Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AV1155

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-01-2006
Datum publicatie
07-02-2006
Zaaknummer
SBR 06-101 en 06-77
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit van verweerder van 6 juli 2005 geschorst. Bij dat besluit van 6 juli 2005 had verweerder aan vergunninghouder met toepassing van artikel 19, derde lid van de WRO vrijstelling verleend en een bouwvergunning verleend voor het vergroten van zijn woning. De voorzieningenrechter heeft tevens uitspraak gedaan in de hoofdzaak en het beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zijn beslissing op bezwaar voor wat betreft de belangenafweging niet deugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

Reg. nr.: SBR 06/101 en 06/77

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geding tussen:

[eiser], wonende te Doorn,

e i s e r s,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 14 december 2005 waarbij eisers bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2005 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is aan [belanghebbende] (vergunninghouder) met toepassing van artikel 19, derde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling is verleend en een bouwvergunning is verleend ter vergroting van de woning aan de [adres] te Doorn (hierna: de woning).

1.2 Het verzoek is op 19 januari 2006 ter zitting behandeld, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door R. Schram. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Wal en B.J. Terhorst, werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Tevens is [belanghebbende] ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Esmeijer, advocaat te Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

2.3 Bij wet van 15 september 2005 tot gemeentelijke herindeling van een deel van de Utrechtse Heuvelrug (Stb. 2005, 458) zijn de gemeenten Amerongen, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Leersum en Maarn per 1 januari 2006 opgeheven en is per diezelfde datum de gemeente Utrechtse Heuvelrug ingesteld. De gemeente Utrechtse Heuvelrug bestaat uit het grondgebied van genoemde opgeheven gemeenten. Op grond van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling zijn alle rechten en verplichtingen van de voormelde opgeheven gemeenten per 1 januari 2006 overgegaan op de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Gelet hierop is thans het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug verweerder in het geschil ten aanzien van het bestreden besluit.

Ten aanzien van het beroep (06/77):

2.4 Het bouwplan betreft een uitbouw aan de achter- en zijgevel van de woning. Het geschil heeft betrekking op de uitbouw voor zover deze is gelegen aan de achtergevel van de woning. De uitbouw aan de achterzijde van de woning heeft een goothoogte van 6.90 meter langs de erfafscheiding van het perceel van eisers en overschrijdt het op basis van het thans geldende bestemmingsplan bestaande bouwvlak met drie meter.

Op het in geding zijnde perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “2e en 4e herziening in onderdelen” de bestemming “achtererf en waterwingebied”. Ingevolge deze bestemming is geen bebouwing buiten het bouwvlak toegestaan.

2.5 In zijn uitspraak van 19 augustus 2005 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het primaire besluit van verweerder van 6 juli 2005 geschorst. Daartoe heeft hij overwogen dat verweerder alle bij het bestreden besluit betrokken belangen dient af te wegen en dat, nu daarvan niet is gebleken, verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten met toepassing van artikel 19, derde lid van de WRO vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan.

2.6 In haar advies van 24 november 2005 heeft de bezwaarcommissie de bezwaren van verzoeker gegrond geacht en daartoe overwogen dat verweerder in zijn primaire besluit de belangen van eisers niet heeft meegewogen en evenmin heeft aangegeven waarom de vrijstelling in overeenstemming is met het beleid.

2.7 Op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Deze uitvoeringsregeling is gegeven in artikel 20 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (BRO 1985).

Artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) bepaalt dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking komt: een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.8 Tussen partijen is niet in geschil dat het onderhavige bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Voorts is niet in geschil dat het bouwplan voldoet aan artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het BRO 1985. Evenmin is in geschil dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het voorontwerp bestemmingsplan “Doorn Noord”. In geschil is of verweerder de belangen van verzoekers heeft meegewogen bij zijn besluit om aan vergunninghouder vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

2.9 In zijn besluit op bezwaar heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en geoordeeld dat het bouwplan past binnen het afwegingskader, bestaande uit de “notitie ten behoeve van de implementatie van de nieuwe WRO”, het voorontwerp bestemmingsplan “Doorn Noord”, het reeds geldende bestemmingsplan “Centrum, woongebieden en Recreatieterrein” en de voorschriften van stedenbouwkundige aard uit de gemeentelijke bouwverordening.

Uit de gedingstukken blijkt dat met genoemde notitie door verweerder wordt bedoeld de “2e wijziging nota flexibiliteitsbepalingen WRO” op 27 mei 1997 vastgesteld door de raad van de gemeente Doorn (hierna: de Nota).

Uit de Nota, waarin verweerders algemene beleid met betrekking tot de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO is vastgelegd, volgt dat indien een bouwwerk voldoet aan een voorontwerp bestemmingsplan vrijstelling van het geldende bestemmingsplan verleend kan worden.

2.10 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan - anders dan verweerder lijkt te betogen - niet gezegd worden dat het vrijstellingsbesluit met de enkele constatering dat het bouwplan aan het voorontwerp bestemmingsplan voldoet en binnen het, in dit geval in de Nota vastgelegde, geldende beleid ten aanzien van de verlening van vrijstellingen past berust op de door artikel 7:12 van het Awb vereiste het deugdelijke motivering. Zoals de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 19 augustus 2005 heeft overwogen dienen bij de totstandkoming van het besluit om vergunninghouder vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen tevens de belangen van eisers te worden meegewogen. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.11 Naar aanleiding van het bezwaar van eisers dat het bouwplan een sterke vermindering van lichtinval in hun woning tot gevolg heeft, heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat ingevolge de artikel 3.133 juncto 3.134 van het Bouwbesluit voldoende daglichttoetreding is in de verblijfsruimten van de woning van eisers, zodat - naar de rechtbank begrijpt - het belang van eisers bij onverminderde daglichttoetreding dient te wijken voor het belang van vergunninghouder bij de realisering van het bouwwerk.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbeert, zoals betoogd door eisers, deze belangenafweging een deugdelijk motivering. De voorzieningrechter overweegt in dat verband dat de aan die afweging kennelijk ten grondslag liggende berekening geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit en evenmin - nadat ter zitting bleek dat deze berekening inderdaad is gemaakt - is overgelegd. Bovendien zien genoemde artikelen uit het Bouwbesluit op daglichttoetreding bij nieuw op te richten bouwwerken

Deze artikelen kunnen derhalve niet zonder nadere motivering, welke in het bestreden besluit ontbreekt, dienen ter onderbouwing van verweerders standpunt dat geen sprake is van verminderde lichtinval in de woning van eisers. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven in het kader van de belangenafweging, voor wat betreft het meten van het effect dat het bouwplan zal hebben op de lichtinval in eisers woning, bedoeld is aansluiting te zoeken bij de bepalingen van het Bouwbesluit 2003, doet daar niet aan af. Bovendien is ter zitting gebleken dat in afwijking van de door artikel 3.134, vierde lid van het Bouwbesluit voorgeschreven berekeningssystematiek het bouwplan wel als belemmering in de berekening is meegenomen.

2.12 Ten aanzien van eisers bezwaar met betrekking tot de bezonning van hun terras heeft verweerder in het bestreden besluit geconstateerd dat er sprake zal zijn van schaduwwerking en dat deze schaduwwerking geen reden is om af te zien van het verlenen van de vrijstelling. Verweerder heeft echter niet aangegeven waarom deze schaduwwerking niet dermate ernstig is dat op grond daarvan geen vrijstelling verleend kan worden en daarmee het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Dat verweerder op zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij zijn conclusie heeft gebaseerd op een berekening van de bezonning op eisers terras doet daar niet aan af, nu het bestreden besluit deze berekening of een verwijzing daarnaar niet vermeldt en de berekening evenmin deel uit maakt van de gedingstukken.

2.13 Nu aan het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbreekt is het genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb. Het beroep is mitsdien gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

2.14 De voorzieningenrechter is niet gebleken van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Het door eisers betaalde griffierecht dient door verweerder aan hen te worden vergoed.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (06/101):

2.15 De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om het besluit van verweerder van 6 juli 2005 te schorsen tot zes weken nadat verweerder opnieuw heeft beslist op eisers bezwaar tegen dat besluit.

2.16 De voorzieningenrechter is niet gebleken van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Het door eisers betaalde griffierecht dient door verweerder aan hen te worden vergoed.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit op bezwaar van 14 december 2005;

3.3 draagt verweerder op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen;

3.4 bepaalt dat het door eisers betaalde griffierecht ad €138,- aan hen wordt vergoed;

3.5 wijst de gemeente Utrechtse Heuvelrug aan als rechtspersoon die het onder 3.4 genoemde bedrag dient te vergoeden.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van verweerder van 6 juli 2005 tot zes weken na de bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar;

3.7 bepaalt dat het door eisers betaalde griffierecht ad €138,- aan hen wordt vergoed;

3.8 wijst de gemeente Utrechtse Heuvelrug aan als rechtspersoon die het onder 3.7 genoemde bedrag dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. G. Delissen mr. M.H.F. van Vugt

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak.