Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AV0065

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-01-2006
Datum publicatie
23-01-2006
Zaaknummer
16/715051-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot 2 jaren gevangenisstraf wegens poging om een ander door een belofte en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een moord op haar ex-echtgenoot uit te lokken. Verdachte is vrijgesproken van poging tot dezelfde uitlokking van een politieambtenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer: 16.715051.05

Datum uitspraak: 23 januari 2006

Tegenspraak

Raadsman: mr. S. Franken

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[A],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [.....].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 oktober 2005 en 9 januari 2006.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 9 januari 2006 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Het verzoek tot aanhouding van de zaak

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gemotiveerd uiteengezet waarom hij van oordeel is dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde moet komen.

Hij heeft gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat verdachte wordt overgebracht naar het Pieter Baan Centrum teneinde een onderzoek te laten doen naar de geestvermogens van verdachte, omdat hij zich onvoldoende voorgelicht acht over haar persoon.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet noodzakelijk is, nu zij zich voldoende voorgelicht acht over de persoon van de verdachte zoals deze mede blijkt uit de processen-verbaal van haar verhoren en andere geschriften.

Het verzoek wordt dus afgewezen.

De kern van de zaak

Verdachte heeft zich - zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld, dat zij meermalen in verschillende bewoordingen kenbaar heeft gemaakt, dat zij er geen traan om zou laten als [C], haar ex-echtgenoot het leven zou laten, maar dat zij daartoe geen enkele activiteit heeft ontplooid. De verklaring van [B] (hierna te noemen [B]), dat zij hem geld heeft geboden om haar ex-echtgenoot van het leven te beroven en daartoe stappen heeft ondernomen, is volgens haar onjuist.

De officier van justitie is van oordeel dat de verklaring van [B] voldoende betrouwbaar is om de inhoud ervan als bewijs te kunnen gebruiken. De raadsman daarentegen heeft aangevoerd dat de verklaring van [B] ongeloofwaardig is en derhalve onbruikbaar is voor het bewijs.

Het draait in de onderhavige zaak dus in de eerste plaats om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring van [B].

Aansluitend moet naar het oordeel van de rechtbank de vraag worden beantwoord aan welke vereisten moet zijn voldaan wil een veroordeling mogelijk zijn voor het tenlastegelegde handelen in strijd met artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht.

1. Is de verklaring van [B] betrouwbaar en geloofwaardig?

Door en namens verdachte is gemotiveerd aangegeven waarom de verklaring van [B] niet betrouwbaar noch geloofwaardig is.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Diens verklaring omtrent zijn contacten met verdachte vindt namelijk in essentie meer dan voldoende steun in de verklaringen van de getuigen [1], [2] en [3], maar ook in letterlijke bewoordingen van de door verdachte gevoerde telefoongesprekken, te weten op 16 juli 2005 met [B] en op 18 juli 2005 met een politieman.

De door de verdachte gegeven inkleuring van de wijze waarop zij met [B] de dag van 18 juni 2005 heeft doorgebracht, alsmede van de wijze waarop eerdere contacten verliepen, overtuigt de rechtbank niet, de tussen verdachte en [B] nadien gevoerde correspondentie in aanmerking genomen.

De rechtbank neemt dus de verklaring van [B] tot uitgangspunt.

2. Aan welke vereisten moet zijn voldaan wil een veroordeling voor handelen in strijd met artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht mogelijk zijn?

Voor een juiste beoordeling van het tenlastegelegde is van belang een zakelijke weergave van hetgeen uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Sedert het voorjaar van 2005 was sprake van een breekpunt in de relatie van verdachte met haar ex-echtgenoot met wie zij in 1991 was gehuwd. Tijdens het huwelijk heeft verdachte tegen haar ex-echtgenoot (en in het bijzijn van anderen) gezegd, dat zij hem "hartstikke" dood zou steken (augustus 2003) en meermalen tegen anderen, dat zij haar ex-echtgenoot dood wenste.

Naar eigen zeggen heeft verdachte tien jaar geleden een aanbod gekregen haar ex-echtgenoot een pak rammel te laten krijgen, met mogelijk een breuk van het een of ander of blijvende schade, of hem uit de weg te laten ruimen. Zij heeft van dat aanbod toen geen gebruik gemaakt, omdat zij niet wilde dat haar zoon zijn vader zou kwijtraken.

De relatie was overigens, zoals de deskundige Gerritsen ter terechtzitting het uitdrukte, "stormachtig" verlopen.

Verdachte had [B] leren kennen in het kader van de Strafrechtelijke Opvang Verslaafden toen deze verbleef in het Boumanhuis in Rotterdam waar zij toen als arts werkte. Nadat verdachte van [B] een bedankbriefje had ontvangen (april 2005) en zij hem een kaartje had gestuurd met daarop haar privé-adres en telefoonnummer, heeft tussen verdachte en [B] een aantal malen telefonisch contact plaats gevonden.

Begin juni 2005 heeft [B] verdachte ook gebeld. Dat gesprek ontving verdachte in haar auto. In dat gesprek heeft verdachte hem verteld dat haar ex-echtgenoot haar mishandelde, zowel geestelijk als lichamelijk en dat haar ex-echtgenoot haar kind had ontvoerd.

In dat gesprek heeft verdachte ook gezegd dat zij er 50.000,- Euro voor over had als haar ex-echtgenoot werd omgebracht. Zij heeft hem toen gevraagd of hij geen Marokkaanse jongens kende in Utrecht. Zij wilde met een foto van haar ex-echtgenoot naar Ossendrecht komen, waar hij toen verbleef. Hij heeft haar toen gezegd, dat hij wel naar Utrecht zou komen.

Dat is gebeurd op 18 juni 2005. Verdachte heeft hem toen de woning van haar ex-echtgenoot aangewezen en nadien een foto van haar ex-echtgenoot laten zien. Verdachte heeft hem die dag gevraagd of hij zijn kennissen uit Utrecht had benaderd.

[B] heeft enkele weken later aan de staf verteld wat hem was gevraagd. Daarna heeft hij zijn relaas bij de politie gedaan. Vervolgens heeft hij onder regie van de politie en het Openbaar Ministerie op zaterdag 16 juli 2005 verdachte gebeld.

Nadat [B] in dat gesprek had gerefereerd aan het in bovengenoemd telefoongesprek door verdachte aan hem gedane verzoek en hij had meegedeeld, dat hij haar wens aan een kennis had verteld die met haar contact wilde, heeft verdachte geantwoord, dat hij (de rechtbank begrijpt: die kennis) dat mocht doen. "Graag zelfs", aldus verdachte.

In dat gesprek is het verdachte geweest die heeft aangegeven, dat die kennis dan op maandagavond tussen 22.00 en 24.00 uur kon bellen, omdat zij dan alleen thuis was.

In dit gesprek benadrukte [B], dat die kennis in staat was haar ex-echtgenoot "koud te maken" en dat "deze gasten geen grapjes maken". Verdachte zei zich dat te realiseren en merkte voorts op, dat haar tien jaar geleden een aanbod was gedaan, dat zij heeft afgeslagen omdat zij niet wilde dat haar zoon zijn vader zou kwijt raken, maar dat zij nu dacht dat die vader schadelijk is voor haar zoon. Verdachte heeft, zo zegt zij, spijt dat zij het tien jaar geleden niet heeft laten doen.

Op maandagavond 18 juli 2005 voerde verdachte thuis een uitvoerig gesprek met een vriendin/kennis. Dat gesprek beëindigde zij, omdat haar andere telefoon overging. Omstreeks 22.08 uur die avond kreeg zij een voor haar onbekende man aan haar mobiele telefoon.

Uit dit gesprek bleek, dat verdachte wist dat de onbekende man de door [B] genoemde kennis was. In dat gesprek, dat op verzoek van verdachte wordt voortgezet via de zogenaamde vaste telefoonlijn, bleek, dat verdachte een definitieve oplossing wilde en dat zij haar ex-echtgenoot dood wenste. Zij verstrekte in dat gesprek het adres van haar ex-echtgenoot, daaraan toevoegend dat deze op dit moment in Italië verbleef maar dat zij niet wist waar, zodat het in Nederland moest gebeuren. Uit zichzelf deelde verdachte mede, dat zij recente foto's had en de sleutels van de woning van haar ex-echtgenoot, die zo zei zij, op 2 september verhuisde naar Amsterdam. Verdachte gaf in dat gesprek blijk te beseffen dat hieraan een prijskaartje hing en deelde mee, dat zij bereid was de onbekende te informeren over bijzonderheden van het gedrag van haar ex-echtgenoot.

Tenslotte werd in dat gesprek een afspraak gemaakt elkaar op 20 juli 2005 in Bunnik te ontmoeten, waarbij verdachte toezegde een foto (de rechtbank begrijpt: van haar ex-echtgenoot), de adresgegevens en een sleutel van de woning mee te nemen en haar mobiele telefoon aan te zetten, opdat de voor verdachte onbekende man contact met haar kon opnemen.

De hiervoor genoemde kennis was in werkelijkheid een politieman.

Verdachte is op dinsdagochtend 19 juli 2005 om 07.00 uur aangehouden.

Aan verdachte is tenlastegelegd handelen in strijd met artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht.

Dat artikel luidt:

"Poging om een ander door een der in artikel 47, eerste lid onder 2e, vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, is strafbaar, met dien verstande dat geen zwaardere straf wordt uitgesproken dan ter zake van poging tot het misdrijf of, indien zodanige poging niet strafbaar is, terzake van het misdrijf zelf kan worden opgelegd".

Strafbaar gesteld is het voornemen om een ander te bewegen door een of meer zogenaamde uitlokkingmiddelen een misdrijf te begaan. Het initiatief ligt dus bij degeen die een ander probeert te bewegen een misdrijf te begaan. Daarbij gaat het om gedragingen die er niet toe leiden dat het tot een begin van uitvoering komt van het misdrijf waarop die gedragingen waren gericht. "De grond voor de strafwaardigheid is veeleer het strafwaardig karakter van de verleidingshandeling op zichzelve", aldus de Memorie van Toelichting.

De vragen die dus in casu moeten worden beantwoord zijn - kort gezegd - of verdachte het initiatief heeft genomen de in de tenlastelegging genoemde perso(o)n(en) te trachten te bewegen [C] (verder te noemen: haar ex-echtgenoot) te (laten) vermoorden en of uit de gedragingen van verdachte afgeleid moet worden, dat zij dat voornemen heeft gehad.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet uit de hierboven weergegeven feitelijke gang van zaken, dat bewezen kan worden het deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de poging een politieambtenaar te bewegen [C] te vermoorden. De door verdachte op 18 juli 2005 met die politieambtenaar gevoerde gesprekken hadden immers in casu geen ander doel dan zichtbaar te maken hetgeen verdachte reeds aan [B] had gevraagd, getoond en toegezegd.

De verdachte moet dus van dat deel worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

Zoals hierboven overwogen heeft verdachte begin juni 2005 in een telefoongesprek met [B] uit eigen beweging gezegd, dat zij er 50.000,- Euro voor over had als haar ex-echtgenoot werd omgebracht. En hem gevraagd of hij geen Marokkaanse jongens kende in Utrecht. Zij wilde met een foto van haar ex-echtgenoot naar Ossendrecht komen, waar [B] toen verbleef.

[B] is overeenkomstig de met verdachte gemaakte afspraak op 18 juni 2005 naar Utrecht gekomen. Verdachte heeft hem toen de woning van haar ex-echtgenoot aangewezen en nadien een foto van haar ex-echtgenoot laten zien. Verdachte heeft hem die dag gevraagd of hij zijn kennissen uit Utrecht had benaderd.

Deze uitlating is door [B] begrijpelijkerwijs verstaan als een verzoek aan hem om iemand te zoeken of te vinden die bereid was om tegen betaling verdachte's ex-echtgenoot te vermoorden. Dat het verdachte ernst was mocht [B] afleiden uit het tonen van de woning en een foto van verdachte's ex-echtgenoot.

Vervolgens heeft verdachte in een telefoongesprek op 16 juli 2005 herhaald, dat zij graag zag, dat haar ex-echtgenoot werd vermoord. En dat de door [B] genoemde kennis die dit wel wilde doen op de door verdachte bepaalde dag en het door haar aangegeven tijdstip haar kon bellen, omdat zij dan alleen thuis was.

Zij heeft in dat gesprek geen enkele poging gedaan om zelfs maar de indruk te wekken, dat haar eerdere uitlatingen niet serieus waren of in een opwelling (in een emotionele situatie) waren gedaan.

Dat dit telefoongesprek niet is geïnitieerd door verdachte acht de rechtbank niet relevant. Blijkens de inhoud van dat gesprek is verdachte immers niet gebracht tot andere uitlatingen dan die welke zij reeds had gebezigd of andere handelingen dan zij reeds had verricht.

Hoewel verdachte wist, dat zij op maandagavond 18 juli 2005 gebeld zou kunnen worden door iemand die naar zij moet hebben beseft een huurmoordenaar zou zijn, heeft zij niet alleen toen haar mobiele telefoon thuis overging op het door haar aan [B] doorgegeven tijdstip, een met een vriendin/kennis gevoerd telefoongesprek beëindigd, maar ook die mobiele oproep beantwoord. Toen dat inderdaad de "huurmoordenaar" bleek te zijn heeft verdachte niet alleen laten blijken, dat haar intentie serieus was, maar bovendien expliciet gevraagd het gesprek verder te voeren via de zogenaamde vaste lijn. Beide gesprekken zijn glashelder: verdachte heeft er geld voor over als haar ex-echtgenoot werd vermoord. En bovendien verschaft zij wederom informatie over de verblijfplaats van haar ex-echtgenoot en is zij weer bereid een foto te laten zien aan deze "huurmoordenaar".

Opnieuw heeft verdachte ook in deze gesprekken geen enkele poging gedaan om zelfs maar de indruk te wekken, dat haar eerdere uitlatingen niet serieus waren of in een opwelling (in een emotionele situatie) waren gedaan. Terwijl zij daar alle gelegenheid voor heeft gehad.

Voorzover verdachte nog heeft gesteld, dat zij zo bang was toen die "huurmoordenaar" belde, dat zij slechts uit angst heeft meegepraat, hecht de rechtbank aan deze stelling geen geloof gelet op alle uitlatingen en gedragingen van verdachte die daaraan zijn voorafgegaan.

De verklaringen van verdachte, dat zij in de contacten met [B] nooit heeft gewild dat haar ex-echtgenoot om het leven werd gebracht en dat zij daarvoor nooit geld heeft geboden, zijn dan ook ongeloofwaardig.

Uit hetgeen hierboven is overwogen blijkt dus, dat verdachte niet alleen de wens heeft geuit, dat haar ex-echtgenoot zou worden vermoord, maar dat zij daartoe ook geld heeft geboden en inlichtingen verschaft.

Wat er zij van de verklaring van verdachte dat zij de dag na het telefoongesprek met haar "huurmoordenaar" naar de politie zou zijn gegaan, die omstandigheid is niet relevant.

Het misdrijf was reeds voltooid.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de volgende wijze:

dat zij in de periode van 1 juni 2005 tot en met 19 juli 2005 te Utrecht en elders in Nederland,

heeft gepoogd om [B] door in artikel 47, eerste lid onder 2e, van

het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een

belofte en het verschaffen van inlichtingen, te bewegen

om een derde persoon uit te lokken [C] te vermoorden,

bestaande:

- die belofte in de toezegging tot het betalen van 50.000 euro aan die [B]

of die derde persoon en

- het verschaffen van die inlichtingen aan die [B] in het verstrekken

van de identiteit van de te vermoorden persoon en informatie over diens

adres en woonplaats en het tonen van diens woning en een foto;

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan behalve op hetgeen hierboven is overwogen, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging om een ander door een belofte en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een moord uit te lokken.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Hoe gebeten verdachte ook op haar ex-echtgenoot moge zijn geweest en hoeveel aanleiding hij daartoe - in haar visie - ook moge hebben gegeven, de handelwijze van verdachte is volstrekt verwerpelijk. Zeker van deze verdachte, bij wie geen enkele stoornis is vastgesteld, mag worden verwacht, dat zij bijtijds tot inkeer zou zijn gekomen.

Zij heeft bewust met vuur gespeeld. Juist zij (zij was werkzaam als arts in een instelling waarin verslaafden waren opgenomen) had moeten beseffen, dat iemand alleen in een zogenaamde Strafrechtelijke Opvang Verslaafden terecht komt als iemand (zeer) veel op zijn kerfstok heeft. Alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet recht aan haar misdadig gedrag.

Het is immers louter toeval, dat aan verdachte's snode plan geen verdere invulling is gegeven.

Het vorenstaande laat onverlet, dat de rechtbank ten gunste van verdachte meeweegt, dat zij nooit eerder voor een dergelijk misdrijf met politie of justitie in aanraking is geweest. En dat spanningen in haar huwelijk alsmede het gemis van haar zoontje begrijpelijkerwijs bij haar meermalen heftige emoties hebben opgeroepen.

De rechtbank zal daarom, alles afwegende, de onvoorwaardelijke gevangenisstraf beperken tot na te melden duur.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Wijst af het verzoek tot het afgeven van een bevel tot overbrenging ter observatie naar het Pieter Baan Centrum.

Verklaart niet bewezen het deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de poging een politieambtenaar te bewegen [C] te vermoorden.

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWEE JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs E.F. Bueno, R.H.M. Jansen en A.G. Bakker, bijgestaan door mr. V.H. van der Horst als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2006.