Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2006:AV0027

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-01-2006
Datum publicatie
30-01-2006
Zaaknummer
193228/JE RK 05-425
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervallen verklaring aanwijzing omgangsregeling met moeder.

De bezoekregeling tussen de moeder en haar uithuisgeplaatste kinderen dient beoordeeld te worden in het licht van het doel van de OTS waarbij het toekomstperspectief van de kinderen maatgevend is. De Voorziening voor Pleegzorg is niet bevoegd een pleeggezinplaatsing te beëindigen. Pleegouders hebben o.g.v. artt. 6 en 8 EVRM het recht een verzoek in te dienen bij de kinderrechter om inbreuk op hun gezinsleven met pleegkinderen te voorkomen (3.6).

Het dreigement om de kinderen bij een pleegouder weg te halen is een ongerechtvaardigd middel om loyale medewerking aan uitbreiding van de omgangsregeling af te dwingen.

Een 11 jaar durende pleeggezinplaatsing in het kader van een OTS is niet in overeenstemming met de in art. 20 van het IVRK neergelegde wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding. Zolang de Raad voor de Kinderbescherming geen onderzoek wil doen naar de vraag of ontheffing van de moeder in het belang van de kinderen noodzakelijk is te achten is de OTS voortzetten de enige mogelijkheid om de kinderen de zekerheid te bieden die zij bij hun opgroeien nodig hebben (3.7).

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2006, 54
JIN 2006/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer: 193228 / JE RK 05-425

tussenbeschikking van 16 januari 2006 van de kinderrechter op het aangehouden verzoek tot vervallen verklaring van een aanwijzing met betrekking tot de minderjarigen:

[minderjarige sub 1], geboren te Leiden, op 5 mei 1994,

[minderjarige sub 2], geboren te Leiden, op 5 mei 1994,

kinderen van

[naam moeder], wonende te Utrecht;

(raadsvrouwe: mr.C. Steijgerwalt)

en

[naam vader], wonende te Utrecht.

belanghebbende: [naam pleegmoeder], pleegmoeder

(raadsvrouwe: mr. A.M. Beuwer)

1. Verloop van de procedure

In deze zaak is reeds een beschikking gegeven op 29 april 2005. Voor het verloop van de procedure tot 29 april 2005 wordt verwezen naar deze beschikking.

Nadien is nog ingekomen:

- brief van pleegmoeder d.d. 9 juni 2005

- verzoekschrift met bijlagen van mr. Steijgerwalt d.d. 5 juli 2005

- brief van moeder d.d. 25 juli 2005

- rapport William Schrikker Stichting (hierna: WSJ) met bijlagen d.d. 9 augustus 2005

- brief van mr. Beuwer d.d. 24 augustus 2005

- brief met bijlage van mr. Steijgerwalt d.d. 26 augustus 2005

De behandeling van het verzoek is voortgezet op de zitting van 29 november 2005.

2. De feiten

De minderjarigen zijn op 2 mei 1996 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij de familie [pleegouders]. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn sindsdien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 29 april 2005.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1 Het verzoek van de moeder en het verzoekschrift van haar raadsvrouwe strekken tot vervallen verklaring van de aanwijzing van de WSJ met betrekking tot de omgangsregeling en tot uitbreiding van de omgangsregeling.

Het verzoek van pleegmoeder strekt er toe de bezoekregeling te laten zoals hij was en het verzoek tot uitbreiding af te wijzen.

3.2 Pleegmoeder wijst er ook nog op dat zij toestemming van de vader behoeft om een medisch noodzakelijke verwijdering van moedervlekken bij beide kinderen te doen uitvoeren.

De vader heeft ter terechtzitting gemotiveerd geweigerd hiervoor toestemming te verlenen. Ingevolge art 264 van boek 1 van het BW kan Bureau Jeugdzorg (in dit geval de WSJ) hiervoor vervangende toestemming vragen zolang de kinderen jonger zijn dan 12 jaar. Als zij 12 jaar zijn kan de arts, de kinderen gehoord, een beslissing nemen.

3.3 Met betrekking tot de omgangregeling tussen moeder en kinderen is het volgende van belang:

De tweeling is te vroeg geboren als gevolg waarvan zij een verminderde longfunctie hebben en licht spastisch zijn. Na ontslag uit het ziekenhuis zijn zij geplaatst bij de pleegouders [pleegouders], in welk gezin zij nu, 11 jaar oud, nog steeds wonen. Pleegvader is in april 2004 overleden.

De WSJ heeft jaarlijks een bezoekregeling opgesteld, eerst voor de ouders samen en later voor elk van hen apart. Deze is steeds zeer beperkt geweest. Voor vader is de regeling nog steeds: 1x per 6 weken een uur en een kwartier bij de pleegmoeder thuis.

Op de zitting voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van 29 april 2005 heeft de moeder mondeling haar schriftelijk verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling d.d. 8 april 2005 toegelicht (hetgeen opgevat is als een verzoek tot vervallen verklaring aanwijzing). De behandeling is toen aangehouden omdat de gezinsvoogd de omgangsregeling in februari 2005 had uitgebreid naar 2,5 uur per 6 weken bij pleegmoeder of in de directe omgeving met 2x een begeleid bezoek aan moeder thuis, een maal in de zomer en eenmaal in de herfst. Deze uitbreiding moest in feite nog geëffectueerd worden. De resultaten daarvan zouden van belang zijn voor de beslissing over een eventuele verdere uitbreiding. Bovendien was pleegmoeder op deze zitting, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Voor een evenwichtige behandeling van de omgangsregeling tussen pleegkinderen en hun ouders is het, in een geval als deze, van groot belang de pleegouder(s) te horen.

3.4 Aan de orde is thans wederom het verzoek van moeder de aanwijzing vervallen te verklaren en een bezoekregeling vast te stellen van 1x per 4 weken een hele dag bij moeder thuis.

De gezinsvoogd heeft bij brief van 23 augustus 2005 gericht aan de raadsvrouwe van de moeder, gerapporteerd dat de bezoekregeling zoals deze in februari 2005 is uitgebreid, goed is verlopen. Zij heeft dit op de zitting bevestigd.

3.5 Een bezoekregeling in het kader van een ondertoezichtstelling dient beoordeeld te worden in het licht van het doel van de ondertoezichtstelling (BW 1: art. 263b). Als hoofddoelstelling wordt in het meest recente rapport vermeld: [minderjarige sub 2] en [minderjarige sub 1] groeien op in het pleeggezin.

Op de zitting van 29 november deelde de WSJ het volgende mee:

"Zoals te lezen in ons, op verzoek van moeders advocaat gemaakt tussentijds verslag, is de begeleide bezoekregeling bij moeder thuis goed gelopen. Moeder heeft oog voor wat de kinderen nodig hebben. Wij zijn van mening dat pleegmoeder onvoldoende loyaal meewerkt aan de uitgebreidere regeling. Er zijn verschillende bezoeken afgezegd. Vanmorgen heeft de Voorziening voor Pleegzorg (hierna:VvP) besloten de plaatsing te beëindigen als pleegmoeder niet beter meewerkt. Er dienen gesprekken te komen tussen moeder en pleegmoeder onder begeleiding van de gezinsvoogd en de pleegzorg begeleider. Pleegmoeder krijgt 6 maanden de tijd om te laten zien dat zij de kinderen de kans geeft een band met de moeder op te bouwen."

De pleegmoeder heeft gemotiveerd betwist dat zij niet loyaal meewerkt aan de omgangsregeling. Zij wijst er wel op dat het bezoek soms afgezegd moet worden omdat de kinderen last hebben van hun longen (moeder heeft een hond en rookt) of b.v. omdat het enige paar (aangepaste) schoenen van een van de meisjes bij de schoenmaker is. Zij verzoekt de omgangsregeling niet uit te breiden omdat dit zwaar is voor de kinderen. Zij hebben een druk programma waaronder wekelijks fysiotherapie en therapeutisch zwemmen. Afwijking van de structuur heeft gevolgen voor hun gezondheid.

3.6 Om te beoordelen welke omgangsregeling thans het meest in het belang van de kinderen en in lijn met het doel van de ondertoezichtstelling is te achten moet eerst vastgesteld worden of het doel van de ondertoezichtstelling nog onveranderd is: [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] groeien op in het pleeggezin of dat hierin door de heden ter zitting gewijzigde koers van de WSJ verandering is gekomen.

Hierover wordt het volgende overwogen:

De kinderen wonen hun hele leven bij pleegouder(s) [pleegouders].

Tot op heden is het doel steeds geweest: veiligstelling van de pleeggezinplaatsing. De vraag moet worden beantwoord welke betekenis moet worden toegekend aan de mededeling van de WSJ dat de VvP, met hun instemming de plaatsing zal beëindigen als pleegmoeder haar houding niet verandert.

Vaststaat dat pleegmoeder op grond van art. 8 EVRM recht heeft op bescherming van haar gezinsleven met de kinderen. Inbreuk daarop is alleen mogelijk indien hierin bij de wet is voorzien en deze inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving. In de OTS-wetgeving is niet aan de Voorziening voor Pleegzorg maar wel aan Bureau Jeugdzorg de bevoegdheid gegeven een plaatsing te beëindigen of kinderen over te plaatsen binnen het kader van de verleende machtiging (welke bevoegdheid in dit geval is gedelegeerd aan de WSJ). Overplaatsing is in dit geval niet mogelijk omdat de machtiging uitsluitend strekt tot plaatsing in het gezin [pleegouders].

Terugplaatsing bij moeder is mogelijk. Pleegouders kunnen, bij een dergelijk voornemen, zich tot de kinderrechter wenden teneinde beëindiging van hun gezinsleven met de kinderen te voorkomen (HR LJN: AF 9715).

Teneinde een goede, aan het doel van de ondertoezichtstelling en het toekomstperspectief van de kinderen gerelateerde omgangsregeling te kunnen vaststellen is het noodzakelijk reeds nu dit toekomstperspectief in ogenschouw te nemen. Daarover heeft de moeder gesteld de kinderen nu nog niet thuis te willen/kunnen hebben. Zij denkt erover de kinderen bij zich thuis te willen nemen als zij een jaar of 15 zijn. Als de pleegmoeder niet van houding verandert dan stelt moeder voor de kinderen in een ander pleeggezin te plaatsen. De WSJ is kennelijk bereid hierin mee te gaan.

De pleegmoeder heeft ter zitting verklaard heel erg haar best te zullen doen om aan de haar gestelde eisen te voldoen omdat zij heel veel van de kinderen houdt en graag voor ze wil blijven zorgen. Zij ziet in dat de moeder belangrijk is voor de kinderen.

3.7 De kinderrechter is van oordeel dat het dreigement om de kinderen bij de pleegmoeder weg te halen een ongerechtvaardigd middel is om de pleegmoeder te dwingen een uitbreiding van de omgangsregeling loyaal te ondersteunen, ook op momenten dat uitvoering van de regeling in verband met de gezondheid van de kinderen in strijd met hun belang is. Het doel van de ondertoezichtstelling is steeds geweest dat de kinderen tot volwassenheid in het pleeggezin opgroeien. Er is geen aanleiding om dit doel te wijzigen: de kinderen hebben zich in het pleeggezin tot op heden goed ontwikkeld. Het feit dat de moeder overweegt pas over een aantal jaren de kinderen bij zich thuis te willen nemen, kan geen aanleiding vormen om het doel van de ondertoezichtstelling te wijzigen. Het enkele feit dat de omgangsregeling niet soepel verloopt is op zichzelf noch bij eigen ouders noch bij pleegouders voldoende grond om een kind bij die (pleeg)ouder weg te halen. Van de WSJ en de VvP mag worden verwacht dat zij in staat zijn hiervoor oplossingen aan te reiken zonder de plaatsing ter discussie te stellen. Andere tekortkomingen van pleegmoeder zijn gesteld noch gebleken. De pleegmoeder heeft er door de jaren heen daarentegen juist blijk van gegeven de kinderen de voor hen noodzakelijke liefde en zorg te hebben gegeven. Anderzijds dient de moeder zich te realiseren dat kinderen recht hebben op continuïteit in hun opvoedingssituatie (art. 20 IVRK) en geeft moeder in het geheel geen blijk van begrip voor en inzicht in wat de kinderen nodig hebben als zij voorstelt de kinderen in een ander gezin te plaatsen in afwachting van een latere eventuele terugplaatsing bij haar.

De kinderrechter constateert dat het kader waarbinnen deze pleegzorgplaatsing wordt uitgevoerd niet in overeenstemming is met de in het IVRK neergelegde wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft evenwel ter zitting verklaard geen onderzoek te willen doen naar de vraag of ontheffing van de moeder in het belang van de kinderen noodzakelijk is te achten, terwijl de kinderrechter zulks niet ambtshalve kan gelasten en de pleegmoeder ook niet bevoegd is een verzoek tot ontheffing in te dienen. Derhalve resteert slechts één mogelijkheid om de kinderen desondanks de zekerheid te bieden die zij bij hun opgroeien nodig hebben, te weten de plaatsing in het kader van de OTS voortzetten waarbij het doel blijft: opgroeien in het pleeggezin.

3.8 In het licht van bovenstaande lijkt na te melden omgangsregeling vooralsnog in lijn met het toekomstperspectief van de kinderen en derhalve op dit moment, gelet op bovengenoemde omstandigheden het meest in hun belang te achten. De kinderrechter vertrouwt erop dat de moeder in het belang van de gezondheid van de kinderen en in overleg met de pleegmoeder de omgangsregeling bij de pleegmoeder thuis zal laten plaats vinden op momenten dat de kinderen last hebben van hun longen.

Deze regeling zal worden vastgesteld nu de aanwijzing van de WSJ betrekking had op een periode die inmiddels is afgelopen en de WSJ er van heeft afgezien een nieuwe regeling te treffen in afwachting van deze zitting. Op een nader te bepalen zitting in april zal het verloop van deze regeling worden besproken.

De behandeling wordt voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting in april waarop de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing eveneens zullen worden behandeld.

4. Beslissing

De moeder heeft voorlopig, in afwachting van een nader te bepalen zitting in april 2006,

recht op omgang met [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] 1x per 6 weken 2,5 uur bij moeder thuis zonder begeleiding.

Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Deze beschikking is mondeling gegeven ter zitting van 29 november 2005 door mr. A.C. Quik-Schuijt, kinderrechter, in bijzijn van A.N. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 16 januari 2006.