Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AV7611

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-03-2006
Datum publicatie
30-03-2006
Zaaknummer
2
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ter zake van oplichting nu niet is gebleken dat verdachte zich in strijd met de waarheid voordeed als een bonafide rijschoolhouder. Het feit dat hij in gebreke is gebleven de overeengekomen diensten te leveren, levert onder die omstandigheden niet op dat hij een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht heeft aangenomen.

Wel veroordeling ter zake van oging tot opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is. Ook de verduistering van een huurauto is bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer:

Datum uitspraak: 30 maart 2006

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

Raadsvrouwe: mr. M. Veldman.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

16 maart 2006.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken, met name het oogmerk op het tenlastegelegde acht de rechtbank niet bewezen. Uit het proces-verbaal en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte zich in strijd met de waarheid voordeed als een bonafide rijschoolhouder. Het feit dat hij in gebreke is gebleven de overeengekomen diensten te leveren, levert onder die omstandigheden niet op dat hij een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht heeft aangenomen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet

hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Poging tot opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

en

Poging tot opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

Verduistering.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gepoogd zijn woning tot ontploffing te brengen door in deze woning een groot aantal gaskranen open te draaien en de woning voor de bedoelde ontploffing te prepareren door een groot aantal brandbare stoffen zoals spiritus en vuurwerk door de woning te verspreiden. Hierdoor is groot gevaar voor goederen en met name levensgevaar voor de bewoners van de belendende percelen ontstaan. De rechtsorde is door dit feit geschokt en er zijn ernstige gevoelens van onrust en van onveiligheid met name bij de omwonenden teweeggebracht.

Voorts heeft verdachte een huurauto niet tijdig bij de verhuurder geretourneerd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

5 december 2005, waaruit blijkt dat de verdachte in dit register onbekend is;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van het Leger des Heils te Utrecht,

d.d. 13 maart 2006, opgemaakt door C.J. Rijkaard, reclasseringswerker;

- een brief d.d. 30 december 2005 van Drs. H.A. Gerritsen, psychiater, betreffende de weigering van verdachte een psychiatrisch onderzoek door deze deskundige te ondergaan.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met bijzondere voorwaarde als na te melden passend en geboden.

In deze strafzaak heeft een groot aantal personen zich als benadeelde partij gesteld en bij deze rechtbank een vordering ingediend.

De rechtbank zal deze benadeelde partijen, met name genoemd in het dictum van dit vonnis, in hun vordering niet-ontvankelijk verklaren, nu verdachte van het hem onder 2. tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Bij dit vonnis is als bijlage III een foto-copie gevoegd van de in deze strafzaak inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen.

Met betrekking tot de onder nummers 3, 4, 5, 6 en 7 op deze lijst vermelde goederen zal de rechtbank bepalen dat deze aan verdachte zullen worden teruggegeven.

Met betrekking tot de onder nummer 8 op deze lijst vermelde goederen zal de rechtbank bepalen dat zij zullen worden onttrokken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd is met het algemeen belang.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 157 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van

ÉÉN EN TWINTIG MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ZEVEN MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van TWEE jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft, te weten dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens het Leger des Heils te Utrecht te geven aanwijzingen, ook als zulks inhoudt dat veroordeelde een behandeling bij de Waag te Utrecht zal ondergaan, van welke behandeling de duur die van de proeftijd niet mag overtreffen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde reclasseringsinstelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen, onder de nummers 3, 4, 5, 6 en 7 vermeld op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, bijlage III.

Gelast de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen, onder het nummer 8 vermeld op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, bijlage III.

Verklaart de na te noemen benadeelde partijen:

(…) niet-ontvankelijk in hun vordering.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Ch. Van Linschoten, A. Muller en A.J.P. Schotman, bijgestaan door F.P.L. van der Lee, als griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2006.

Mr. Muller voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen