Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AV0523

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
SBR 05/3864 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening tegen bouwvergunning voor de bouw van 20 woningen en 12 appartementen op de locatie Piet Mondriaanlaan - Soesterweg te Amersfoort (de blokken C 1.1, 1.2 en 1.3 in 'Amor Forte') afgewezen. De ontsluiting van het bouwplan en de wijze van afvalinzameling vormen geen aanleiding tot schorsing van de bouwvergunning. Het vergunningparkeren, zoals genoemd in het programma van eisen, is geen voorwaarde waaraan op grond van het bestemmingsplan het bouwplan dient te worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector bestuursrecht

Reg.nr.: SBR 05/3864 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen:

de Belangenvereniging Soesterkwartier, gevestigd te Amersfoo[verzoeker] [verzoeker] Amersfoort, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder.

1. INLEIDING

1.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft betrekking op verweerders besluit van 10 november 2005, waarbij verweerder aan Ontwikkelingscombinatie Stationsomgeving Amersfoort C.V., gevestigd te Amersfoort (verder: OCSA), vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15 en 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een reguliere bouwvergunning heeft verleend voor het bouwen van 20 woningen en 12 appartementen op de locatie Piet Mondriaanlaan - Soesterweg te Amersfoort.

1.2 Het verzoek is op 13 januari 2006 ter zitting behandeld, waar verzoekers zijn verschenen bij [gemachtigde] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Grünbauer, werkzaam bij de gemeente Amersfoort. Namens vergunninghoudster is [gemachtigde] projectleider bij OCSA, ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. R.P.M. de Laat, advocaat te Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Ter zake van de ontvankelijkheid van verzoekers overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Blijkens de statuten heeft de Belangenvereniging Soesterkwartier (hierna: de Belangenvereniging) ten doel om de belangen van eigenaars te behartigen voor zover deze in het geding komen als gevolg van de directe en indirecte effecten van de grootschalige bouwactiviteiten aan de rand van het Soesterkwartier. Gelet op deze doelomschrijving en de aard en de locatie van het onderhavige bouwplan wordt geoordeeld dat de Belangenvereniging ontvankelijk is in haar verzoek. Dit geldt eveneens voor [verzoeker], die beide aan de Soesterweg tegenover het bouwplan wonen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het bezwaar voor zover het is ingediend door verzoeker [verzoeker], wonende aan de [adres] 69 te Amersfoort, naar alle waarschijnlijkheid niet-ontvankelijk worden verklaard, gelet op de afstand van de woning van deze verzoeker tot het bouwplan en het gegeven dat vanuit deze woning geen rechtstreeks zicht op het bouwplan is. Bovendien is namens deze verzoeker ter zitting betoogd dat zijn belang met name is gelegen in de door het bouwplan opgeroepen extra verkeersbewegingen en parkeerdruk in de [adres] en de directe omgeving daarvan. Naar het oordeel van de voorzieningrechter onderscheidt deze verzoeker zich met dit belang niet in die mate van een groot aantal andere bewoners van het betreffende gedeelte van Amersfoort dat gezegd kan worden dat deze verzoeker een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening, voor zover dit is ingediend door [verzoeker], wordt derhalve om die reden afgewezen.

2.4 Naar aanleiding van het door verweerder bij brief van 11 januari 2006 ingediende “Luchtkwaliteitsonderzoek CSG-Noordzijde” hebben verzoekers ter zitting aangegeven dat zij hun bezwaar dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden niet langer handhaven. Voorts hebben verzoekers hun bezwaar gericht tegen de hoogte van de tuinmuren van het bouwplan, nadat verweerder en vergunninghoudster die hoogte ter zitting aan de hand van de bouwtekeningen hebben toegelicht, ter zitting ingetrokken.

Aan deze onderdelen van het bezwaar zal de voorzieningenrechter derhalve voorbij gaan.

2.5 Ingevolge artikel 4 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Centraal stadsgebied - Noord’ rust op het onderhavige stuk grond de bestemming “Woongebied”. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat deze gronden zijn bestemd voor (onder meer) wonen in de vorm van geschakelde, aaneengesloten en gestapelde woningen (sub a). Verweerder heeft dienaangaande gesteld dat het bouwplan in strijd is met het gestelde in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, nu bij blok C.1.1 de op de plankaart aangegeven hoogtescheidingslijn - in zeer geringe mate - wordt overschreden. Hiertoe heeft verweerder vrijstelling, als bedoeld in artikel 15 van de WRO verleend.

Verweerder heeft voorts vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend, aangezien blok C.1.3 zal bestaan uit maximaal vier bouwlagen, terwijl het in aanvulling op het bestemmingsplan vastgestelde ‘Coördinatieplan Centraal Stadsgebied Noord Amersfoort’ vijf bouwlagen voorschrijft.

Deze vrijstellingen behoeven, aangezien de bezwaren van verzoekers zich daar niet tegen richten, geen verdere bespreking.

2.6 Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet luidt als volgt:

“De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de crite-ria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provin-ciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.”

2.7 In artikel 3 van de onderhavige planvoorschriften (“Beschrijving in hoofdlijnen”) is onder A, sub 1, het volgende vermeld: “Het gestelde in het Coördinatieplan voor wat betreft de hoogtezonering, de bouwmassa, de functionele opbouw en de hoofdverkeers-structuur is voorwaarde voor de wijze waarop het bestemmingsplan wordt uitgevoerd; hetzelfde geldt voor de door of namens de raad vastgestelde programma’s van eisen en de door de raad - overeenkomstig het gestelde in het Coördinatieplan en de programma’s van eisen - vast te stellen beeldkwaliteitsplannen. De overige aspecten van het Coördinatieplan gelden als uitgangspunt voor het bouwkundig ontwerp en de openbare ruimten.”

2.8 Verzoekers hebben betoogd dat in strijd met het voor het gebied geldende Coördinatieplan, het programma van eisen en het beeldkwaliteitsplan, zowel de inritten als de uitritten van het bouwplan aan de Soesterweg in plaats van aan de Mondriaanlaan zijn gelegen. Door die ligging zal de verkeersdruk op de Soesterweg verder toenemen en wordt de verkeersafwikkeling onlogisch, omdat het verkeer dan een lange route moet afleggen alvorens het de wijk uit is, aldus verzoekers. Naar aanleiding van dat betoog overweegt de voorzieningrechter als volgt.

In paragraaf 2.1 van het Coördinatieplan is opgenomen dat de Mondriaanlaan een deel van de aanliggende woningen en kantoren ontsluit. Hieruit volgt dat niet alle woningen van dit plangebied via de Mondriaanlaan moeten worden ontsloten. Voorts is in deze paragraaf aangegeven dat de Soesterweg geen aansluiting voor het autoverkeer krijgt op de Mondriaanlaan teneinde sluipverkeer te voorkomen en dat de huidige verkeerscirculatie in de Pieter Pijpersstraat / Soesterweg / Gerrit van Stellingwerfstraat niet zal veranderen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de voordeuren van de woningen van blok C1.3 zijn gelegen aan de Mondriaanlaan. Vóór deze woningen zal ‘langsparkeren’ worden gerealiseerd. De bewoners van deze woningen maken wel gebruik van de aan de Soesterweg gelegen in- en uitritten voor zover zij komen van en gaan naar de parkeerplaatsen aan de achterzijde van hun woningen. De woningen en bedrijfsruimten in de blokken C1.1 en C1.2 zijn uitsluitend aangewezen op ontsluiting via de in- en uitritten aan de Soesterweg. Gelet hierop en gezien de mededeling van verweerder ter zitting dat de overige bouwplannen, waaronder de ten westen van blok C1.3 nog geprojecteerde blokken C1.4, C1.5 en C1.6, eveneens via de Mondriaanlaan zullen worden ontsloten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de blokken C1.1 en C1.2 via de Soesterweg te ontsluiten, te meer nu het slechts gaat om de verkeersbewegingen die samenhangen met 9 woningen en 12 appartementen.

2.9 Verzoekers hebben voorts betoogd dat het bestreden besluit in strijd is het programma van eisen, nu in dat programma is opgenomen dat in delen van het Soesterkwartier vergunningparkeren zal worden ingevoerd en deze invoering nog niet heeft plaats gevonden. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van dit betoog dat uit artikel 3, onder A, sub 1, van de planvoorschriften volgt dat het in het programma van eisen gestelde voor wat betreft de hoogtezonering, de bouwmassa, de functionele opbouw en de hoofdverkeersstructuur voorwaarde is voor de wijze waarop het bestemmingsplan wordt uitgevoerd en dat de overige aspecten van het programma van eisen (slechts) gelden als uitgangspunt voor het bouwkundig ontwerp en de openbare ruimten. Het in het programma van eisen gestelde ten aanzien van het vergunningparkeren is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen voorwaarde als bedoeld in artikel 3, onder A, sub 1 van de planvoorschriften, zodat bij de totstandkoming van het bestreden besluit niet aan dat onderdeel van het programma van eisen behoefde te worden getoetst. Het betoog van verzoekers slaagt dan ook niet.

2.10 Met betrekking tot het betoog van verzoekers dat verweerder er bij het bestreden besluit ten onrechte aan is voorbij gegaan dat op basis van het Beeldkwaliteitsplan bij het bouwplan ondergrondse afvalcontainers in de openbare ruimte dienen te worden geplaatst overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Met betrekking tot de wijze van inzameling van huishoudelijk afval is in paragraaf 7.8 van het Beeldkwaliteitsplan opgenomen dat hiervoor een voorziening in de openbare ruimte wordt getroffen. Hierbij is nader aangegeven dat voor CSG-Noord is gekozen voor ondergrondse afvalinzameling, omdat dit systeem de beperkte openbare ruimte het minst aantast. Ter zitting is gebleken dat de bewoners van de blokken C1.1 en C1.3 de afvalcontainers op het eigen terrein kunnen plaatsen. Uit de bouwtekeningen blijkt voorts dat voor blok C1.2 op eigen terrein een containerruimte is gereserveerd, waar de bewoners van dit blok hun afval in kunnen deponeren. Hieruit volgt dat de afvalcontainers ten behoeve van het bouwplan geen beslag leggen op de beperkte openbare ruimte, zodat dit niet in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan. Ter zitting heeft verweerder dienaangaande nog opgemerkt dat de Algemene Plaatselijke Verordening een bepaling kent die het op de openbare weg plaatsen van deze containers buiten de daarvoor geldende tijden verbiedt. Hoewel verzoekers moet worden toegegeven dat het woordgebruik in paragraaf 7.8 van het Beeldkwaliteitsplan en de bij die paragraaf getoonde foto van een ondergronds afvalverzamelpunt de verwachting wekt dat ook voor dit bouwplan een dergelijk verzamelpunt wordt gerealiseerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat, nu de afvalverzameling op eigen terrein zal plaatsvinden, verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten voor dit bouwplan geen ondergronds afvalverzamelpunt voor te schrijven. Overigens geldt ook voor paragraaf 7.8 van het Beeldkwaliteitsplan hetgeen hiervoor onder 2.9 ten aanzien van de status van het in dat onderdeel besproken gedeelte van het programma van eisen is overwogen.

2.11 De voorzieningenrechter merkt ten slotte op dat hij aan de stelling van verzoekers dat - kort gezegd - de door verweerder, vergunninghoudster en andere bij de ontwikkeling van het Stationsgebied Amersfoort betrokken ontwikkelaars en bouwondernemers getroffen schaderegeling te weinig ruimhartig is, voorbij gaat, aangezien die regeling een civielrechtelijke aangelegenheid is.

2.12 Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat er geen aanleiding is tot het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoekers zijn derhalve ook geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. M.H.F. van Vugt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2006.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.E. Companjen mr. M.H.F. van Vugt

Afschrift verzonden aan partijen op: