 heeft deze rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op

28 september 2005 bevestigd. Op 29 september 2005 heeft verzoekster verweerder verzocht het topmonument "de 12 bruggen over de grote rivieren gebouwd in het kader van het Rijkswegenplan 1927" aan te wijzen als beschermd Rijksmonument. Verweerder heeft daarop het in 1.1 genoemde besluit genomen.

2.4 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 (in welke bepaling is geregeld op welke wijze een aanvraag vereenvoudigd wordt afgedaan) de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.5 Verzoekster heeft verzocht het bestreden besluit van 13 oktober 2005 te schorsen totdat op verzoeksters aanvraag van 29 september 2005 onherroepelijk is beslist. Voorts omvat het verzoek verweerder op te dragen ervoor zorg te dragen dat de sloop van de brug over de Waal wordt aangehouden totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist.

2.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster in haar verzoekschrift betoogt dat haar aanvraag van 29 september 2005 geen herhaalde aanvraag is in de zin van artikel 4:6 van de Awb, maar een op zichzelf staande aanvraag die ertoe strekt om het complex bestaande uit de 12 bruggen over de grote rivieren gebouwd in het kader van het Rijkswegenplan 1927, waaronder de verkeersbrug over de Waal bij Zaltbommel, als beschermd rijksmonument aan te wijzen.

2.7 De voorzieningenrechter is van oordeel dat voorzover met de aanvraag van 29 september 2005 beoogd is uitsluitend de brug over de Waal bij Zaltbommel - in het verzoekschrift aangehaald als het object van deze procedure -, te verheffen als beschermd monument, verweerder bevoegd was met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en te volstaan met verwijzing naar het eerdere rechtens onaantastbare besluit van

13 mei 2004. Dit is anders voor de aanvraag die ertoe strekt de 12 bruggen als zijnde een onlosmakelijke groep aan te merken als rijksmonument. Met verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze aanvraag geen nieuwe aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, maar een op zichzelf staande aanvraag. Weliswaar blijkt uit de aanvraag van 21 oktober 2002 dat verzoekster daarbij heeft aangegeven zich in te willen zetten om alle 12 bruggen die gebouwd zijn in het kader van het Rijkswegenplan 1927 als een samenhangend complex te beschermen, maar zij heeft daartoe geen expliciete aanvraag ingediend en uit geen van de stukken is gebleken dat verweerder daarop is ingegaan.

Daar komt nog bij dat ook uit het kort voor de zitting overgelegde ambtsbericht van 27 februari 2006 blijkt dat verweerder ten aanzien van de aanvraag om de 12 bruggen als groep als beschermd monument aan te wijzen, is overgegaan tot een inhoudelijke toetsing.

Gelet op al het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op de aanvraag, voorzover die ertoe strekt de 12 bruggen als onlosmakelijk geheel aan te merken als beschermd monument, alsnog een primair besluit dient te nemen.

2.8 De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit als zodanig naar het zich thans laat aanzien naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar niet in stand kan blijven. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het besluit van verweerder van 13 oktober 2005 te schorsen tot zes weken nadat verweerder een primaire beslissing heeft genomen ten aanzien van de aanvraag van 29 september 2005 voor zover die ertoe strekt de 12 bruggen van het Rijkswegenplan 1927 als groep aan te wijzen als beschermd monument.

2.9 Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, ziet de voorzieningenrechter tevens aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek toe, in die zin dat het besluit van verweerder van 13 oktober 2005 wordt geschorst tot zes weken nadat verweerder een primaire beslissing heeft genomen ten aanzien van de aanvraag van 29 september 2005 voorzover die ertoe strekt de 12 bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument;

3.2 bepaalt dat het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage € 276,- aan haar wordt vergoed;

3.3 veroordeel verweerder in de proceskosten van verzoekster in dit geding ten bedrage van € 644,-;

3.4 wijs de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die de onder 3.2 en 3.3 genoemde bedragen dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen

Afschrift verzonden op: