Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AV1029

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
SBR 05-1759
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit over verstrekking inzage in het projectarchief Parkeergarage Lucasbolwerk. Verzoek om inzage voldoet aan uit oogpunt van keuze voor informatiestelsel te stellen vereisten. Niet aannemelijk dat reactie op dat verzoek (het besluit) voldoet aan vereiste in Wob van een actuele, nauwkeurige en volledige verstrekking van ttv het verzoek aanwezige documenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

Reg. nr.: SBR 05/1759

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Utrecht, in het geding tussen:

Stichting Singelgebied Utrecht en de Vereniging Comité Behoud Lucasbolwerk, gevestigd te Utrecht,

e i s e r s,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

v e r w e e r d e r.

1. INLEIDING

1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 25 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 18 januari 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is aan eisers inzage verstrekt in het projectarchief Parkeergarage Lucasbolwerk fase 1 inrichtingsvisie (hierna: het projectarchief) van het Parkeerbedrijf Gemeente Utrecht.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 20 oktober 2005, waar namens de Vereniging Comité Behoud Lucasbolwerk is verschenen R. Bosgra, bijgestaan door R. Vleugels, gemachtigde. Het beroep is opnieuw behandeld ter zitting van 1 december 2005, waar namens de Stichting Singelgebied Utrecht zijn verschenen C.A. Bos en Th.P.F. Haffmans en namens de Stichting Comité Behoud Lucasbolwerk J.J.G.M. Verheugen en M.A. Noordam, allen bijgestaan door R. Vleugels, gemachtigde. Verweerder heeft zich bij beide zittingen laten vertegenwoordigen door mr. S. Ramdoelare Tewari en P.C.M. Hagenbeek, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 2 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wob, draagt het bestuursorgaan er zo veel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wob, vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wob, verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

2.2 Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers naar aanleiding van een eerder verzoek om inzage in documenten op grond van de Wob in het kader van diverse inspraak- en juridische procedures inzage hebben gehad in veel documenten. Naar aanleiding van het onderhavige verzoek is volgens verweerder intern nagegaan of er nog meer openbare stukken zijn en uit dit onderzoek is geconcludeerd dat, voor zover er nog andere openbare documenten aanwezig zijn, deze in het projectarchief zitten en is inzage in dit archief toegestaan. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de inventaris van het Projectarchief. Voorts heeft verweerder gesteld dat het in het kader van de Wob moet gaan om openbare documenten waarin inzage mogelijk is, niet om de vraag naar volledigheid van een archief. Verweerder is van oordeel dat inzage is verstrekt in alle ten tijde van het verzoek aanwezige, openbare stukken en dat niet in strijd met de Wob is gehandeld. In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt herhaald en gesteld dat eisers in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van de gevraagde informatie voor zover verweerder daarover kon beschikken en voor zover die informatie openbaar was.

Eisers hebben het standpunt gemotiveerd betwist en daarbij de nadruk gelegd op het feit dat verweerder de indruk wekt dat in alle documenten inzage is verstrekt, maar dat dit feitelijk niet juist is.

2.3 De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen van zorgvuldige voorbereiding en motivering die ingevolge artikel 3:2 in samenhang met artikel 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan een besluit op bezwaar dienen te worden gesteld. Het beroep is derhalve gegrond en verweerder dient, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.4 De rechtbank stelt voorop dat de wetgever nadrukkelijk heeft gekozen voor het informatiestelsel en niet voor het documentstelsel. In dit verband is in de Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1986 - 1987, 19859, nr. 3, pag. 21) opgemerkt dat deze keuze voor het informatiestelsel berustte op de overweging dat de burger die over een bepaald onderwerp geïnformeerd wil worden, meestal niet weet welk(e) document(en) die informatie bevat(ten). In de regel zal de verlangde informatie niet alleen zijn opgenomen in stukken die naar buiten zijn verzonden, maar ook in interne documenten, die de burger niet kent. Een verzoeker om informatie is gehouden om melding te maken van de bestuurlijke aangelegenheid waarover hij informatie wenst. Een verzoek is te ongespecificeerd indien niet tevens de bestuurlijke aangelegenheid wordt aangegeven; de informatievrager behoeft echter niet te vragen om specifieke documenten. Het ligt op de weg van de ambtenaar tot wie het verzoek is gericht, de verzoeker bij de formulering van de vraagstelling omtrent de bestuurlijke aangelegenheid te helpen (pag. 24 MvT). De rechtbank stelt in dit verband vast dat het verzoek van eisers van 22 december 2004 om informatie dan ook voldoet aan de eisen die daaraan op grond van de Wet mogen worden gesteld, te meer nu het verzoek is uitgesplitst naar 12 deelonderwerpen met betrekking tot de bestuurlijke aangelegenheid en verweerder geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5 van de Awb door het verzoek wegens onvolledigheid buiten behandeling te laten.

2.5 De rechtbank constateert op basis van het gevoerde verweer dat verweerder inzage heeft verstrekt in documenten voor zover deze openbaar zijn.

De rechtbank overweegt dat verweerder met de zinsnede ‘voor zover deze openbaar zijn’, veronderstelt dat er documenten aanwezig zijn die betrekking hebben op de realisering van de parkeergarage onder Lucasbolwerk die niet openbaar zijn en waarin de inzage is geweigerd. Verweerder heeft ten onrechte in het midden gelaten of er sprake is van documenten die niet openbaar zijn. Indien er sprake is van documenten die niet openbaar zijn, dan dient verweerder dit neer te leggen in een daartoe strekkend besluit.

2.6 Voorts constateert de rechtbank dat verweerder inzage heeft willen geven in de gevraagde informatie voorzover verweerder daarover kon beschikken en inzage heeft verstrekt in het projectarchief. Verweerder heeft, zij het na de hoorzitting in de bezwaarfase, een geactualiseerde inventarislijst overgelegd van het geheel aan aanwezige en openbare documenten en dienaangaande in het bestreden besluit opgemerkt dat deze lijst “een indruk geeft van de wijze waarop de informatie toegankelijk is bij inzage van het projectarchief…”.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte en in strijd met de Wob gemeend met deze inventarislijst te kunnen volstaan, te meer nu met in de dagelijkse bestuurspraktijk opkomende stukken en bestanden op een zodanige wijze moet worden omgegaan dat geen afbreuk wordt gedaan aan de aanspraken op openbaarheid van documenten die aan de Wob kunnen worden ontleend. Uit artikel 2, tweede lid, van de Wob, volgt naar het oordeel van de rechtbank dwingend dat verweerder gehouden is zorg te dragen voor een actuele, nauwkeurige en volledige verstrekking van inzage in de documenten, ongeacht de vraag of de documenten die op de bestuurlijke aangelegenheid betrekking hebben al dan niet aan een projectarchief zijn toegevoegd. Het is in strijd met de Wob door eerst inzage te geven in documenten nadat deze aan een projectarchief zijn overgebracht. Het behoud van stukken dient volledig te worden gewaarborgd, opdat ook over de vraag of sprake is van voor openbaarmaking mogelijk in aanmerking komende documenten effectief besloten en geprocedeerd kan worden.

In het onderhavige geval acht de rechtbank aannemelijk dat bij de wijze van dossiervorming en het daarop gebaseerde besluit aan de hiervoor bedoelde verplichtingen op grond van de Wob niet is voldaan, te meer nu onweersproken is gesteld dat ook ná de datum van het verzoek documenten van vóór de datum van het verzoek aan het projectarchief zijn toegevoegd.

2.7 Daarbij komt dat op basis van het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk is welke documenten er waren, nu verweerder bij het bestreden besluit niet per deelonderwerp is ingegaan op de aanwezige documenten die betrekking hebben op de verschillende deelonderwerpen die in het verzoek zijn genoemd. Verweerder heeft daarmee voor meerderlei uitleg vatbaar gelaten of inzage is verstrekt in alle documenten (ook in documenten die nog niet aan het projectarchief waren overgedragen). Verweerder heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd op basis waarvan hij zou hebben voldaan aan het vereiste van een actuele, nauwkeurige en volledige verstrekking van inzage in de ten tijde van het verzoek aanwezige documenten met betrekking tot de onderhavige bestuurlijke aangelegenheid. Overigens verbindt de rechtbank hieraan niet de conclusie dat sprake is geweest van het (doelbewust) vernietigen of achterhouden van stukken om aan de verplichtingen van de Wob te ontkomen omdat concrete aanwijzingen voor dit laatste oordeel ontbreken.

2.8 De rechtbank overweegt, wellicht ten overvloede, dat het voorgaande er niet toe kan leiden dat, anders dan eisers hebben aangevoerd, een verzoek op grond van de Wob zo ver kan strekken dat het mede betrekking heeft op documenten die zijn vervaardigd na de datum van het verzoek. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 augustus 2005, zaaknummer 200502793/1. Hoewel de stelling van eisers dat bij een project als het onderhavige voortdurend documenten aan het archief worden toegevoegd niet onaannemelijk is, moet worden vastgesteld dat documenten van ná het verzoek om inzage buiten het bereik van deze procedure vallen.

2.9 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 966,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zitting van 21 oktober 2005 en van 1 december 2005).

3. BESLISSING

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 25 mei 2005;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen;

3.4 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,- aan hen vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten van eisers in dit geding ten bedrage van € 966,-;

3.6 wijst de gemeente Utrecht aan als de rechtspersoon die de onder 3.4 en 3.5 genoemde bedragen dient te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen, en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2005.

De griffier: De rechter:

mr. drs. H. Maaijen mr. H.J.H. van Meegen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.