Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2005:AU9769

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
194397/HA ZA 05-945
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bestuurster wegens verzaken infoplicht ex. art 105/106 FW.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 105
Faillissementswet 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de rechtbank [woonplaats], enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van

ALICE VAN DER SCHEE q.q., in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Finale B.V. en Finale Group B.V.,

wonende te Utrecht,

eiseres,

procureur mr. P.J. Neijt,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. M.C. Franken-Schoemaker.

Partijen zullen hierna Van der Schee en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 27 juli 2005;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 september 2005.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Op 1 september 2004 is de besloten vennootschap Finale B.V. (hierna : “Finale”) failliet verklaard. Op 9 september 2004 is de besloten vennootschap Finale Consultancy Group B.V. (hierna: “Finale Group”) failliet verklaard. In beide faillissementen is Van der Schee benoemd tot curator.

2.2 Finale Group bezat 99% van de aandelen in Finale. De aandelen in Finale Group werden gehouden door Jigog B.V. en Tabasko B.V. Gedaagde sub 1 is enig aandeelhouder van Jigog B.V. Gedaagde sub 2 is enig aandeelhouder van Tabasko B.V.

2.3 Van der Schee heeft bij overeenkomst, door partijen getekend op respectievelijk 16 en 17 september 2004 (hierna: “de overeenkomst”), de activa van Finale en Finale Group verkocht aan Medicare Job B.V. De koopsom bedroeg

€ 10.000,00. Dit bedrag was blijkens artikel 2.1 van de overeenkomst als volgt samengesteld:

- € 1.000,-- exclusief BTW, voor de handelsnamen;

- € 1.000,-- exclusief BTW, voor de website;

- € 4.000,-- exclusief BTW, voor de goodwill;

- € 4.000,-- exclusief BTW, voor het onderhanden werk.

Met onderhanden werk wordt in de overeenkomst het klantenbestand van Finale en Finale Group bedoeld (hierna: “het klantenbestand”).

2.4 Artikel 6.2 van de overeenkomst luidt als volgt:

Verkoper en koper doen over en weer afstand van iedere mogelijke vordering de ontbinding dan wel vernietiging van deze overeenkomst te vorderen uit welke hoofde dan ook. Koper doet bovendien afstand van iedere mogelijke vordering van Verkoper schadevergoeding te vorderen.

2.5 Dit artikellid is gewijzigd naar aanleiding van een verzoek van Medicare Job B.V. d.d. 15 september 2004. In het concept dat aan de overeenkomst vooraf ging was als artikel 6.2 de volgende tekst opgenomen:

Indien mocht blijken dat (één van) partijen bij het aangaan van deze overeenkomst is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten en/of mocht blijken dat de juridische en/of feitelijke situatie/omstandigheden anders zijn dan door (één van) partijen bij het aangaan van deze overeenkomst werd verondersteld, zullen partijen trachten een oplossing te bereiken.

2.6 Op 21 september 2004 heeft Jigog B.V. alle aandelen in Medicare Job B.V. verworven voor een bedrag van

€ 42.000,--. Onderhandelingen dienaangaande zijn door [gedaagden] gevoerd naar aanleiding van een voorstel daartoe van de moedermaatschappij van Medicare Job B.V. d.d. 13 of 14 september 2004.

Op 24 september 2004 is de naam Medicare Job B.V. gewijzigd in Finale Recruitment Group B.V. (hierna: “Finale Recruitment”).

2.7 Finale Recruitment heeft getracht op 19 november 2004 het klantenbestand te verkopen voor een bedrag van € 40.000,-- excl. BTW aan Totality Financials. Totality Financials was in eerste instantie bereid dit bestand te kopen voor een bedrag van € 20.000,-- ineens en nog eens € 20.000,-- na behaalde resultaten, maar tot een koopovereenkomst is het uiteindelijk niet gekomen.

3. Het geschil

3.1 Van der Schee vordert – samengevat –

1. dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [gedaagden] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar onvoldoende te informeren over de waarde van het klantenbestand;

2. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van EUR 36.000,--, vermeerderd met rente en kosten.

3.2 [Gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagden], als indirect bestuurder van Finale en Finale Group, onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, heeft Van der Schee aangevoerd dat [gedaagden] bij het ondertekenen van de overeenkomst niet heeft gezegd dat het klantenbestand meer waard was dan € 4.000,-- en dat [gedaagden]. betrokken was bij een overname van de aandelen in Medicare Job B.V. Dat het klantenbestand meer waard was dan € 4.000,00 leidt Van der Schee af uit het feit dat Finale Recruitment het klantenbestand op 19 november 2004 heeft getracht te verkopen voor

€ 40.000,00 (zie rechtsoverweging 2.7.).

4.2 [Gedaagden] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld en aansprakelijk te zijn voor de gestelde schade. Zij heeft in dit verband het volgende aangevoerd:

- de informatieplicht is niet geschonden omdat Van der Schee nooit naar de waarde van de activa heeft gevraagd;

- er is geen causaal verband tussen de door Van der Schee gestelde schade en het schenden van de informatieplicht;

- Totality Financials was bereid voor het klantenbestand en de goodwill € 20.000,-- ineens te betalen en nog eens € 20.000,-- op termijn, terwijl deze laatste betaling omzetafhankelijk was; de waarde van het klantenbestand kan dus niet op € 40.000,-- worden gesteld;

- in de periode gelegen tussen de verkoop van het klantenbestand aan Medicare Job B.V. en de onderhandelingen met Totality Financials is de markt van zakelijke dienstverlening aangetrokken; de prijs die voor het klantenbestand door Medicare Job B.V. is betaald was, gezien de omstandigheden (waaronder het gegeven dat Medicare Job B.V. ook personeel van Finale in dienst zou nemen), redelijk.

4.3 De rechtbank stelt voorop dat de curator in een faillissement bij een eventuele verkoop van activa, al dan niet in het kader van een doorstart, de verantwoordelijkheid draagt voor de bepaling van de waarde van deze activa. Het is dan ook aan hem de nodige actie te ondernemen om deze waarde adequaat vast te kunnen stellen. De artikelen 105 en 106 Faillissementswet (Fw) brengen met zich dat de bestuurder van de gefailleerde vennootschap de curator alle relevante informatie dient te verstrekken teneinde de curator in de gelegenheid te stellen deze taak naar behoren te vervullen. Van der Schee heeft gesteld dat zij in de eerste bespreking met [gedaagden] op 2 september 2004, kennelijk met het oog op deze taakvervulling, heeft gevraagd naar de activa en gesproken heeft over het klantenbestand. In het verslag van de bespreking die Van der Schee op 2 september 2004 met [gedaagden] heeft gevoerd (productie 7 bij dagvaarding) is ter zake de activa het volgende opgenomen:

Er is een activa lijst, die wordt aan de curator gezonden. De orderportefeuille is op dit moment goed gevuld. Er zijn 300 vacatures binnen. Er wordt gewerkt op basis van “no cure no pay”. De opdrachtgevers hebben geen vaste contacten met curanda. Er wordt als het ware een vacaturebank beheert.

[Gedaagden] heeft ter zake tijdens de comparitie van partijen verklaard:

Toen het faillissement was uitgesproken hebben wij de activa van Finale B.V. beschreven voor de curator. Wij hebben daarbij uitgelegd hoe het klantenbestand eruit zag en wat de relaties met deze klanten inhielden. Kort gezegd betekent dit klantenbestand dat je precies weet welke naam binnen welk bedrijf bij welke functie hoort. Iemand die over het klantenbestand beschikt kan dus mensen heel concreet en direct benaderen. Dit klantenbestand is echter niet exclusief en impliceert niet het recht op een bemiddelingsfee. Degene die een klantenbestand heeft zal dan ook zelf de betreffende klanten dienen te benaderen en dienen te trachten met succes voor hen te bemiddelen. Daarbij geldt als regel: wie het eerst komt, wie het eerst maalt.

4.4 De rechtbank begrijpt dat de door [gedaagden] verstrekte informatie betreffende het klantenbestand bij Van der Schee de indruk heeft gewekt dat dit klantenbestand een zeer beperkte waarde had. Van der Schee heeft immers bij brief d.d. 14 september 2004 Medicare Job B.V. als volgt bericht:

De contracten die curandae met haar klanten sloot zijn in zoverre waardeloos dat gewerkt werd op basis van “no cure no pay”. De waarde die met de overeenkomst aan u wordt overgedragen, ligt derhalve niet zo zeer in deze contracten, maar veeleer in de niet juridisch vastgelegde klantenrelatie. De overeenkomst geeft u de mogelijkheid om, zonder daarmee onrechtmatig te handelen, verder te gaan met de klanten die door curandae werden bediend.

4.5 Dat deze indruk bij Van der Schee bestond moet bij [gedaagden] bekend worden verondersteld. [Gedaagden] stelt weliswaar niet bij de onderhandelingen betreffende de overname door Medicare Job B.V. betrokken te zijn geweest omdat die werden gevoerd door Van der Schee met de heer [naam medewerker] van Medicare Job B.V., maar hij erkent dat Medicare Job B.V. door hem als potentiële gegadigde is aangeboden. Hij stelt voorts met Medicare Job B.V. al op 6 september 2004 te hebben gesproken over het bod dat Medicare Job B.V. had gedaan. Dat gesprek is bovendien uiteindelijk uitgemond in het besluit van Jigog B.V. op of omstreeks 13 september 2004 om de aandelen in Medicare Job B.V. te verwerven. [Gedaagden] heeft dienaangaande als volgt verklaard ter gelegenheid van de comparitie van partijen:

Wel hebben wij op 6 september 2004 een afspraak gehad met de moedermaatschappij van Medicare Job B.V. in verband met het feit dat Medicare Job B.V. een bod had gedaan op de activa van Finale B.V. en de voorwaarden wenste te bespreken om dit bod gestand te doen. Die dag hoorden wij dat zij ons in Medicare Job B.V. slechts een tijdelijk arbeidscontract wilden aanbieden en dat wij geen enkele zeggenschap binnen Medicare Job B.V. zouden krijgen. Daar voelden wij niets voor. Wij hebben dan ook aangegeven bij de verdere bedrijfsvoering niet betrokken te willen zijn. De moedermaatschappij van Medicare Job B.V. kwam daarop met het voorstel op 13 of 14 september 2004 om de aandelen in Medicare Job B.V. over te nemen tegen betaling van € 42.000,--. Dit bedrag was gebaseerd op het compensabel verlies van € 28.000,--, de koopsom die Medicare Job B.V. moest betalen voor de activa van Finale B.V. en advocaatkosten e.d.

4.6 [Gedaagden] had naar aanleiding van hetgeen haar ten aanzien de prijsbepaling bekend was geworden, mede gezien het besluit van Jigog B.V. tot overname van de aandelen in Medicare Job B.V., Van der Schee nader dienen te informeren. Zo had hij Van der Schee in kennis moeten stellen van het feit dat voor een klantenbestand als dat van Finale in economisch goede tijden goed betaald wordt en dat je dan bij wijze van spreken kunt vragen wat je wilt, gelijk [gedaagden] ter gelegenheid van de comparitie van partijen met zoveel woorden heeft verklaard. Dit gegeven, gecombineerd met het feit dat één van de bestuurders via de aankoop van de aandelen in Medicare Job B.V. feitelijk zou doorstarten, zou Van der Schee in staat hebben gesteld in de markt te onderzoeken of een derde bereid was meer voor het klantenbestand te willen betalen, al dan niet in combinatie met de overige activa en al dan niet met doorstart als uitgangspunt. [Gedaagden] heeft, door te zwijgen waar spreken plicht was, Van der Schee de mogelijkheid ontnomen een afgewogen oordeel te vormen over de vraag hoe de onderhavige faillissementen het best zouden kunnen worden afgewikkeld. De rechtbank acht in dit verband nog van belang dat juist in een specifieke markt als de onderhavige de informatie die door bestuurders wordt verstrekt over de waarde van de activa van groot belang is omdat het voor een curator niet eenvoudig is deze waarde op korte termijn en met beperkte middelen op een andere wijze vast te stellen, hetgeen [gedaagden] eveneens had kunnen althans moeten weten.

De rechtbank concludeert dan ook dat [gedaagden] onrechtmatig jegens Van der Schee heeft gehandeld door voor haar essentiële en bij hem bekende informatie achter te houden. Dit onrechtmatig handelen kan [gedaagden] ook worden toegerekend. Dat hij er totaal niet aan gedacht heeft Van der Schee omtrent een en ander te informeren – gezien het feit dat het een hectische tijd betrof waar veel hem persoonlijk regarderende beslissingen dienden te worden genomen, hij de overname van de aandelen in Medicare Job B.V. niet als een zelfstandige doorstart zag en [naam medewerker] namens Medicare Job B.V. alle onderhandelingen voerde – is geen omstandigheid die tot een ander oordeel behoort te leiden. Deze omstandigheid impliceert immers dat [gedaagden] een verkeerde inschatting heeft gemaakt van zijn rechten en verplichtingen. Deze inschattingsfout komt voor zijn rekening.

4.7 De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of de boedel als gevolg van dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden en zo ja, wat de omvang van deze schade is.

[Gedaagden] heeft desgevraagd Van der Schee bij brief d.d. 22 december 2004 ten aanzien van de vraag naar de verkoopwaarde van de orderportefeuille van Finale (zulks naar aanleiding van de onderhandelingen dienaangaande met Totality Financials) het volgende laten weten.

Het feit dat Medicare Job B.V. een halfjaar geleden slechts € 10.000 over had voor de orderportefeuille had, mijn inziens, inderdaad alles te maken met het feit dat Finale puur op basis van no cure, no pay werkte waardoor de data in het bestand door de heer [naam medewerker] slechts als een verzameling adressen werd beschouwd. Daarnaast waren zij ook als debiteur in het faillissement betrokken, waarbij de af te boeken gelden waarschijnlijk ook als onderhandelingspunt zijn meegenomen in het aangeboden bedrag. Mede gezien de krapte in tijd, het feit dat snelheid geboden was en het feit dat anders de overgebleven personeelsleden ook op straat zouden komen te staan vind ik de koopprijs in het licht van die tijd nog altijd een rechtvaardige,

ook al had er wellicht nog iets meer ingezeten als er zich toen meerdere geïnteresseerde partijen hadden gemeld en er tussen partijen onderhandeld had kunnen worden.

Het afgelopen halfjaar is de economie flink aangetrokken en is vooral de arbeidsmarkt in de zakelijke dienstverlening zeer sterk verbeterd, redenen waarom er zich diverse partijen na de vele persberichten over het faillissement hebben gemeld en zich geïnteresseerd hebben getoond voor de data en klantgegevens.

Het feit dat er nu onderhandeld kan worden tussen partijen en het feit dat de data in het licht van de aangetrokken economie en arbeidsmarkt aan waarde toenemen, zijn dan ook de redenen waarom wij denken een hogere verkoopprijs te kunnen aanbieden dan in het tijdperk en de tijdspanne van het faillissement.

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagden] nog een tweetal persberichten overgelegd. Uit het ene persbericht blijkt dat een recordaantal headhuntersbureaus in 2003 failliet is gegaan en dat 2003 het slechtste jaar ooit was voor Nederlandse recrutingbureaus. Uit het andere persbericht volgt dat de zaken in de uitzendbranche in het derde kwartaal van 2004 beter gingen, omdat niet alleen het aantal uitzenduren, maar ook de omzetten van de uitzendbureaus in het derde kwartaal stegen. Ook van andere delen van de arbeidsmarkt kwamen (zo eindigt het persbericht) volgens het CBS positieve signalen. In het derde kwartaal van 2004 heeft het CBS een lichte groei gemeten van het aantal vacatures.

4.8 Uit de in rechtsoverweging 4.7. genoemde persberichten leidt de rechtbank af dat juist rond de datum van het faillissement de markt waarin Finale opereerde weer was aangetrokken. Het faillissement is immers uitgesproken in de laatste maand van het derde kwartaal. In zoverre is de toelichting van [gedaagden] dat het klantenbestand op 19 november 2004, gezien het verschil in economische omstandigheden, veel meer waard was dan ten tijde van het tekenen van de overeenkomst (2 maanden eerder (en geen half jaar daarvoor zoals door [gedaagden] wordt betoogd)) zonder nadere toelichting op dit punt onaannemelijk.

Dat Medicare Job B.V. wellicht in de prijs ook heeft betrokken het feit dat zij als debiteur in het faillissement gelden heeft af moeten boeken is geen omstandigheid waarop [gedaagden] zich met succes jegens Van der Schee kan beroepen. Een dergelijke impliciete verrekening van de waarde van het klantenbestand met een vordering op de boedel, zou immers een ongeoorloofde benadeling van schuldeisers betekenen waarvan [gedaagden] – indien zij van deze beweegreden van Medicare Job B.V. ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was geweest (hetgeen de rechtbank aannemelijk acht nu [gedaagden] met de moedermaatschappij van Medicare Job B.V. over de prijs van de aandelen in Medicare Job B.V. heeft onderhandeld en daarbij de prijs die door Medicare Job B.V. voor de activa van Finale en Finale Group is betaald aan de orde is geweest) – Van der Schee in kennis hadden behoren te stellen.

Rest het, volgens [gedaagden] prijsdrukkende, gegeven dat er snel zaken moest worden gedaan wilde een doorstart zin hebben en dat enkel bij een doorstart de waarde van de activa behouden zou kunnen worden.

De rechtbank acht aannemelijk dat het geboden was snel zaken te doen om zinvol een doorstart te kunnen maken. Dat een potentiële doorstarter hiervan gebruik tracht te maken in het kader van zijn onderhandelingspositie is op zichzelf niet vreemd en kan een prijsdrukkend gevolg hebben. In deze zaak gaat het er echter juist om dat [gedaagden] Van der Schee had moeten behoeden voor het risico dat Medicare Job B.V. haar positie als enig gegadigde voor een doorstart gebruikte om een dusdanig lage koopsom te bewerkstelligen dat de mogelijke voordelen van een doorstart voor het personeel van

Finale niet meer opwogen tegen een verkoop van de activa aan de hoogstbiedende. Zoals hiervoor is overwogen had [gedaagden] dit moeten doen door Van der Schee volledig te informeren over de mogelijke waarde van het klantenbestand. Een en ander geldt te meer nu het faillissement van Finale en Finale Group kennelijk juist leidde tot een grote interesse van potentiële kopers van het klantenbestand. De rechtbank verwijst naar het citaat in rechtsoverweging 4.7. [gedaagden] heeft bovendien ter gelegenheid van de comparitie van partijen verklaard:

Vanwege de publicaties over het faillissement van Finale B.V. werden wij op enig moment benaderd door concurrenten uit de markt met het verzoek het klantenbestand van Finale B.V. te verkopen.

Aldus is niet gebleken dat als [gedaagden] niet had aangedrongen op een snelle verkoop van de activa de waarde van de activa zonder meer zou zijn opgedroogd.

4.9 De rechtbank is op basis van hetgeen zij in rechtsoverweging 4.8. heeft overwogen van oordeel dat [gedaagden] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar aan Totality Financials aangeboden activa minder waard waren ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dan het bedrag dat Totality Financials bereid was ervoor te betalen naar aanleiding van het aanbod van [gedaagden] d.d. 19 november 2004. Dat Totality Financials uiteindelijk niet tot overname van deze activa is overgegaan, na met Van der Schee daarover te hebben gesproken, doet hier niet aan af, nu niet is gesteld of gebleken dat het niet tot stand komen van een koopovereenkomst te maken had met de tegenprestatie die Totality Financials volgens [gedaagden] bereid was te betalen. De rechtbank hecht geen waarde aan de door [gedaagden] overgelegde balans van Finale Recruitment per 31 december 2004, waarin het onderhanden werk is opgenomen voor een bedrag van € 4.000,--, omdat niet is gebleken op basis waarvan deze waarde is bepaald.

4.10 Ter onderbouwing van de tegenprestatie die Totality Financials bereid was te betalen heeft [gedaagden] een concept-overname overeenkomst overgelegd waarin het volgende is opgenomen:

1.1 Verkoper verkoopt en draagt bij deze over aan Koper, gelijk Koper van Verkoper koopt en aanvaardt:

- alle uit de Portefeuille voortvloeiende rechten (…)

- alle overige goodwill en eigendomsrechten m.b.t. de Portefeuille

- al het bij Verkoper aanwezige onderhanden werk m.b.t. de Portefeuille

(…)

2.1 De koopprijs voor de in artikel 1 genoemde zaken bestaat uit een drietal onderdelen:

- een bedrag van € 40.000 exclusief BTW,

- een vergoeding van 33,33% van elke succesvolle bemiddeling welke Koper in het jaar 2005 op de Portefeuille realiseert, waarbij de datum van indiensttreding bepalend is.

- Een vergoeding van 25,0% van elke succesvolle bemiddeling welke Koper in het jaar 2006 op de Portefeuille realiseert, waarbij de datum van indiensttreding bepalend is.

2.2 Mocht Koper in het jaar 2005 op de aangeschafte Portefeuille onverhoopt minder dan € 20.000,= omzet behalen dan is zij gerechtigd de overeenkomst op 1 januari 2006 te ontbinden, waarmee de tweede termijn van € 20.000,= exclusief BTW, als bedoeld in artikel 3.2, zal komen te vervallen.

(…)

3.2 De rekening van het aanvangsbedrag van € 40.000,= wordt opgemaakt in twee jaartermijnen, welke jaartermijnen van € 20.000,= exclusief BTW uit de door Koper behaalde jaarlijkse omzet zullen worden voldaan doch uiterlijk op 31 december van elk jaar aan Koper is overgemaakt.

Uit deze overeenkomst volgt, hetgeen [gedaagden] ook stelt, dat Totality Financials niet zonder meer € 40.000,00 zou voldoen, maar dat de helft van dit bedrag omzetafhankelijk was. Van der Schee heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen niet betwist dat de bereidheid van Totality Financials niet verder strekte dan hetgeen in voormelde concept-overeenkomst is weergegeven.

4.11 De rechtbank acht niet aannemelijk dat Van der Schee een dergelijke omzetafhankelijke overeenkomst zou hebben gesloten. De rechtbank neemt aan dat Van der Schee zou hebben gestreefd naar duidelijkheid voor de boedel op korte termijn, waarbij zij zo min mogelijk garanties zou hebben willen geven. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat een derde in een faillissementssituatie niet zonder meer een hoger bedrag dan € 20.000,00 ineens aan een curator zou hebben geboden. Een en ander tegen elkaar afwegend gaat de rechtbank ervan uit dat het klantenbestand en de goodwill van Finale en Finale Group ten tijde van het faillissement tenminste een bedrag van € 20.000,00 op zou kunnen hebben gebracht bij verkoop aan een ander dan Medicare Job B.V. Dit gegeven dient afgezet te worden tegen de bereidheid van Medicare Job B.V. om benevens de goodwill en het klantenbestand ook de handelsnamen en de website over te nemen voor een bedrag van in totaal € 10.000,00 en daarnaast bereid is gebleken een aantal personeelsleden van Finale een dienstverband aan te bieden.

4.12 De vraag is of Van der Schee als zij de keus had gehad tussen de optie van doorstart zoals die door Medicare Job B.V. werd geboden en een verkoop van een deel van de activa aan een derde voor een bedrag van € 20.000,00, zonder meer voor de laatste optie zou hebben gekozen. De rechtbank acht dat niet vanzelfsprekend. Anderzijds is het geen hard gegeven dat een derde maar € 20.000,00 voor het klantenbestand en de goodwill zou hebben geboden. Het geheel overziende schat de rechtbank de door de curator als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagden] geleden schade op € 10.000,00. Gedaagden sub 1 en 2 zullen hoofdelijk tot betaling van deze schade worden veroordeeld. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van de in de dagvaarding genoemde datum, te weten 2 februari 2005, nu [gedaagden] hiertegen geen verweer hebben gevoerd.

4.13 De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. Van der Schee heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Van der Schee vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.14 [Gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Van der Schee op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 71,93

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 815,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.044,93

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Van der Schee te betalen een bedrag van EUR 10.000,00 (tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 2 februari 2005 tot de dag van volledige betaling,

5.2 veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Van der Schee tot op heden begroot op EUR 2.044,93,

5.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2005.

w.g. griffier w.g. rechter