Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AV6386

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
SBR 06-786
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstellingverlening voor kantoorpand in de nieuwbouwwijk van de kern Achterberg. Geen onevenredige aantasting van leef- en woongenot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

Reg. nr.: SBR 06/786

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te Achterberg,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen,

verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 4 januari 2006, waarbij aan [belanghebbende] vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een kantoorgebo[adres]res] te Rhenen.

1.2 Het verzoek is op 8 maart 2006 ter zitting behandeld, waar verzoekers in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Schoneveld en B.A.T. Uffing, beiden werkzaam bij de gemeente Rhenen. Namens de vergunninghouder zijn A. Menhart en [belanghebbende] ter zitting verschenen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Het bouwplan behelst de bouw van een kantoorpand met twee bouwlagen en een afgetopt schilddak aan de rand van de toekomstige nieuwbouwwijk Achterberg-West. Deze nieuwbouwwijk, nabij de bestaande kern van het dorp Achterberg, is momenteel in aanbouw en zal bestaan uit 115 woningen. De dichtheid van de nieuwe bebouwing varieert naar de mate waarin het aansluit op de kern zelf. Het kantoorpand is gesitueerd aan de [adres]. De bestaande architectonische bebouwing aan die voor de kern Achterberg belangrijkste ontsluitingsweg is divers. Er bevinden zich zowel panden met de uitstraling van een boerderij als meer eigentijdse woningen met gedraaide, asymmetrische kappen. Verzoekers bewonen een boerderij die zich schuin tegenover de geplande locatie voor het kantoorpand bevindt.

2.4 Vaststaat dat het bouwplan strijdig is met de ingevolge het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” op het perceel rustende bestemming “Agrarisch gebied A”, met de nadere aanduiding “kernrandzone”. Van dit bouwverbod heeft verweerder vrijstelling verleend. Voor de daarbij wettelijk vereiste ruimtelijke onderbouwing van het te realiseren project heeft verweerder aansluiting gezocht bij de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Niet in geschil is dat het bouwplan past in het op 15 maart 2005 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan “Achterberg West”, zodat aan de formele voorwaarden voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO is voldaan.

2.5 Ook de voorzieningenrechter acht aannemelijk dat het bouwplan zal leiden tot een zekere aantasting van het leef- en woongenot van verzoekers, onder andere door het gewijzigde uitzicht en door de te verwachten toename van het aantal verkeersbewegingen. Het effect daarvan is naar voorlopig oordeel echter niet zodanig dat aan het leef- en woongenot onevenredige afbreuk wordt gedaan. Niet alleen is in het bouwplan voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein, ook is voldoende aannemelijk geworden dat de bedrijvigheid zelf, te weten een accountantskantoor, geen substantiële toename van verkeer genereert. Het weggenomen uitzicht op de landelijke omgeving kan slechts voor een beperkt deel worden toegeschreven aan dit bouwplan. De voorzieningenrechter acht daarbij overigens van belang dat er geen recht bestaat op vrij uitzicht. Daarnaast kan voor de compensatie van een eventuele waardevermindering van de woning door verzoekers worden verzocht om een vergoeding van schade op grond van artikel 49 van de WRO. De voorzieningenrechter ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ten behoeve van het bouwplan de benodigde vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

2.6 De door verzoekers in verband met de kantoorhuisvesting aan de orde gestelde vermindering van de luchtkwaliteit ter plaatse behoefde naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aanleiding te geven tot het weigeren van de vrijstelling. Uit de in opdracht van verweerder uitgevoerde en onweersproken berekeningen naar de effecten voor de luchtkwaliteit is immers naar voren gekomen dat de betreffende grenswaarden niet zullen worden overschreden.

2.7 Verzoekers hebben ten slotte gesteld dat de welstandscommissie het bouwplan ten onrechte niet heeft beoordeeld in relatie met de omgeving. Verzoekers stellen dat het ontwerp van het kantoorpand geen enkele relatie heeft met de bestaande omgeving en juist ernstig afbreuk doet aan de karakteristieke uitstraling van de nabij gelegen woonboerderijen. De voorzieningenrechter merkt op dat uit de adviezen van 14 januari 2005 en 20 mei 2005 blijkt dat het bouwplan wel in relatie met het bebouwingslint is bezien. Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan, hoewel het niet is gebonden aan het welstandsadvies en de verantwoordelijkheid voor de welstandtoetsing bij hem berust, aan dit advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. De niet met een tegenadvies onderbouwde eigen mening van verzoekers over deze inpassing in de voormalige lintbebouwing tast dit advies dan ook niet aan. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet heeft kunnen baseren op het advies van de welstandscommissie. De welstandcommissie heeft het bouwplan aan een individuele beoordeling onderworpen en, na aanpassing van dat plan aan de door die commissie gegeven aanwijzingen met betrekking tot de gekozen stijl, het bouwplan in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand geacht.

2.8 De voorzieningenrechter is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure naar verwachting in stand zal blijven, De voorzieningenrechter ziet, gelet op de betrokken belangen, dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

J.D. Koteris mr. R.P. den Otter

Afschrift verzonden aan partijen op: